Balans van de Leefomgeving

Energie, klimaat en lucht

Hoofdpunten

  • Klimaatadaptatie

    Doelbereik

    Het is nog te vroeg om te beoordelen of het gevoerde beleid voor klimaatadaptatie voldoende effectief is om de beleidsopgaven te realiseren. De beleidsopgaven zijn gebaseerd op de verwachtingen van (de gevolgen van) klimaatverandering. In de toekomst zal blijken in hoeverre de feitelijke ontwikkelingen daarvan afwijken en het beleid moet worden bijgestuurd. Duidelijk is dat daarvoor nu al een kennisbasis voor monitoring en evaluatie moet worden ingericht.

    De opgave van het waterveiligheidsbeleid is aanzienlijk en de ambities zijn hoog: de helft (circa 1900 kilometer) van alle primaire dijken in Nederland moet voor 2050 worden verbeterd. De ambitie van de waterschappen en de Rijksoverheid is om de dijkverbetering twee keer zo snel uit te voeren als in het verleden en 30 tot 40 procent goedkoper (per kilometer). Daarnaast is het de ambitie om zoveel mogelijk aan te sluiten bij andere projecten. Dit betekent: in een interactief proces met andere partijen tot integrale projecten komen, waarin bijvoorbeeld ook ruimtelijke ontwikkelingen en natuurwaarden worden meegenomen. Maar door een snellere uitvoering kan de ambitie om aan te haken bij die andere projecten onder druk komen te staan.

    Kansen en knelpunten voor klimaatadaptatie verkennen

    Met klimaatadaptatie kan worden aangehaakt bij andere beleidsopgaven. De komende decennia wordt namelijk fors geïnvesteerd in nieuwbouw, herstructurering en nieuwe infrastructuur. Door daarbij rekening te houden met de gevolgen van klimaat- verandering, zoals een toename van extreme neerslag en hitte, kunnen desinvesteringen worden voorkomen. Daarvoor is het gewenst de kansen en knelpunten voor klimaatadaptatie in zowel het bebouwde als landelijke gebied verder te verkennen.

    Governance

    Gemeenten, waterschappen en provincies zijn aan zet om concrete doelen te formuleren voor klimaatadaptatie, beleidsopgaven uit te werken en maatregelen te nemen, in samenwerking met bedrijven en particulieren. De betrokkenheid van zoveel actoren maakt de organisatie van klimaatadaptatie complex. Bezien moet worden waar dwingende regelgeving (bouwvoorschriften, inrichting openbare ruimte) of specifieke richtlijnen gewenst zijn om klimaatadaptatie te ondersteunen.

  • Klimaatmitigatie

    Doelbereik

    Met het Regeerakkoord heeft het kabinet een aanzet gegeven voor een transitiebeleid dat kan bijdragen aan de realisatie van de klimaatdoelen die zijn afgesproken in het akkoord van Parijs. Het transitiebeleid is echter nog onvoldoende krachtig; de eerste hoofdlijnen van het klimaat- en energieakkoord zijn onvoldoende concreet en de uitwerking in beleidsinstrumenten moet nog vorm krijgen. De beleidsondersteuning voor technieken die in 2050 de kern van het duurzame energiesysteem moeten vormen, heeft het afgelopen decennium geleid tot de introductie van windparken op zee, elektrische auto’s, elektrische warmtepompen en een verdere toename van
    PV-panelen en energiezuinigere apparaten en processen. Maar er zijn krachtiger impulsen nodig om de implementatie van dit soort technieken te versnellen voor een geleidelijke, maar ook voortvarende transitie. Voor andere technieken zoals de productie van groene brandstoffen, elektrificatie binnen de industrie en afvang en opslag van CO₂ moet het transitieproces nog op gang komen.

    Infrastructuur

    Met het Regeerakkoord heeft het kabinet een aanzet gegeven voor een transitiebeleid dat kan bijdragen aan de realisatie van de klimaatdoelen die zijn afgesproken in het akkoord van Parijs. Het transitiebeleid is echter nog onvoldoende krachtig; de eerste hoofdlijnen van het klimaat- en energieakkoord zijn onvoldoende concreet en de uitwerking in beleidsinstrumenten moet nog vorm krijgen. De beleidsondersteuning voor technieken die in 2050 de kern van het duurzame energiesysteem moeten vormen, heeft het afgelopen decennium geleid tot de introductie van windparken op zee, elektrische auto’s, elektrische warmtepompen en een verdere toename van
    PV-panelen en energiezuinigere apparaten en processen. Maar er zijn krachtiger impulsen nodig om de implementatie van dit soort technieken te versnellen voor een geleidelijke, maar ook voortvarende transitie. Voor andere technieken zoals de productie van groene brandstoffen, elektrificatie binnen de industrie en afvang en opslag van CO₂ moet het transitieproces nog op gang komen.

