Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2018

Evaluatie beleidsdoelen voor de leefomgeving

Op deze pagina vindt u een overzicht van de mate waarin de beleidsdoelen voor milieu, natuur of ruimte naar verwachting worden gehaald. Elk doel heeft een kleurcode gekregen. Deze kleurcodes bieden een snel overzicht van de beleidsvoortgang zoals geëvalueerd in 2014, 2016, 2017 en 2018. Klik op de naast de kleurcode voor een korte toelichting.

Wilt u meer weten over de evaluatie van de beleidsdoelen in 2018 en de verantwoording van de toegekende kleurcodes? Bij elk doel staat een link naar meer informatie. Voor de toelichting op het doelbereik in de voorgaande jaren wordt doorverwezen naar de betreffende digitale Balansen van de Leefomgeving.

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Energie en klimaat

Voor ‘energie en klimaat’ zijn het doelbereik en de toelichting in deze Balans afgeleid van het voorgenomen beleid in de Nationale Energieverkenning (NEV) van 2017. De eerstvolgende NEV, met daarin naar verwachting het nieuwe Klimaatakkoordbeleid voor 2030, zal pas in de loop van 2019 verschijnen. Begin 2019 brengt het PBL naar verwachting een notitie uit over de voortgang van het Energieakkoord wat betreft de hoofddoelen voor energiebesparing (2020) en voor hernieuwbare energie (2020 en 2023). Ook wordt de broeikasgasraming voor 2020 opnieuw doorgerekend in verband met het doel voor 2020 uit de Urgenda-rechtszaak. Begin 2019 publiceert het PBL naar verwachting ook een doorrekening van het Klimaatakkoord voor 2030.

Hernieuwbare energie, EU-richtlijn (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
EU-doel voor het aandeel hernieuwbare energie is 14% in 2020. In 2015 is het aandeel hernieuwbare energie licht toegenomen naar 5,8% ten opzichte van 2014. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 en toepassing van de huidige Europese rekenmethode komt het aandeel uit op 11,9% in 2020. Hiermee lijkt het doel van 14% nog niet binnen bereik.lees meer
EU-doel voor het aandeel hernieuwbare energie is 14% in 2020. In 2016 is het aandeel hernieuwbare energie licht toegenomen naar 5,9%. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2016 en toepassing van de huidige Europese rekenmethode komt het aandeel uit op 12,5% in 2020.Hiermee lijkt het doel van 14% nog niet binnen bereik. In de Nationale Energieverkenning 2017 volgen nieuwe cijfers.lees meer
Het EU-doel voor het aandeel hernieuwbare energie is 14% in 2020. In 2016 lag het aandeel hernieuwbare energie op 6%. Naar verwachting stijgt dit aandeel bij voorgenomen beleid tot 12,4% in 2020, volgens de Europese rekenmethode. In vier jaar stijgt dit aandeel daarmee meer dan in de hele periode 2000-2016, toen een toename van 4,4 procentpunt werd gerealiseerd. De ontwikkeling van windenergie op land is onvoldoende om de doelstelling van 6.000 megawatt in 2020 te halen. Verder wordt een snellere ontwikkeling geconstateerd van zonnestroom, een hoger verbruik van biobrandstoffen en een lager totaal bruto eindverbruik (NEV 2017). lees meer
Hernieuwbare energie, doel Energieakkoord (2023)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het doel uit het Energieakkoord voor het aandeel hernieuwbare energie in 2023 is 16%. In 2015 is het aandeel 5,8%. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 komt Nederland in 2023, met de toepassing van Europese rekenmethodes, uit op 15,7% en komt het doel in zicht.lees meer
Het doel uit het Energieakkoord voor het aandeel hernieuwbare energie in 2023 is 16%. In 2016 is het aandeel 5,9%. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2016 komt Nederland in 2023, met de toepassing van Europese rekenmethodes, uit op 15,8% en komt het doel in zicht.lees meer
Het doel uit het Energieakkoord voor het aandeel hernieuwbare energie is 16% in 2023. In 2016 lag het aandeel hernieuwbare energie op 6%. Naar verwachting neemt dit aandeel bij voorgenomen beleid toe tot 16,7% in 2023, volgens de Europese rekenmethode. Een belangrijk aandeel in de stijging na 2020 komt voor rekening van nieuwe windenergieparken op zee. De ontwikkeling van windenergie op land verloopt tot en met 2023 trager dan beoogd in het Energieakkoord. Daar staan een snellere ontwikkeling van zonnestroom, vergisting, aardwarmte en warmtepompen en een lager totaal bruto eindverbruik tegenover (NEV 2017). lees meer
Energiebesparing, EU-richtlijn (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
Het (cumulatieve) energiebesparingsdoel in EU-verband is 482 PJ in de periode 2014-2020. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 komt de cumulatieve reductie uit op circa 540 PJ in 2020 en daarmee binnen bereik.lees meer
Het (cumulatieve) energiebesparingsdoel in EU-verband is 482 PJ in de periode 2014-2020. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2016 komt de cumulatieve reductie uit op circa 520 PJ in 2020 en daarmee binnen bereik.lees meer
Het (cumulatieve) energiebesparingsdoel in EU-verband is 482 petajoule in de periode 2014-2020. De verwachte cumulatieve besparing volgens de Europese Energiebesparingsrichtlijn (EED) is 721 petajoule. Het doel wordt daarmee naar verwachting ruimschoots gehaald. Veruit de belangrijkste verhoging ten opzichte van de NEV 2016 komt voort uit het gebruik van de monitoringsgegevens over 2014 en 2015, die vooral bij de industrie hogere EED-besparingen laten zien dan de verwachting op basis van projecties.lees meer
Energiebesparing, doel Energieakkoord (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het energiebesparingsdoel uit het Energieakkoord betreft een additionele besparing van 100 PJ in 2020 ten opzichte van het besparingstempo zonder Energieakkoord. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 is de geraamde besparing 55 PJ in 2020 en blijft het doel buiten bereik.lees meer
Het energiebesparingsdoel uit het Energieakkoord betreft een additionele besparing van 100 PJ in 2020 ten opzichte van het besparingstempo zonder Energieakkoord. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2016 is de geraamde besparing 68 PJ in 2020 en blijft het doel buiten bereik.lees meer
Het energiebesparingsdoel uit het Energieakkoord betreft een additionele besparing van 100 petajoule in 2020 ten opzichte van het besparingstempo zonder Energieakkoord. Besparing die niet direct het gevolg is van maatregelen uit het Energieakkoord maar voortkomt uit al bestaand beleid, energieprijzen enzovoort, valt niet onder de doelstelling. De verwachte finale energiebesparing komt met het voorgenomen beleid in 2020 uit op 75 petajoule. De meest waarschijnlijke realisatie ligt daarmee 25 petajoule onder het doel. Wel omvat de bovenkant van de bandbreedte het doel van 100 petajoule (NEV 2017).lees meer
Aanvullend beleid hernieuwbaar en besparing, doelen EU-richtlijn, Energieakkoord (2020 en 2023)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Tussen oktober 2015 en mei 2016 zijn extra maatregelen aangekondigd die het doelbereik, voor met name hernieuwbaar en besparing, voor 2020 en 2023 uit het Energieakkoord alsnog beogen te realiseren. De Nationale Energieverkenning 2016 zal de effecten van dit extra beleid op het doelbereik doorrekenen.lees meer
Tussen oktober 2015 en mei 2017 zijn extra maatregelen aangekondigd die het doelbereik, voor met name hernieuwbaar en besparing, voor 2020 en 2023 uit het Energieakkoord alsnog beogen te realiseren. In de Nationale Energieverkenning 2016 zijn deze maatregelen nog niet nader gekwantificeerd. De Nationale Energie-verkenning 2017 zal de effecten van dit extra beleid op het doelbereik doorrekenen.lees meer
Dit beleid betreft een verdere uitwerking voor het behalen van de doelstelling voor hernieuwbare energie en energiebesparing. Tussen oktober 2015 en 1 mei 2018 zijn extra maatregelen onder het Energieakkoord aangekondigd om het doelbereik (voor 2020 en 2023) veilig te stellen. Een doorrekening van deze maatregelen en het doelbereik met betrekking tot hernieuwbare energie en energiebesparing verschijnt tegelijkertijd met de publicatie van de doorrekening van het Klimaatakkoord.lees meer
Windenergie op land (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
Het doel is 6.000 MW in 2020. In 2015 bedroeg het opgestelde windvermogen op land 3.031 MW. Voor eind 2020 zal volgens de Monitor wind op land 2015 (vrijwel) zeker 4.574 MW productief opgesteld zijn en voor nog eens ruim 600 MW is dat aannemelijk. De monitor geeft ook aan dat er nog veel inspanning nodig is van alle betrokken partijen om de resterende opgave tot 6.000 MW voor 2020 te realiseren.lees meer
Het doel is 6.000 MW in 2020. In 2016 bedroeg het opgestelde windvermogen op land 3.297 MW. Voor eind 2020 zal volgens de Monitor wind op land 2016 (vrijwel) zeker 4.576 MW productief opgesteld zijn en voor nog eens ruim 331 MW is dat aannemelijk, maar dat aandeel blijft kwetsbaar voor vertraging. De Monitor geeft ook aan dat er nog veel inspanning nodig is van alle betrokken partijen om de resterende opgave tot 6.000 MW voor 2020 te realiseren.lees meer
Het doel is 6.000 megawatt in 2020. In 2017 bedroeg het operationele opgestelde windvermogen op land 3.249 megawatt. Volgens de RVO is het (vrijwel) zeker dat eind 2020 minstens 5.153 megawatt windvermogen operationeel zal zijn. Naar aanleiding van de NEV uit 2017 hebben de Energieakkoord-partijen afgesproken dat de Rijksoverheid, provincies en gemeenten een plan van aanpak opstellen voor versnelling van de realisatie. De Rijksoverheid en provincies hebben afgesproken dat wanneer het doel van 6.000 megawatt niet tijdig wordt gehaald, het restant van de opgave in 2020 zal worden verdubbeld. Deze verdubbeling zal in de periode 2021-2023 worden gerealiseerd. De verdubbeling boven de 6.000 megawatt kan bestaan uit windenergie op land, maar mag ook deels met andere vormen van hernieuwbare energie worden gerealiseerd, mits dit extra vermogen additioneel is ten opzichte van het beeld van de NEV.lees meer
Windenergie op zee (2023)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
Het doel uit het Energieakkoord is 4.450 MW in 2023. In 2015 was 357 MW windvermogen op zee opgesteld en nog eens 600 MW is in aanbouw. In het Energieakkoord is een tenderpad afgesproken met een taakstellend kostendalingspad van 40% kostenreductie voor windenergie op zee van 2013 tot 2023. Ontwikkelingen sindsdien laten zien dat dit realistisch is. De ambitie lijkt daarom haalbaar.lees meer
Het doel uit het Energieakkoord is 4.450 MW in 2023. In 2016 was 957 MW windvermogen op zee opgesteld. In het Energieakkoord is een tenderpad afgesproken met een taakstellend kostendalingspad van 40% kostenreductie voor windenergie op zee van 2013 tot 2023. Ont-wikkelingen sindsdien laten zien dat dit realistisch is. De ambitie lijkt daarom haalbaar. Ook hier komt de Nationale Energieverkenning met een actualisering.lees meer
De kansen op versnelling en de risico's op vertraging leiden ertoe dat er naar verwachting wordt voldaan aan de doelstelling van 4.450 megawatt opgesteld windvermogen op zee (2023). De onzekerheid is evenwel groot, met een bandbreedte van 3.050 tot 5.450 megawatt. In het Energieakkoord is een tenderpad afgesproken met een taakstellend kostendalingspad van 40% kostenreductie voor windenergie op zee van 2013 tot 2023. Door technologische ontwikkeling, een hechtere samenwerking in de sector en efficiënt beleid dat is toegeschreven op de behoeften van de markt, dalen de kosten van windenergie op zee (NEV 2017). lees meer
Broeikasgasemissies niet-ETS-sectoren EU-doel (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
Doel voor de reductie van broeikasgasemissies uit de niet-ETS-sectoren in EU-verband is 16% in 2020 ten opzichte van 2005. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 komt de reductie uit op circa 21%. Ook de bijbehorende doelen voor de maximale cumulatieve emissies tussen 2013 en 2020 worden gehaald.lees meer
Doel voor de reductie van broeikasgasemissies uit de niet-ETS-sectoren in EU-verband is 16% in 2020 ten opzichte van 2005. De jaarlijkse niet-ETS-emissies dalen bij voorgenomen beleid van 102 Mton CO2-equivalenten in 2015 (voorlopig cijfer) tot 95 Mton CO2-equivalenten in 2020. De cumulatieve niet-ETS-emissies in de periode van 2013 tot en met 2020 komen met voorgenomen beleid uit op 800 Mton CO2-equivalenten. Dit is ruim onder het Europese reductiedoel voor Nederland van 920 Mton CO2-equivalenten voor die periode.lees meer
Doel voor de reductie van broeikasgasemissies uit de niet-ETS-sectoren in EU-verband is 16% in 2020 ten opzichte van 2005. Op basis van de emissies voor niet- ETS-sectoren sinds 2013 en de projectie tot 2020 wordt verwacht dat Nederland ruimschoots zal voldoen aan zijn Europese verplichting voor het reduceren van de niet-ETS-broeikasgasemissies in de periode 2013-2020. De maximaal toegestane cumulatieve emissies voor Nederland in die periode bedragen 920 megaton CO2-equivalenten. Uitgaande van het voorgenomen beleid komen de cumulatieve emissies voor die periode uit op 798 megaton CO2-equivalenten (NEV 2017). lees meer
Broeikasgasemissies niet-ETS-sectoren EU-doel (2030)
  • Balans 2018
Uitgaande van de NEV 2017 en voorgenomen beleid rest er voor de niet-ETS-emissies tot 2030 een aanvullende beleidsopgave van 12 megaton CO2-equivalenten, cumulatief over de periode 2021-2030. Het EU-doel voor Nederland ligt nog wel binnen de onzekerheidsbandbreedte (NEV 2017).lees meer
Nationale Adaptatiestrategie (2050)
  • Balans 2018
De Nationale Adaptatiestrategie (NAS) is gericht op sectoren, thema's en klimaatrisico's die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie zijn opgenomen. Net als bij het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie zijn de regio's (overheden en sectoren) primair aan zet om het opgestelde Uitvoeringsprogramma NAS uit te werken. Indicatoren zijn nog niet vastgesteld. lees meer

Luchtverontreiniging

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

NOx-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De uitstoot van stikstofoxiden in 2012 lag 12 kiloton (5%) onder het Europese emissieplafond dat geldt vanaf 2010 (NEC).lees meer
Het emissieplafond voor stikstofoxiden is 260 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 235 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor stikstofoxiden is 260 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie voor 2015 is 228 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor stikstofoxiden is 260 kiloton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie voor 2016 is 228 kiloton.lees meer
SO2-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
In 2012 16 kiloton (32%) onder het emissieplafond.lees meer
Het emissieplafond voor zwaveldioxide is 50 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 29 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor zwaveldioxide is 50 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie voor 2015 is 30 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor zwaveldioxide is 50 kiloton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie voor 2016 is 30 kiloton.lees meer
NH3-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
In 2012 8 kiloton (6%) onder het emissieplafond.lees meer
In de Balans 2012 en 2014 was het beeld dat het 2010-plafond voor ammoniakemissie (128 Kton) binnen bereik was. Echter, sinds de herberekening van de ammoniakemissie in 2014/2015 ligt de emissie boven het doel. Zo is voor 2012 de herberekende ammoniakemissie met 15 Kton naar boven bijgesteld. De gerealiseerde emissie in 2014 is 134 Kton. De overschrijding van het plafond betekent niet automatisch dat Nederland in gebreke wordt gesteld. Er is namelijk consensus in Europa dat landen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor wijzigingen in de geregistreerde emissiecijfers die niet bekend waren bij het afspreken van de reductiedoelen.lees meer
De gerealiseerde emissie voor 2015 is 128 Kton, waarmee het plafond voor 2010 van 128 Kton binnen bereik is. Echter, aangezien er momenteel discussie is over de methodiek voor het vaststellen van de ammoniakemissies, kan op dit moment niet worden vastgesteld of het emissiedoel voor ammoniak voor 2010 ook daadwerkelijk is bereikt.lees meer
Het emissieplafond voor ammoniak is 128 kiloton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie voor 2016 is 127 kiloton. Er kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld of het emissiedoel voor ammoniak voor 2010 daadwerkelijk bereikt is. Nieuw onderzoek laat namelijk zien dat een aantal uitgangspunten voor de berekening van de gerealiseerde ammoniakemissies mogelijk moet worden aangepast (zoals de effectiviteit van luchtwassers en emissiefactoren bij toedieningsemissies). Daardoor kan bij een herberekening van de historische emissies de emissiewaarde van 2016 veranderen. lees meer
NMVOS-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
In 2012 35 kiloton (19%) onder het emissieplafond.lees meer
Het emissieplafond voor niet-methaan vluchtige organische stoffen is 185 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 143 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor niet-methaan vluchtige organische stoffen is 185 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie voor 2015 is 139 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor niet-methaan vluchtige organische stoffen is 185 kiloton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie in 2016 is 139 kiloton.lees meer
NOx-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor stikstofoxiden in 2020 is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 202 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 172 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor stikstofoxiden voor 2020 is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 203 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 177 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor stikstofoxiden voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 205 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 173 kiloton.lees meer
SO2-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor zwaveldioxide in 2020 is 28% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 47 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 30 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor zwaveldioxide voor 2020 is 28% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 46 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 30 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor zwaveldioxide voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 28% ten opzichte van 2005. Dat komt overeen met een uitstoot van 48 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 30 kiloton.lees meer
NH3-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor ammoniak in 2020 is 13% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 139 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 127 Kton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een recente herberekening van historische emissiecijfers voor ammoniak het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.lees meer
De reductieverplichting voor ammoniak voor 2020 is 13% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 135 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 117 Kton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een herberekening van historische emissiecijfers in 2016 het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.lees meer
De reductieverplichting voor ammoniak voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 13% ten opzichte van 2005. Dat komt overeen met een uitstoot van 133 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 115 kiloton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een herberekening van historische emissiecijfers in 2016 het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven. lees meer
NMVOS-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen in 2020 is 8% ten opzichte van 2005 oftewel 164 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 146 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen voor 2020 is 8% ten opzichte van 2005 oftewel 167 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 143 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 8% ten opzichte van 2005, oftewel 175 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 143 kiloton. lees meer
Fijn stof (PM2,5)-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) in 2020 is 37% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 13,4 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 10,4 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) voor 2020 is 37% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 13,5 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 10,9 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 37% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 13,9 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 10,9 kiloton lees meer
NOx-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor stikstofoxiden voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 61% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 145 Kton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 125 Kton. lees meer
SO2-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor zwaveldioxide voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 53% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 32 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 31 kiloton. Daarmee komt het plafond voor 2030 binnen bereik. De raming voor 2030 houdt geen rekening met de door het kabinet besloten sluiting van kolencentrales uiterlijk per 1 januari 2030. Hierdoor zullen de zwaveldioxide-emissies verder dalen. Bij het afleiden van de kleur van het stoplicht voor 2030 is wel rekening gehouden met deze voorgenomen sluiting. lees meer
NH3-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor ammoniak voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 21% ten opzichte van 2005. Dat komt overeen met een uitstoot van 121 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 107 kiloton. lees meer
NMVOS-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 15% ten opzichte van 2005, oftewel 162 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 145 kiloton.lees meer
Fijn stof (PM2,5)-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 12,2 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 9,8 kiloton.lees meer