    Invloed buiten Nederland

    De Nederlandse beleidsaandacht gaat vooral uit naar vermindering van de broeikasgasemissies binnen de Nederlandse grenzen. Echter, er is aanvullend veel extra klimaatwinst te behalen buiten de grenzen, waarbij beleidsaangrijpingspunten liggen bij het consumptiegedrag van Nederlanders of bij Nederlandse bedrijven die eindproducten op de markt brengen. Het verminderen van de inzet van dierlijke eiwitten, stimuleren tot circulaire productieketens en minder gebruik maken van de luchtvaart zijn hiervan belangrijke voorbeelden.

Lees verder

Evaluatie van het klimaat, energie en luchtbeleid

Het PBL heeft geëvalueerd wat de effecten zijn van het beleid voor energie, klimaat en lucht. In hoeverre zijn bijvoorbeeld de beleidsdoelen gehaald voor de uitstoot van broeikasgassen? En hoe staat het met de voorgenomen energiebesparing? Kan de overheid nog meer doen om de beleidsdoelen te halen? Onderstaande stoplichten geven een bondig overzicht van de mate waarin doelen naar verwachting tijdig worden gehaald. Een uitgebreidere analyse vindt u door te klikken op de link “lees meer”.

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Energie en klimaat

Voor ‘energie en klimaat’ zijn het doelbereik en de toelichting in deze Balans afgeleid van het voorgenomen beleid in de Nationale Energieverkenning (NEV) van 2017. De eerstvolgende NEV, met daarin naar verwachting het nieuwe Klimaatakkoordbeleid voor 2030, zal pas in de loop van 2019 verschijnen. Begin 2019 brengt het PBL naar verwachting een notitie uit over de voortgang van het Energieakkoord wat betreft de hoofddoelen voor energiebesparing (2020) en voor hernieuwbare energie (2020 en 2023). Ook wordt de broeikasgasraming voor 2020 opnieuw doorgerekend in verband met het doel voor 2020 uit de Urgenda-rechtszaak. Begin 2019 publiceert het PBL naar verwachting ook een doorrekening van het Klimaatakkoord voor 2030. ..