Landbouw en voedsel

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Broeikasgasemissies glastuinbouw (2020)
  • Balans 2018
Het emissieplafond voor CO2-emissies uit de glastuinbouw is in 2017 in de Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw aangescherpt, van 6,2 megaton naar 4,6 megaton in 2020. In 2016 was de emissie 7,4 megaton. Het doel van 4,6 megaton in 2020 is berekend volgens de methodiek van de Energiemonitor Glastuinbouw, die afwijkt van de methode die wordt gebruikt voor de officiële rapportage volgens het Kyotoprotocol. Ongeacht de gebruikte rekenmethodiek is een extra inspanning nodig om het doel van 4,6 megaton te halen. In het Regeerakkoord (2017) is een reductie afgesproken van 1 megaton in 2030 ten opzichte van het bestaande beleid. Over de invulling hiervan wordt onderhandeld aan de landbouwtafel van het Klimaatakkoord.lees meer
Broeikasgasemissies landbouw (exclusief glastuinbouw) (2020)
  • Balans 2018
De sectoren akkerbouw, opengrondstuinbouw en veehouderij (ATV-sectoren) hebben in het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren uit 2008 afgesproken om in 2020 25-30% minder van de broeikasgassen methaan (CH4) en lachgas (N2O) uit te stoten dan in 1990. In 2015 bedroeg de uitstoot van methaan en lachgas uit de landbouw 19,1 megaton CO2-equivalenten. De verwachting voor 2020 is dat de emissie van methaan en lachgas uitkomt op 18,8 megaton CO2-equivalenten. Hiermee is het convenantsdoel net binnen bereik. In het Regeerakkoord (2017) is een reductie afgesproken van 1 megaton in 2030 ten opzichte van het bestaande beleid. Over de invulling hiervan wordt onderhandeld aan de landbouwtafel van het Klimaatakkoord.lees meer
Mestproductieplafond (vanaf 2006)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Stikstofproductie ruim onder mestproductieplafond 2002. In 2013 nam fosfaatproductie weer toe door groei van de melkveestapel en toename van fosfaatgehalte in krachtvoer. Onzekerder of voerspoor voldoende effectief zal zijn om de mestproductie te beperken tot niveau 2002.lees meer
Het mestproductieplafond is gekoppeld aan de derogatie van de Europese Commissie sinds 2006 en bedraagt 504 miljoen kg stikstof en 173 miljoen kg fosfaat. De stikstofproductie blijft in 2015 met 498 miljoen kg (dit is inclusief de gasvormige verliezen) net onder dit plafond, de productie van fosfaat zit er met 180 miljoen kg boven. Per 1 januari 2017 voert de overheid fosfaatrechten op bedrijfsniveau in, op basis van de fosfaatproductie op 2 juli 2015. Om in 2018 een fosfaatproductie beneden het plafond te realiseren, vindt er een generieke afroming plaats en wordt bij het verhandelen van fosfaatrechten ook afgeroomd. De hoogte van de generieke afroming moet echter nog worden vastgesteld.lees meer
Het mestproductieplafond is sinds 2006 gekoppeld aan de derogatie van de Europese Commissie en bedraagt 504 miljoen kg stikstof en 173 miljoen kg fosfaat. In 2016 was de stikstofproductie gelijk aan het plafond, terwijl voor fosfaat sprake was van een overschrijding van het plafond met 2,3 miljoen kg. Intussen is een pakket aan maatregelen van kracht geworden, teneinde eind 2017 weer onder het mestproductieplafond te komen. Dit heeft in 2017 al tot een daling van het aantal stuks melkvee met circa 160.000 geleid. Op basis van de ontwikkelingen in de eerste helft van 2017 zouden de afspraken over de fosfaatproductie voor 2017 haalbaar kunnen zijn.lees meer
Het mestproductieplafond is sinds 2005 gekoppeld aan de derogatie van de Europese Commissie en bedraagt 504 miljoen kilogram stikstof en 173 miljoen kilogram fosfaat. Het fosfaatplafond werd in 2016 met 2,3 miljoen kilogram overschreden, maar in 2017 is de situatie 2017 verbeterd. In 2017 is een pakket aan maatregelen van kracht geworden, waarmee eind 2017 de mestproductie weer onder het plafond voor fosfaat gekomen is. Per 1-1-2018 is het systeem van fosfaatrechten ingevoerd en zijn de sectorspecifieke productieplafonds opgenomen in het 6e Nitraat Actie Programma (NAP). Voor stikstof is het productieplafond in 2017 overschreden met 8 miljoen kilogram stikstof. Begin 2018 heeft de Europese Commissie opnieuw derogatie aan Nederland verleend. In grote lijnen gelden dezelfde voorwaarden als bij de vorige derogatie (2013-2017). Een belangrijk verschil is echter de verkorte looptijd van 2 jaar (in plaats van 4 jaar) en de extra aandacht die moet worden geschonken aan handhaving om mestfraude te voorkomen. lees meer
NH3-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Ammoniakemissie daalt: het 2010 NEC-doel is al gehaald. Het NEC-doel voor 2020 (-13% t.o.v. 2005) mogelijk ook, maar emissieramingen zijn onzeker.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland.
In de Balans 2012 en 2014 was het beeld dat het 2010-plafond voor ammoniakemissie (128 kton) binnen bereik was. Echter, sinds de herberekening van de ammoniakemissie in 2014/2015 ligt de emissie boven het doel. Zo is voor 2012 de herberekende ammoniakemissies met 15 kton naar boven bijgesteld. De gerealiseerde emissie in 2014 is 134 kton. De overschrijding van het plafond betekent niet automatisch dat Nederland in gebreke wordt gesteld. Er is namelijk consensus in Europa dat landen niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor wijzigingen in de geregistreerde emissiecijfers die niet bekend waren bij het afspreken van de reductiedoelen.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland. Na herberekening van de ammoniakemissie in 2016 bedraagt de emissie voor zowel 2014 als 2015 128 Kton. Daarmee lijkt het (NEC-richtlijn)plafond voor de periode vanaf 2010 van 128 Kton binnen bereik te zijn. Aangezien er momenteel discussie is over de methodiek voor het vaststellen van de ammoniakemissies, kan op dit moment niet worden vastgesteld of het emissiedoel voor ammoniak voor 2010 ook daadwerkelijk is bereikt.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland. Het emissieplafond voor ammoniak is 128 kton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie voor 2016 is 127 kton. Op dit moment kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld of het emissiedoel voor ammoniak voor 2010 daadwerkelijk bereikt is. Nieuw onderzoek laat namelijk zien dat een aantal uitgangspunten voor de berekening van de gerealiseerde ammoniakemissies mogelijk moet worden aangepast (zoals de effectiviteit van luchtwassers en emissiefactoren van toedieningsemissies). Daardoor kan bij een herberekening van de historische emissies de emissiewaarde van 2016 veranderen.lees meer
NH3-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland.
De reductieverplichting voor ammoniak in 2020 is 13 % t.o.v. 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 139 kton (nieuw Gotenburg protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 127 kton en valt daarmee binnen het 2020 plafond. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 tov 2005). Hierdoor is bij een recente herberekening van historische emissiecijfers voor ammoniak het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland. In tegenstelling tot de absolute doelstelling voor 2010 zal vanaf 2020 een relatief doel voor de uitstoot van ammoniak van kracht zijn, in de vorm van een reductieverplichting. Zoals is vastgelegd in de herziene Europese NEC-richtlijn van december 2016, geldt van 2020 een reductieverplichting van 13% ten opzichte van 2005. Op basis van de gerapporteerde ammoniakemissie voor 2005 komt het doel voor de periode na 2020 uit op maximaal 135 Kton. De geraamde emissie van 117 Kton ligt bij vastgesteld beleid ruim onder het 2020-plafond.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland. De reductieverplichting voor ammoniak voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 13% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 133 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 115 Kton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een herberekening van historische emissiecijfers in 2016 het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.lees meer
NH3-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor ammoniak voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 21% ten opzichte van 2005. Dat komt overeen met een uitstoot van 121 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 107 kiloton. lees meer
Nitraat in het bovenste grondwater
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
"Zuidelijk zandgebied en lössregio zijn ook na 2013 nog een knelpunt."lees meer
"In het klei- en veengebied ligt in 2015 de gemiddelde nitraatconcentratie ruim onder de doelstelling van 50 mg nitraat per liter. In het zuidelijk zand- en lössgebied (Noord-Brabant en Limburg) ligt de gemiddelde nitraatconcentratie nog ruim boven het nitraatdoel, terwijl in het noordelijk en centraal zandgebied gemiddeld het doel wordt bereikt. Gemiddeld doelbereik in het zandgebied betekent overigens in de praktijk dat bijna de helft van de bedrijven niet aan de norm voldoet."lees meer
In het klei- en veengebied ligt in 2015 de gemiddelde nitraatconcentratie ruim onder de doelstelling van maximaal 50 mg nitraat per liter. In het zuidelijk zand- en lössgebied (Noord-Brabant en Limburg) ligt de ge-middelde nitraatconcentratie nog ruim boven het nitraatdoel, terwijl in het noordelijk en centraal zandgebied gemiddeld het doel wordt bereikt. Gemiddeld doelbereik in het zandgebied betekent overigens in de praktijk dat bijna de helft van de bedrijven niet aan de norm voldoet.lees meer
In het klei-, veen- en zandgebied voldoet het grondwater in 2015 onder landbouwgrond gemiddeld genomen aan de doelstelling van maximaal 50 milligram nitraat per liter. In het zuidelijk zand- en lössgebied (Noord-Brabant en Limburg) ligt de gemiddelde nitraatconcentratie nog ruim boven het nitraatdoel, terwijl in het noordelijk en centraal zandgebied gemiddeld het doel wordt bereikt. Gemiddeld doelbereik in het zandgebied betekent overigens in de praktijk dat de helft van de bedrijven niet aan de norm voldoet. lees meer
Gewasbeschermingmiddelen in oppervlaktewater
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Stoffen met een jaargemiddelde (JG) MKN-norm overschrijden op ongeveer 25% van de meetpunten de norm, zowel in 2010 als in 2012. Voor stoffen met een MTR-norm is dat 50%. De MTR-normen zullen op den duur vervangen worden door JG en MAC (maximale concentratie)-MKN-normen.lees meer
In 2014 werden op iets meer dan 60% van de meetlocaties van gewasbeschermingsmiddelen en biociden de (stofafhankelijke) normen overschreden. Op veel locaties wordt de norm door minder dan 5% van het totale aantal stoffen overschreden. Verbetering van de waterkwaliteit is daarom mogelijk door vooral de meest vervuilende stoffen aan te pakken.lees meer
In 2015 werden op iets meer dan 60% van de meetlocaties van gewasbeschermingsmiddelen en biociden de (stofafhankelijke) normen overschreden. Dat is hetzelfde aandeel als in 2014. Op veel locaties overschrijdt minder dan 10% van het totale aantal gemeten stoffen de norm. Verbetering van de waterkwaliteit is daarom mogelijk door vooral de meest vervuilende stoffen aan te pakken.lees meer
De milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen is door maatregelen rond het jaar 2000 gedaald. Het aandeel meetpunten met normoverschrijdingen schommelt de laatste jaren rond de 60 procent. Op veel locaties overschrijdt minder dan 10% van het totale aantal gemeten stoffen de norm. Verbetering van de waterkwaliteit is daarom mogelijk door vooral de meest vervuilende stoffen aan te pakken. lees meer
Duurzame stallen (2016)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
10% integraal duurzame stallen: doel 8% ruimschoots gehaald.lees meer
Met 13% integraal duurzame stallen begin 2016 is het doel van 12% gehaald.lees meer
Jaarlijks is in de begroting van Economische Zaken een streefwaarde voor het lopende jaar opgenomen. Voor begin 2017 is dit 14% en voor 2018 is dit 16%. Met 13,6% integraal duurzame stallen op 1 januari 2017 is het doel van 14% vrijwel gehaald.lees meer
Jaarlijks is in de begroting van Economische Zaken een streefwaarde voor duurzame stallen voor het lopende jaar opgenomen. Voor begin 2018 zijn de cijfers om de analyse uit tte voeren nog niet beschikbaar. Voor begin 2017 is het doel 14% en voor 2018 is dit 16%. Met 13,6% integraal duurzame stallen op 1 januari 2017 is het doel van 14% vrijwel gehaald.lees meer
Duurzamer vlees (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Consumptie 'duurzamer' geproduceerd vlees stijgt, maar huidige tempo van verbetering nog te laag om doel in 2023 te halen.lees meer
De ambitie van overheid en bedrijfsleven is dat in 2020 100% van de consumptie van varkensvlees en pluimveevlees ten minste voldoet aan een hoger niveau van dierenwelzijn. In 2014 zijn de bestedingen aan duurzaam vlees ten opzichte van 2013 gelijkgebleven. De bestedingen aan producten met een Beter Leven Keurmerk zijn in 2014 met 4% gestegen. Dit tempo is te laag om het doel in 2020 te bereiken.lees meer
De ambitie van overheid en bedrijfsleven is dat in 2020 100% van de consumptie van varkens- en pluimveevlees ten minste afkomstig is van dieren die voldoen aan een hoger niveau van welzijn. In 2015 zijn de beste-dingen aan duurzaam geproduceerd(e) vlees en vlees-waren ten opzichte van 2014 met 19% gestegen. De bestedingen aan producten met een Beter Leven-Keurmerk zijn in 2015 met 24% gestegen. Het markt-aandeel duurzaam geproduceerd vlees steeg daarmee van 11 naar 12%. In supermarkten is het aandeel duur-zaam geproduceerd varkensvlees de laatste jaren sterk gestegen, tot 47% in 2015, bij pluimveevlees is dit 18%. Deze cijfers laten een positieve ontwikkeling zien. Het blijft de vraag of deze ambitie in 2020 gehaald zal wor-den. Als deze ontwikkelingen doorzetten en als ook vlees van kippen met een hoger welzijnsniveau, maar zonder onafhankelijk keurmerk, zoals veel supermark-ten aanbieden (of op korte termijn aan gaan bieden) meetellen, dan zou het tempo voldoende kunnen zijn om deze ambitie in 2020 te bereiken.lees meer
In 2016 zijn bestedingen aan duurzaam voedsel - dat wil zeggen voedsel met een duurzaamheidskenmerk - in alle productgroepen gestegen naar 10%. In 2015 was dit aandeel 8% . De ambitie van overheid en bedrijfsleven is dat in 2020 100% van de consumptie van varkens- en pluimveevlees ten minste afkomstig is van dieren die met een hoger niveau van welzijn hebben geleefd. Het marktaandeel duurzaam geproduceerd vlees steeg van 12% in 2015 naar 23% in 2016. In supermarkten is het aandeel duurzaam geproduceerd varkensvlees de laatste jaren sterk gestegen, tot 62% in 2016, bij pluimveevlees is dit 19%. Het betreft hier vooral dierenwelzijn. De cijfers laten een positieve ontwikkeling zien, de ambitie voor 2020 kan worden gehaald.lees meer
Voedselverspilling (2015)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het rijksdoel is de voedselverspilling in 2015 met 20% te verminderen ten op zicht van 2009. Verspilling door consumenten, die het grootste aandeel hebben, neemt nog niet af.lees meer
Doel is de voedselverspilling in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009. In 2013 is de hoeveelheid verspild voedsel op het niveau van 2009. Aangezien het algemene beeld is dat er tussen 2009 en 2013 niet veel is veranderd in de hoeveelheid verspild voedsel, lijkt het doel van 20% reductie in 2015 buiten bereik.lees meer
Doel is de voedselverspilling in de voedselketen in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009. De voedselverspilling ligt in 2015 tussen de 105 en 152 kg (128,5) per persoon. Hoewel de voedselverspilling in 2015 circa 4% is gedaald ten opzichte van 2013, is het doel van 20% reductie ten opzichte van 2009 niet gehaald. Wel lijkt er een dalende trend te zijn in de hoeveelheid voedsel die in Nederland verspild wordt.lees meer
Doel is de voedselverspilling in de voedselketen in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009. In 2018 is SDG 12.3 expliciet in beleid opgenomen: in 2030 een halvering van de voedselverspilling ten opzichte van 2015. De voedselverspilling bedroeg in 2016 circa 125 kilogram per persoon. De hoeveelheid voedselverspilling is in de jaren 2009-2016 ongeveer gelijk gebleven; er kan geen stijgende of dalende trend worden waargenomen. Het doel van 20% reductie ten opzichte van 2009 is niet gehaald. Het doel van 2030 zal waarschijnlijk niet gehaald worden, aangezien er nog geen dalende trend zichtbaar is, terwijl de opgave groot is.lees meer
Voedselverspilling (2030)
  • Balans 2018
Doel is de voedselverspilling in de voedselketen in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009. In 2018 is SDG 12.3 expliciet in beleid opgenomen: in 2030 een halvering van de voedselverspilling ten opzichte van 2015. De voedselverspilling bedroeg in 2016 circa 125 kilogram per persoon. De hoeveelheid voedselverspilling is in de jaren 2009-2016 ongeveer gelijk gebleven; er kan geen stijgende of dalende trend worden waargenomen. Het doel van 20% reductie ten opzichte van 2009 is niet gehaald. Het doel van 2030 zal waarschijnlijk niet gehaald worden, aangezien er nog geen dalende trend zichtbaar is, terwijl de opgave groot is.lees meer
Antibioticagebruik veehouderij (2016)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het doel voor 2015 is een reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij met 70% ten opzichte van 2009. De verkoop van antibiotica voor veterinair gebruik is in 2014 met bijna 60% gedaald in vergelijking met 2009. De snelle daling sinds 2009 stokte in 2014, hetgeen het bereiken van 70% reductie in 2015 aanzienlijk bemoeilijkt.lees meer
Het doel voor 2015 is een reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij met 70% ten opzichte van 2009. De verkoop van antibiotica voor veterinair gebruik is in 2014 met bijna 60% gedaald in vergelijking met 2009. De snelle daling sinds 2009 stokte in 2014, hetgeen het bereiken van 70% reductie in 2015 een aanzienlijke opgave maakt.lees meer
Ten opzichte van 2009 is de verkoop van antibiotica voor de veehouderij in 2016 met 64% gedaald. Het beleidsdoel van 70% reductie van het gebruik ten op-zichte van 2009 is daarmee niet gehaald. Als de ingezette beleidsintensivering en de vertaling naar specifieke doelen voor de afzonderlijke veehouderijsectoren onverkort worden uitgevoerd, zal het einddoel van 70% reductie in 2020 waarschijnlijk worden gehaald. De overheid heeft de verantwoordelijkheid hiervoor bij de verschillende sectoren gelegd. De sectoren hebben in 2016 hiervoor reductieplannen gemaakt. Momenteel loopt onderzoek om de sectorspecifieke doelen vast te stellen.lees meer
Ten opzichte van 2009 is de verkoop van antibiotica voor de veehouderij in 2017 met 63% gedaald. Sinds 2012 is de snelle daling van de verkoop afgevlakt. Het beleidsdoel van 70% reductie van het gebruik ten opzichte van 2009 is niet gehaald. In 2016 is dit doel opgeschoven naar 2020. Als de ingezette beleidsintensivering en de vertaling naar specifieke doelen voor de afzonderlijke veehouderijsectoren onverkort worden uitgevoerd, is het einddoel van 70% reductie in 2020 binnen bereik. De overheid heeft de verantwoordelijkheid hiervoor bij de verschillende sectoren gelegd. In overleg met de sectoren zijn in 2017 maxima voor (aanvaardbaar) gebruik vastgesteld en zijn benchmarkwaarden aangescherpt. Gegeven deze aanscherpingen is de verwachting dat het gebruik na 2017 verder zal dalen.lees meer

Natuur

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Natuurnetwerk Nederland (2027)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
"Doelstelling Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) is recent herzien in het Natuurpact; het areaal NNN neemt toe."lees meer
Doelstelling Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) uit het Natuurpact is om tussen 2011 en 2027 80.000 ha natuur in te richten. Daarvan is tussen 2011 en 2014 ruim 25.000 ha ingericht. In de evaluatie van het Natuurpact analyseert het PBL de realisering van het NNN als een belangrijk onderdeel van het provinciale natuurbeleid. Hierover wordt begin 2017 gerapporteerd.lees meer
Met het beschermen en vergroten van ecosystemen en leefgebieden van soorten wordt gestreefd naar verbetering van de ruimtelijke en milieucondities die nodig zijn voor duurzaam behoud van biodiversiteit. Het Rijk en de provincies hebben in het Natuurpact afgesproken om in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) tussen 2011 en 2027 minimaal 80.000 ha nieuwe natuur te realiseren, waarvan de helft nog moet worden verworven, dan wel van functie veranderen. Tussen 2011 en 2015 is ruim 28.000 ha ingericht. Hoewel met de huidige provinciale plannen ruim in de gestelde opgave van 80.000 hectare is voorzien, is de verwachting dat verwerving en functiewijziging van gronden voor nieuwe natuur nog lastig zullen worden omdat de medewerking van grondeigenaren vaak ontbreekt.lees meer
Met het beschermen en vergroten van ecosystemen en leefgebieden van soorten wordt gestreefd naar verbetering van ruimtelijke en milieucondities die nodig is voor duurzaam behoud van biodiversiteit. Doelstelling is om in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) tussen 2011 en 2027 minimaal 80.000 hectare nieuwe natuur te realiseren, waarvan de helft in 2011 nog moet worden verworven, dan wel van functie moest veranderen. Tussen 2011 en 2017 is ruim 33.000 hectare ingericht en ruim 15.000 hectare verworven en van functie gewijzigd. Hoewel met de huidige provinciale plannen ruim in de gestelde opgave van 80.000 hectare is voorzien, is de verwachting dat verwerving en functiewijziging van gronden voor nieuwe natuur nog lastig zullen worden, onder andere vanwege de afhankelijkheid van medewerking van grondeigenaren.lees meer
Milieucondities natuur
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Milieudruk op natuur is afgenomen, maar blijft boven het niveau voor een duurzaam behoud van planten en dieren.lees meer
De milieudruk op natuur is sinds 1990 afgenomen, maar een verbetering in milieucondities uit zich nog niet in de vegetatie.lees meer
Het beleid streeft naar verbetering van bodem-, water- en luchtcondities om biodiversiteit te herstellen en te behouden. De milieudruk is sinds 1990 flink verminderd door de gedaalde uitstoot van vervuilende stoffen. Echter, de druk op natuur, zoals stikstofdepositie, is nog te hoog en belemmert een duurzaam voorkomen van veel soorten en ecosystemen. Een te hoge milieudruk heeft blijvende gevolgen voor lokale bodem- en watercondities en vegetatieontwikkelingen. Uit de aanwezige vegetatie in verschillende ecosystemen in de periode 1999-2016 blijkt dan ook dat de lokale milieucondities voor landnatuur gemiddeld genomen zijn verslechterd. Verbeteringen zijn er wel in minder gevoelige gebieden en in gebieden waar herstel- en inrichtingsmaatregelen zijn uitgevoerdlees meer
Er wordt gestreefd naar verbetering van bodem-, water-en luchtcondities om biodiversiteit te herstellen en te behouden. De milieudruk is sinds 1990 flink verminderd door de gedaalde uitstoot van vervuilende stoffen. Echter, de druk op natuur, zoals stikstofdepositie, is nog te hoog voor een duurzaam voorkomen van veel soorten en ecosystemen. Een te hoge milieudruk heeft gevolgen voor lokale bodem- en watercondities en vegetatieontwikkelingen. Uit de aanwezige vegetatie in verschillende ecosystemen in de periode 1999-2017 blijkt dan ook dat de milieucondities voor landnatuur gemiddeld genomen zijn verslechterd. Het effect van lokale verbetering in milieucondities, bijvoorbeeld in gebieden waar (herstel)inrichtingsmaatregelen zijn uitgevoerd, werken niet zichtbaar door in deze landelijke trends. lees meer
Rode Lijst van bedreigde soorten
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Er zijn minder soorten bedreigd en de bedreiging neemt gemiddeld genomen af.lees meer
Het beleid streeft ernaar dat de Rode Lijsten van bedreigde soorten korter en 'minder rood' worden. Na 2005 is het aantal soorten op de Rode Lijsten gemiddeld wat afgenomen, evenals de mate waarin ze worden bedreigd. De laatste jaren lijkt de afname niet door te zetten. lees meer
Het natuurbeleid heeft als doel dat de Rode Lijsten van bedreigde soorten korter en 'minder rood' worden. Na 2005 is het aantal soorten op de Rode Lijsten gemiddeld wat afgenomen, evenals de mate waarin ze worden bedreigd. Deze afname zet in de laatste jaren niet door. Nader onderzoek en monitoring zijn nodig om dit te bevestigen.lees meer
Het doel is dat de Rode Lijsten van bedreigde soorten korter en 'minder rood' worden. Ongeveer een derde van de Nederlandse dier- en plantensoorten is bedreigd. Tot 2005 nam het aantal bedreigde soorten licht toe. Na 2005 liep het aantal bedreigde soorten langzaam terug en daalde de mate van bedreiging licht. In de Balans van 2016 constateerden we dat deze ontwikkeling in lijn was met het doel, maar dat de afname in het aantal bedreigde soorten en de mate van bedreiging niet doorzette. De data uit 2017 wijzen uit dat het aantal bedreigde soorten en de mate van bedreiging zelfs wat zijn gestegen. Analyses in de komende jaren zullen moeten uitwijzen hoe de trend zich verder ontwikkelt. lees meer
Staat van instandhouding EU-soorten en habitattypen (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Van veel soorten en natuurlijke habitats van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn is de staat van instandhouding in Nederland ongunstig.lees meer
Het operationele doel voor 2020 is dat twee keer zoveel beschermde habitattypen en de helft meer van de soorten uit de Habitatrichtlijn ten minste een gunstige of verbeterde staat van instandhouding laten zien ten opzichte van 2010. Bijna alle habitattypen hebben een zeer tot matig ongunstige staat van instandhouding. Van de Habitatrichtlijnsoorten verkeert ongeveer een kwart in een gunstige staat van instandhouding.lees meer
Het langetermijndoel van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is een gunstige staat van instandhouding van soorten en habitattypen. Daarnaast is vanuit de Europese Biodiversiteitsstrategie de doelstelling voor de korte termijn (2020) dat de achteruitgang van soorten en habitattypen wordt gestopt en hun staat significant verbetert. Bijna alle habitattypen hebben een zeer tot matig ongunstige staat van instandhouding. Van de Habitatrichtlijnsoorten verkeert ongeveer een kwart in een gunstige staat van instandhouding.lees meer
Het langetermijndoel van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is een gunstige staat van instandhouding van soorten en habitattypen. Daarnaast is vanuit de Europese Biodiversiteitsstrategie de doelstelling voor de korte termijn (2020) dat de achteruitgang van soorten en habitattypen wordt gestopt en hun staat significant verbetert. Bijna alle habitattypen hebben een zeer tot matig ongunstige staat van instandhouding. Van de Habitatrichtlijnsoorten verkeert ongeveer een kwart in een gunstige staat van instandhouding.lees meer
Ecosysteemkwaliteit land en water
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Sinds 1994 is de gemiddelde kwaliteit van veel typen natuur achteruitgegaan. De laatste jaren neemt de mate van achteruitgang echter af.lees meer
De gemiddelde ecosysteemkwaliteit, in natuurgebieden op het land, lijkt de laatste jaren iets toe te nemen. In gebieden met een hoge ecosysteemkwaliteit treedt nog achteruitgang op.lees meer
De gemiddelde (ecosysteem)kwaliteit van natuurgebieden op het land, afgemeten aan het voorkomen van soorten neemt de laatste jaren iets toe. In gebieden met een hoge ecosysteemkwaliteit treedt nog achteruitgang op.lees meer
De jarenlange achteruitgang in kwaliteit van de Nederlandse zoetwater- en landnatuur is gemiddeld gekeerd, maar van bestendig herstel is nog geen sprake. De natuurkwaliteit van regionale oppervlaktewateren verbetert sinds 1990. Op land neemt de natuurkwaliteit de laatste jaren gemiddeld niet verder af, maar ook niet duidelijk toe. De huidige kwaliteit van water- en landecosystemen is relatief laag als die wordt afgezet tegen een maatlat van intacte natuur.lees meer
Ecologische barrières door aanleg nationale infrastructuur (2018)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Nog onduidelijkheid over de oplossing van knelpunten in voormalige Robuuste Verbindingen.lees meer
Begin 2016 waren 99 van de 215 in het Meerjarenprogramma Ontsnippering opgenomen knelpunten geheel opgelost en 51 gedeeltelijk opgelost. In 2015 is het aantal binnen het programma op te lossen knelpunten herzien en is het doel bijgesteld naar 178. In 2018 zijn naar verwachting 168 knelpunten opgelost. De herziene doelstelling is met de huidige planning net buiten bereik.lees meer
Het doel is de ruimtelijke samenhang tussen natuurgebieden te verbeteren en daarnaast lokale knelpunten in versnippering binnen gebieden als gevolg van rijksinfrastructuur op te lossen. Eind 2016 waren in totaal 107 van de 215 in het Meerjarenprogramma Ontsnippering op-genomen knelpunten geheel opgelost en 44 gedeeltelijk opgelost. In 2015 is het aantal binnen het program-ma op te lossen knelpunten herzien en is het doel bijge-steld naar 178. Eind 2018 zijn naar verwachting 159 knelpunten opgelost. De herziene doelstelling wordt niet tijdig gehaald (eind 2018), maar er is beleid ingezet om de resterende knelpunten na 2018 op te lossen.lees meer
Het streven is verbetering van de ruimtelijke samenhang tussen natuurgebieden en daarnaast het oplossen van lokale knelpunten door versnippering binnen gebieden als gevolg van rijksinfrastructuur. Eind 2017 waren er in totaal 114 van de 178 in het Meerjarenprogramma Ontsnippering opgenomen knelpunten geheel opgelost en 46 gedeeltelijk opgelost. Eind 2018 zijn naar verwachting 159 knelpunten opgelost. De herziene doelstelling wordt niet tijdig gehaald (eind 2018) maar beleid is ingezet om het merendeel van de resterende knelpunten na 2018 op te lossen.lees meer

Water

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Watertekort en zoetwaterbeschikbaarheid korte termijn (2021)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
"In normale én in droge jaren kunnen de meeste gebruikers van voldoende water worden voorzien."lees meer
Het beleid is erop gericht om, onder normale omstandigheden, zoveel mogelijk aan de behoeften van watergebruikers te voldoen. In normale en in droge jaren kunnen de meeste gebruikers van voldoende zoet water worden voorzien.lees meer
Het beleid is erop gericht om, onder normale omstandigheden, zoveel mogelijk aan de behoeften van watergebruikers te voldoen. In normale en in droge jaren kunnen de meeste gebruikers van voldoende zoet water worden voorzien.lees meer
Watertekort en zoetwaterbeschikbaarheid lange termijn (2050)
  • Balans 2016
  • Balans 2018
De beleidsopgave van het Deltaprogramma Zoetwater, zowel potentiele zoetwatertekorten als kosteneffectieve oplossingen na 2021, is nog niet vastgesteld.lees meer
De beleidsopgave van het Deltaprogramma Zoetwater, zowel wat betreft potentiële zoetwatertekorten als kosteneffectieve oplossingen na 2021, is nog niet vastgesteld.lees meer
Waterveiligheid preventie: toestand primaire waterkeringen (2050)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Het beschermingsniveau voor waterveiligheid is niet op het gewenste peil. In het Deltaprogramma wordt nieuw veiligheidsbeleid ontwikkeld.lees meer
In 2050 moeten alle primaire waterkeringen (laag 1) aan de (nieuwe)waterveiligheidsnormen voldoen. In 2013 voldeed 65% van de keringen en 55% van de kunstwerken aan de huidige normen. Of het beleid tot het halen van het doel leidt, is afhankelijk van de beschikbare financiele middelen, efficiency en doorlooptijd van dijkverbetering.lees meer
In 2050 moeten alle primaire waterkeringen (laag 1) aan de (nieuwe)waterveiligheidsnormen voldoen. In 2013 voldeed 65% van de keringen en 55% van de kunstwerken aan de huidige normen. Of het beleid tot het halen van het doel leidt, is afhankelijk van de beschikbare financiële middelen, efficiency en doorlooptijd van dijkverbetering.lees meer
Waterveiligheid gevolgbeperking (2050)
  • Balans 2016
  • Balans 2018
De onderdelen ruimtelijke inrichting (laag 2) en rampenbeheersing (laag 3) van het waterveiligheidsbeleid zijn nog in ontwikkeling. De beleidsopgave is nog niet bekend.lees meer
De onderdelen ruimtelijke inrichting (laag 2) en rampenbeheersing (laag 3) van het waterveiligheidsbeleid zijn nog in ontwikkeling. De beleidsopgave is nog niet bekend.lees meer
Ruimtelijke adaptatie (2050)
  • Balans 2016
  • Balans 2018
De deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie beoogt dat Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten samen zorgen dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en robuust is ingericht. Uiterlijk in 2020 moet hiervoor beleid zijn ontwikkeld en geïmplementeerd. Gemeenten, waterschappen en provincies zijn relatief ver met de thema's overstromingsrisico's en wateroverlast, iets minder ver met droogte en het minst ver met de thema's hittestress en vitale en kwetsbare functies.lees meer
De deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie beoogt dat de Rijksoverheid, provincies, waterschappen en gemeenten samen zorgen dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en robuust is ingericht. Uiterlijk in 2020 moet hiervoor beleid zijn ontwikkeld en geïmplementeerd. Gemeenten, waterschappen en provincies zijn relatief ver met de thema's overstromingsrisico's en wateroverlast, iets minder ver met droogte en het minst ver met de thema's hittestress en vitale en kwetsbare functies.lees meer
Nationale Adaptatiestrategie (2050)
  • Balans 2018
De Nationale Adaptatiestrategie (NAS) is gericht op sectoren, thema's en klimaatrisico's die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie zijn opgenomen. Net als bij het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie zijn de regio's (overheden en sectoren) primair aan zet om het opgestelde Uitvoeringsprogramma NAS uit te werken. Indicatoren zijn nog niet vastgesteld. lees meer
Kwaliteit oppervlaktewater Europese Kaderrichtlijn Water (2027)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Het aantal oppervlaktewateren dat in 2027 aan alle KRW-doelen voldoet ligt tussen de 5 en 40%.lees meer
De kwaliteit van de oppervlaktewateren is de laatste decennia sterk verbeterd. Naar verwachting worden in 2027 in 15% van de regionale wateren en 55% van de rijkswateren alle biologische doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water volledig gehaald. Op veel onderliggende parameters is een verbetering te zien. In de nieuwe deltaaanpak Waterkwaliteit en Zoetwater wordt de noodzaak van en bereidheid voor extra inspanning door de stakeholders onderschreven. Dit biedt ruimte om de benodigde aanvullende stappen te zetten.lees meer
De chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren is in de laatste decennia sterk verbeterd. Naar verwachting worden in 2027 in 15% van de regionale wateren en 55% van de rijkswateren alle biologische doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water volledig gehaald. De Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater en de Omgevingswet bieden meer ruimte voor de regionale afwegingen die nodig zijn voor een effectieve invulling van het waterkwaliteitsbeleid. Ook bieden deze beleidstrajecten mogelijkheden voor het beter op elkaar afstemmen van verantwoordelijkheden en sturingsmogelijkheden van regionale overheden. lees meer
Kwaliteit grondwater Europese Kaderrichtlijn Water (2027)
  • Balans 2016
  • Balans 2018
De algemene KRW-beoordeling voor grondwater is in 2015 overwegend goed. Regionaal blijven er problemen; voor 2021 is geraamd dat 50% van de grondwaterlichamen ontoereikend is voor terrestrische natuur en 15% voor drinkwaterwinning. Ondanks de verbetering in het zuidelijk loss- en zandgebied zal daar ook in 2027 de norm van 50 milligram nitraat per liter nog worden overschreden.lees meer
De algemene KRW-beoordeling voor grondwater is in 2015 overwegend goed. Regionaal blijven er problemen; raming is dat in 2021 50% van de grondwaterlichamen ontoereikend is voor terrestrische natuur en 15% voor drinkwaterwinning. Ondanks de verbetering in het zuidelijk löss- en zandgebied zal daar ook in 2027 de norm van 50 milligram nitraat per liter nog worden overschreden.lees meer
Zwemwaterkwaliteit (vanaf 2015)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Doel 2015 'alle locaties hebben aanvaardbaar kwaliteitsniveau' dicht genaderd, maar geen duidelijke verbetering meer in de laatste jaren.lees meer
Vanaf 2015 moeten alle zwemwaterlocaties ten minste tot de klasse aanvaardbaar behoren volgens de EU-Zwemwaterrichtlijn. In 2015 voldeed circa 93% van de binnenwateren en circa 97% van de kustwateren aan deze eis. De laatste jaren is er geen duidelijke verbetering meer in het kwaliteitsniveau.lees meer
Vanaf 2015 moeten alle zwemwaterlocaties ten minste tot de klasse aanvaardbaar behoren volgens de EU-Zwemwaterrichtlijn. In 2016 voldeed circa 94% van de binnenwateren en circa 97% van de kustwateren aan deze eis. De laatste jaren is er geen duidelijke verbete-ring meer in het kwaliteitsniveau.lees meer
Vanaf 2015 moeten alle zwemwaterlocaties ten minste tot de klasse aanvaardbaar behoren volgens de EU-Zwemwaterrichtlijn. In 2017 voldeed circa 95% van de binnenwateren en circa 97% van de kustwateren aan deze eis. De laatste jaren is er geen duidelijke verbetering meer in het kwaliteitsniveau. lees meer

Gezonde leefomgeving

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Onderstaande doelen uit het thema Gezonde leefomgeving verwijzen naar webpagina’s uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2018.

Lokale luchtkwaliteit PM10-blootstelling (vanaf 2011)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Data niet tijdig beschikbaar.lees meer
"De normen voor de PM10-concentratie (jaargemiddeld maximaal 40 µg/m3 en daggemiddeld maximaal 50 µg/m3, met maximaal 35 overschrijdingsdagen) werden in 2014 langs 7 km weg overschreden. Voor 2015 is een overschrijding langs 10 km geraamd. Overschrijdingen door een verhoogde achtergrondconcentratie komen vooral voor in gebieden met veel pluimveestallen in Gelderland en Noord-Limburg, en in mindere mate nabij hoogovens. Ook nabij veehouderijbedrijven werd in 2014 in 19 gemeenten, voornamelijk in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, niet aan de PM10-normen voldaan."lees meer
De normen voor de fijnstofconcentratie (PM10) werden in 2016 langs ruim 2 kilometer weg overschreden. Dat is aanzienlijk minder dan in 2014 (7 kilometer weg). Bovendien is er ook alleen op enkele plaatsen langs lokale wegen nog maar een overschrijding van de norm. Overschrijdingen door een verhoogde achtergrondconcentratie komen vooral voor in gebieden met veel pluimveestallen in Gelderland en Noord-Limburg, en in mindere mate nabij hoogovens. lees meer
Lokale luchtkwaliteit PM2,5-blootstelling (2015)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
"Voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie geldt vanaf 2015 een grenswaarde van 25 µg/m3 en voor 2020 een 'indicatieve grenswaarde' van 20 µg/m3. Deze normen zijn in 2013 ruimschoots gehaald, met gemiddelde PM2,5-achtergrondconcentraties van rond de 13 µg/m3 en in stedelijke en verkeersbelaste gebieden rond de 14 µg/m3."lees meer
Voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie geldt vanaf 2015 een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter en voor 2020 een 'indicatieve grenswaarde' van 20 microgram. Deze normen zijn sinds 2013 ruimschoots gehaald. In de gemiddelde PM2,5-achtergrondconcentraties is sinds 2009 een langzame daling waarneembaar. Die liggen rond de 10 microgram per kubieke meter, de advieswaarde van de WHO.lees meer
Lokale luchtkwaliteit NO2 blootstelling (2015)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
"Nog 50 km rijksweg voldoet niet aan de norm; sterke verbetering sinds 2000."lees meer
"Door beeindiging van de derogatie daalt de norm voor stikstofdioxide (NO2) per 1-1-2015 van 60 naar 40 µg/m3 (jaargemiddeld). In 2014 voldeed 30 km wegen, waarvan 1 km rijksweg, niet aan de norm van 40 µg NO2/m3. Voor 2015 is een verdere daling tot 12,5 km wegen geraamd."lees meer
In 2016 is de grenswaarde voor stikstofdioxide overschreden langs ongeveer 7 kilometer weg (snelweg minder dan 1 kilometer en ruim 6 kilometer overige wegen). Dat is een afname ten opzichte van 2014 (30 kilometer weglengte). lees meer
Geluidproductie wegverkeer (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Data niet tijdig beschikbaar.lees meer
Actualisatie indicator na update geluidsbelastingkaarten in 2017.lees meer
Deze analyse wordt niet meer uitgevoerd.lees meer
Knelpunten geluid rijkswegen (vanaf 2012)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Data niet tijdig beschikbaar.lees meer
Sinds 2012 wordt gewerkt met geluidsproductie-plafonds voor rijvakken van rijkswegen. In 2014 werd het plafond langs 83,3 km snelweg (1,4%) overschreden, 2,2 keer zoveel als in 2013.lees meer
Sinds 2012 wordt gewerkt met geluidsproductieplafonds voor rijvakken van rijkswegen. In 2015 en 2016 werd het plafond op 2,6% van de referentiepunten van rijkswegen overschreden. Dat is een verhoging ten opzichte van 2013 en 2014. Uit de cijfers blijkt ook het oplopen van het aantal dreigende plafondoverschrijdingen.lees meer
Geluidproductie railverkeer (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Data niet tijdig beschikbaar.lees meer
Actualisatie indicator na update geluidsbelastingkaarten in 2017.lees meer
Deze analyse wordt niet meer uitgevoerdlees meer
Knelpunten geluid spoorwegen (vanaf 2012)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Data niet tijdig beschikbaar.lees meer
Sinds 2012 wordt gewerkt met geluidsproductie-plafonds voor rijvakken van spoorwegen. In 2014 werd het plafond langs 37 km spoor (0,6%) overschreden, in 2013 was dat langs 31 km spoor. Het aantal dreigende overschrijdingen halveerde tussen 2013 en 2014 tot 44 km.lees meer
Sinds 2012 wordt gewerkt met geluidsproductieplafonds voor rijvakken van spoorwegen. Bij spoorwegen wordt het plafond op 0,9% van de referentiepunten overschreden. Dat is een lichte verhoging ten opzichte van 2013 en 2014. Uit de cijfers blijkt ook een duidelijke afname van de dreigende overschrijdingen.lees meer
Geluidsbelasting Schiphol (vanaf 2009)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Grenswaarden voor geluidbelasting op handhavingspunten sinds 2009 niet meer overschreden.lees meer
De grenswaarde voor geluidsbelasting op handhavingspunten rond Schiphol werd in 2012 tweemaal en in 2014 eenmaal overschreden.lees meer
In 2014, 2015 en 2016 zijn grenswaarden voor geluidsbelasting op handhavingspunten rond Schiphol overschreden. Deze overschrijdingen zijn veroorzaakt door preferent vliegen volgens de regels van het nieuwe normen- en handhavingsstelsel van Schiphol, dat nog van kracht moet worden. Anticiperend daarop treedt de Inspectie bij deze overschrijdingen niet handhavend op.lees meer
Veiligheidsrisico Schiphol (vanaf 2004)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Op basis van veiligheidsnorm Totaal Risico Gewicht.lees meer
Het totale risicogewicht (TRG) van het luchtverkeer op Schiphol mag per jaar niet meer dan 9,724 ton bedragen. Sinds 2004 is deze grenswaarde geen enkel jaar overschreden. Wel neemt het TRG jaarlijks toe. In 2004 lag het TRG bijna 40% onder de grenswaarde; in 2014 was deze marge gekrompen tot 27% (bij een TRG van 7,100 ton).lees meer
Het totale risicogewicht (TRG) van het luchtverkeer op Schiphol mag per jaar niet meer dan 9,7 ton bedragen. Sinds 2004 is deze grenswaarde geen enkel jaar overschreden. Wel neemt het TRG jaarlijks toe. In 2004 lag het TRG bijna 40% onder de grenswaarde; in 2016 was deze marge gekrompen tot 20% (bij een TRG van 7,8 ton).lees meer

Mobiliteit

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

De doelen Trajecten met gewenste reistijd in spits, Nabijheid van wonen en werken, Verkeersveiligheid en Uitstoot luchtverontreinigende stoffen wegverkeer verwijzen naar webpagina’s uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2016.

Trajecten met gewenste reistijd in spits (vanaf 2000)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
"Reistijdverlies door files onder het niveau van 2000; op 94% van het hoofdwegennet wordt aan norm voldaan."lees meer
Op 186 trajecten van autosnelwegen is, sinds 2000, een streefwaarde voor de snelheid in de spits gedefinieerd. Op stedelijke ringwegen is dit 50 km/uur, op verbindingssnelwegen 66 km/uur. In 2015 kon men op 87% van de trajecten de gewenste snelheid halen.lees meer
Het aantal trajecten met acceptabele reistijden was met 91% in 2017 hoger dan in 2000. Een grote toename in één jaar ten opzichte van de 83% in 2016. Het totale reistijdverlies blijft overigens stijgen, in 2017 met 43% ten opzichte van 2000. lees meer
Nabijheid van wonen en werken (vanaf 1996)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
De nabijheid is ongeveer gelijk gebleven, omdat de grootste groei van arbeidsplaatsen en bevolking heeft plaatsgevonden in de steden.lees meer
De nabijheid is tussen 1996 en 2015 met 2,5% toegenomen omdat de grootste groei van arbeidsplaatsen en bevolking heeft plaatsgevonden in de steden.lees meer
De nabijheid van wonen en werken is in de periode 1996- 2016 toegenomen met ongeveer 4%. De laatste jaren draagt vooral de sterke groei van de bevolking binnen de Randstad en binnen steden hieraan bij. In de SVIR is geen doel vastgesteld. lees meer
Verkeersveiligheid (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Aantal verkeersdoden sterk afgenomen, maar doel voor ernstig gewonden buiten bereik.lees meer
In 2015 is het aantal verkeersdoden opgelopen tot 621. Het doel van maximaal 500 verkeersdoden in 2020 komt daarmee verder buiten bereik. Het streven van maximaal 10.600 ernstig verkeersgewonden in 2020 blijft met 20.700 gewonden in 2014 nog buiten bereik.lees meer
Met 21.400 verkeersgewonden in 2016 blijft het doel van maximaal 10.600 ernstig verkeersgewonden in 2020 buiten bereik. In 2016 vielen er 629 doden in het verkeer, een toename van 1,3% ten opzichte van 2015, en dat is nog 26% meer dan het doel van maximaal 500 verkeersdoden in 2020. Dat doel zou met intensivering van het beleid mogelijk kunnen worden behaald. lees meer
Uitstoot luchtverontreinigende stoffen wegverkeer (vanaf 1990)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Dankzij maatregelen zijn de emissies van fijn stof en stikstofoxiden gedaald bij een toegenomen aantal kilometers dat voertuigen afleggen.lees meer
Emissies van stikstofoxiden (NOx) en fijnstof (PM10) door wegverkeer zijn tussen 1990 en 2014 gedaald met 58% (NOx) en 60% (PM10). Ondanks dat in 2014 het aantal voertuigkilometers 33% hoger is dan in 1990.lees meer
De emissies van stikstofoxiden (NOx) en fijnstof door het wegverkeer zijn sinds 1990 jaarlijks gedaald en zijn in 2016 meer dan 70% lager dan in 1990. Dit ondanks dat in 2016 het aantal voertuigkilometers 36% hoger is dan in 1990. lees meer
CO2 uitstoot transportsector, EU-richtlijn (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
"Volgens de NEV 2014 (ECN/PBL, 2014; p.93) nemen de CO2 emissies van verkeer en vervoer met 30 tot 37 Mton af tot 2020; boven het doel van 25 Mton."lees meer
De streefwaarde voor de CO2-uitstoot uit de transportsector bedraagt 35,5 Mton in 2020. In 2014 was de emissie 33,9 Mton. Uitgaande van het (voorgenomen) beleid is dit doel met een geraamde emissie van 34,6 Mton CO2-equivalenten binnen bereik.lees meer
De streefwaarde voor de CO2-uitstoot van de transportsector bedraagt maximaal 35,5 Mton in 2020. In 2015 was de emissie 34,5 Mton. Uitgaande van het voorgenomen beleid is dit doel met een geraamde emissie van 33,1 Mton CO2 binnen bereik.lees meer
In 2016 was de CO2-emissie 34,7 megaton, en uitgaande van het voorgenomen beleid is de geraamde emissie 32,4 megaton in 2020. De streefwaarde voor de CO2-uitstoot van de sector verkeer en vervoer in 2020 van 35,5 megaton is binnen bereik. lees meer
CO2 uitstoot transportsector, Energieakkoord (2030)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het doel uit het Energieakkoord voor de CO2-uitstoot uit de transportsector bedraagt 25 Mton in 2030. In 2014 was de emissie 33,9 Mton. Uitgaande van het (voorgenomen) beleid blijft dit doel met een geraamde emissie van 32,7 Mton CO2 in 2030 buiten bereik.lees meer
Het doel uit het Energieakkoord voor de CO2-uitstoot van de transportsector bedraagt 25 Mton in 2030. In 2015 was de emissie 34,5 Mton. Uitgaande van het voorgenomen beleid blijft dit doel met een geraamde emissie van 31,5 Mton CO2 in 2030 buiten bereik.lees meer
Uitgaande van het voorgenomen beleid wordt de CO2- emissie in 2030 geraamd op 31,9 megaton. Daarmee blijft het doel uit het Energieakkoord van 25,0 megaton in 2030 buiten bereik. lees meer
Energiebesparing mobiliteit (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Door de combinatie van de reeds vastgestelde en de voorgenomen maatregelen uit het Energieakkoord ligt het energiegebruik door de transportsector in 2020 circa 14 PJ lager dan zonder deze maatregelen het geval was geweest. Hiermee is de besparingsdoelstelling voor mobiliteit uit het Energieakkoord van 15 tot 20 PJ binnen bereik, maar onzeker.lees meer
De vastgestelde en voorgenomen afspraken uit het Energieakkoord voor de transportsector leiden in 2020 tot een energiebesparing van circa 19 PJ. Hiermee wordt de besparingsdoelstelling voor mobiliteit uit het Ener-gieakkoord van 15 tot 20 PJ waarschijnlijk gehaald.lees meer
De afspraken uit het Energieakkoord voor de sector verkeer en vervoer leiden in 2020 tot een energiebesparing van circa 19 petajoule. Hiermee wordt de besparingsdoelstelling uit het Energieakkoord van 15- 20 petajoule waarschijnlijk gehaald.lees meer

Ruimtelijke economie

Er zijn geen doelbereikindicatoren voor het thema Ruimtelijke Economie.

Wonen

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Beschikbaarheid woningen
  • Balans 2016
In stedelijke regio's neemt het woningtekort in de laatste jaren toe. Dit komt tot uiting in de weer snel stijgende woningprijzen, vooral in en rond Amsterdam en Utrecht. Ook de wachttijden voor huurwoningen zijn fors en in de laatste jaren weer toegenomen, met name in de Noordvleugel van de Randstad.lees meer
Betaalbaarheid wonen
  • Balans 2016
In 2015 had 18% van de huurders en 3% van de huiseigenaren een betaalrisico. Het aantal huurders met een betaalrisico is in de afgelopen jaren verder opgelopen. Daarnaast is het aandeel eigenaren-bewoners met een potentiele restschuld in 2015 circa 1 miljoen (bijna 28%). Ondanks de, sinds medio 2013, stijgende woningprijzen duurt het nog jaren voordat alle huidige 'onder water staande' koopwoningen weer 'boven water staan'. Die prijsontwikkeling verschilt overigens per regio.lees meer
Kwaliteit woningvoorraad (energetische kwaliteit)
  • Balans 2016
De bouwkundige kwaliteit van de woningvoorraad is goed te noemen, de tevredenheid onder bewoners over hun woning is hoog. Wel ligt er voor de grote voorraad huurwoningen gebouwd in 1945-1990 een woningverbeteringsopgave, vooral voor het energieverbruik. Het aandeel huurwoningen met minimaal een B-label is tussen 2011 en 2014 toegenomen van 14% naar 24%, maar afspraken over het energiezuiniger maken zijn vertraagd.lees meer

Circulaire economie

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Er zijn voor circulaire economie alleen kwantitatieve beleidsdoelen voor afval. In 2014 zijn diverse afvaldoelen aangepast en zijn nieuwe doelen voor afval geformuleerd.

Halvering primaire abiotische grondstoffen (2030)
  • Balans 2018
Dit is een nieuw doel uit het Rijksbrede programma Circulaire Economie. Op dit moment kan nog niet worden beoordeeld of dit doel wordt gehaald.lees meer
Afvalaanbod (2021 en 2029)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Afvalproductie afgelopen jaren redelijk stabiel onder afvalaanbod-plafond.lees meer
De afvalproductie bevindt zich met 60 Mton in 2014 ruim onder het plafond van 68 Mton in 2015 en 74 Mton in 2021.lees meer
De afvalproductie bevindt zich met 60 megaton in 2014 onder het plafond van 61 megaton in 2021 en 63 megaton in 2029. Het doel is in LAP3 aangescherpt ten opzichte van LAP2 (BLO2016).lees meer
Nuttige toepassing van afval (2015)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Doel in 2010 gehaald.lees meer
Het doel voor 2015 is 95% nuttige toepassing van het totaal aan afvalstoffen. In 2014 bedraagt het aandeel nuttige toepassing 93% en daarmee komt het doel binnen bereik.lees meer
Het doel voor 2015 is 95% nuttige toepassing van het totaal aan afvalstoffen. In 2014 bedraagt het aandeel nuttige toepassingen 93% en daarmee komt het doel binnen bereik.lees meer
Hergebruik en recycling van afval (2023)
  • Balans 2018
Of het doel van 85% voorbereiding voor hergebruik en recycling van het totaal aan afvalstoffen in 2023 wordt gehaald is nog onzeker. Het aandeel in 2014 bedraagt 77%. Deze doelstelling komt in plaats van doelstelling van nuttige toepassing.lees meer
Reduceren hoeveelheid huishoudelijk restafval (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Doel is om de hoeveelheid huishoudelijk restafval in 2020 terug te brengen tot 100 kilo per persoon per jaar. Dit doel wordt naar verwachting niet gehaald. In 2015 lag de hoeveelheid huishoudelijk restafval op 230 kilogram per inwoner.lees meer
Het doel is om de hoeveelheid huishoudelijk restafval in 2020 terug te brengen tot 100 kg per persoon per jaar. Dit doel wordt naar verwachting niet gehaald. In 2016 bedraagt het huishoudelijk restafval 230 kg per inwoner.lees meer
Doel is om de hoeveelheid huishoudelijk restafval in 2020 terug te brengen tot 100 kilo per persoon per jaar. Dit doel wordt naar verwachting niet gehaald. In 2016 lag de hoeveelheid huishoudelijk restafval op 210 kilogram per inwoner.lees meer
Scheiding van huishoudelijk afval (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Doel is om 75% van het huishoudelijk afval te scheiden in 2020. In 2015 bedraagt de scheiding aan de bron bij huishoudens 53%. Om het doel te realiseren is de komende jaren een stijging van ongeveer 40 procentpunten ten opzichte van het huidige scheidingspercentage nodig. Dit doel wordt naar verwachting niet gehaald omdat de instrumentering nog onvoldoende aansluit.lees meer
In 2020 moet 75% van het huishoudelijk afval gescheiden zijn. In 2016 bedraagt de scheiding aan de bron bij huishoudens 54%. Om het doel te realiseren, is de komende jaren een stijging van ongeveer 40 procentpunten ten opzichte van het huidige schei-dingspercentage nodig. Dit doel wordt naar verwachting niet gehaald, omdat de instrumentering nog onvoldoende aansluit.lees meer
Doel is om 75% van het huishoudelijk afval te scheiden in 2020. In 2016 bedraagt de scheiding aan de bron bij huishoudens 55%. Dit doel wordt naar verwachting niet gehaald, omdat de instrumentering nog onvoldoende aansluit om in vier jaar tot 75% te komen.lees meer
Verbranden en storten van Nederlands afval (2022)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2018
Doel voor storten van brandbaar afval wordt waarschijnlijk gehaald. Totale hoeveelheid gestort afval neemt echter fors toe in 2012.lees meer
Het doel om de hoeveelheid te verbranden en storten Nederlands afval te halveren in 10 jaar wordt naar verwachting niet gehaald. De hoeveelheid Nederlands verbrand en gestort afval is tussen 2012 en 2014 met circa 15% afgenomen. Er is 0,5 Mton minder afval verbrand en ongeveer 1 Mton minder gestort. De hoeveelheid gestort afval in 2014 ligt weer rond het niveau van 2010. De piek in 2012 komt door het afschaffen van de belasting op storten per 1 januari 2012.lees meer
Het doel om de hoeveelheid te verbranden en storten Nederlands afval in tien jaar te halveren, wordt naar verwachting niet gehaald. Die hoeveelheid is tussen 2012 en 2016 met 8% afgenomen. Er is 0,5 megaton minder afval verbrand en 0,3 megaton afval minder gestort.lees meer
Voedselverspilling (2030)
  • Balans 2018
Doel is de voedselverspilling in de voedselketen in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009. In 2018 is SDG 12.3 expliciet in beleid opgenomen: in 2030 een halvering van de voedselverspilling ten opzichte van 2015. De voedselverspilling bedroeg in 2016 circa 125 kilogram per persoon. De hoeveelheid voedselverspilling is in de jaren 2009-2016 ongeveer gelijk gebleven; er kan geen stijgende of dalende trend worden waargenomen. Het doel van 20% reductie ten opzichte van 2009 is niet gehaald. Het doel van 2030 zal waarschijnlijk niet gehaald worden, aangezien er nog geen dalende trend zichtbaar is, terwijl de opgave groot is.lees meer