Hernieuwbare energie, EU-richtlijn (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
EU-doel voor het aandeel hernieuwbare energie is 14% in 2020. In 2015 is het aandeel hernieuwbare energie licht toegenomen naar 5,8% ten opzichte van 2014. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 en toepassing van de huidige Europese rekenmethode komt het aandeel uit op 11,9% in 2020. Hiermee lijkt het doel van 14% nog niet binnen bereik.lees meer
EU-doel voor het aandeel hernieuwbare energie is 14% in 2020. In 2016 is het aandeel hernieuwbare energie licht toegenomen naar 5,9%. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2016 en toepassing van de huidige Europese rekenmethode komt het aandeel uit op 12,5% in 2020.Hiermee lijkt het doel van 14% nog niet binnen bereik. In de Nationale Energieverkenning 2017 volgen nieuwe cijfers.lees meer
Het EU-doel voor het aandeel hernieuwbare energie is 14% in 2020. In 2016 lag het aandeel hernieuwbare energie op 6%. Naar verwachting stijgt dit aandeel bij voorgenomen beleid tot 12,4% in 2020, volgens de Europese rekenmethode. In vier jaar stijgt dit aandeel daarmee meer dan in de hele periode 2000-2016, toen een toename van 4,4 procentpunt werd gerealiseerd. De ontwikkeling van windenergie op land is onvoldoende om de doelstelling van 6.000 megawatt in 2020 te halen. Verder wordt een snellere ontwikkeling geconstateerd van zonnestroom, een hoger verbruik van biobrandstoffen en een lager totaal bruto eindverbruik (NEV 2017). lees meer
Hernieuwbare energie, doel Energieakkoord (2023)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het doel uit het Energieakkoord voor het aandeel hernieuwbare energie in 2023 is 16%. In 2015 is het aandeel 5,8%. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 komt Nederland in 2023, met de toepassing van Europese rekenmethodes, uit op 15,7% en komt het doel in zicht.lees meer
Het doel uit het Energieakkoord voor het aandeel hernieuwbare energie in 2023 is 16%. In 2016 is het aandeel 5,9%. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2016 komt Nederland in 2023, met de toepassing van Europese rekenmethodes, uit op 15,8% en komt het doel in zicht.lees meer
Het doel uit het Energieakkoord voor het aandeel hernieuwbare energie is 16% in 2023. In 2016 lag het aandeel hernieuwbare energie op 6%. Naar verwachting neemt dit aandeel bij voorgenomen beleid toe tot 16,7% in 2023, volgens de Europese rekenmethode. Een belangrijk aandeel in de stijging na 2020 komt voor rekening van nieuwe windenergieparken op zee. De ontwikkeling van windenergie op land verloopt tot en met 2023 trager dan beoogd in het Energieakkoord. Daar staan een snellere ontwikkeling van zonnestroom, vergisting, aardwarmte en warmtepompen en een lager totaal bruto eindverbruik tegenover (NEV 2017). lees meer
Energiebesparing, EU-richtlijn (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
Het (cumulatieve) energiebesparingsdoel in EU-verband is 482 PJ in de periode 2014-2020. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 komt de cumulatieve reductie uit op circa 540 PJ in 2020 en daarmee binnen bereik.lees meer
Het (cumulatieve) energiebesparingsdoel in EU-verband is 482 PJ in de periode 2014-2020. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2016 komt de cumulatieve reductie uit op circa 520 PJ in 2020 en daarmee binnen bereik.lees meer
Het (cumulatieve) energiebesparingsdoel in EU-verband is 482 petajoule in de periode 2014-2020. De verwachte cumulatieve besparing volgens de Europese Energiebesparingsrichtlijn (EED) is 721 petajoule. Het doel wordt daarmee naar verwachting ruimschoots gehaald. Veruit de belangrijkste verhoging ten opzichte van de NEV 2016 komt voort uit het gebruik van de monitoringsgegevens over 2014 en 2015, die vooral bij de industrie hogere EED-besparingen laten zien dan de verwachting op basis van projecties.lees meer
Energiebesparing, doel Energieakkoord (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het energiebesparingsdoel uit het Energieakkoord betreft een additionele besparing van 100 PJ in 2020 ten opzichte van het besparingstempo zonder Energieakkoord. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 is de geraamde besparing 55 PJ in 2020 en blijft het doel buiten bereik.lees meer
Het energiebesparingsdoel uit het Energieakkoord betreft een additionele besparing van 100 PJ in 2020 ten opzichte van het besparingstempo zonder Energieakkoord. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2016 is de geraamde besparing 68 PJ in 2020 en blijft het doel buiten bereik.lees meer
Het energiebesparingsdoel uit het Energieakkoord betreft een additionele besparing van 100 petajoule in 2020 ten opzichte van het besparingstempo zonder Energieakkoord. Besparing die niet direct het gevolg is van maatregelen uit het Energieakkoord maar voortkomt uit al bestaand beleid, energieprijzen enzovoort, valt niet onder de doelstelling. De verwachte finale energiebesparing komt met het voorgenomen beleid in 2020 uit op 75 petajoule. De meest waarschijnlijke realisatie ligt daarmee 25 petajoule onder het doel. Wel omvat de bovenkant van de bandbreedte het doel van 100 petajoule (NEV 2017).lees meer
Aanvullend beleid hernieuwbaar en besparing, doelen EU-richtlijn, Energieakkoord (2020 en 2023)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Tussen oktober 2015 en mei 2016 zijn extra maatregelen aangekondigd die het doelbereik, voor met name hernieuwbaar en besparing, voor 2020 en 2023 uit het Energieakkoord alsnog beogen te realiseren. De Nationale Energieverkenning 2016 zal de effecten van dit extra beleid op het doelbereik doorrekenen.lees meer
Tussen oktober 2015 en mei 2017 zijn extra maatregelen aangekondigd die het doelbereik, voor met name hernieuwbaar en besparing, voor 2020 en 2023 uit het Energieakkoord alsnog beogen te realiseren. In de Nationale Energieverkenning 2016 zijn deze maatregelen nog niet nader gekwantificeerd. De Nationale Energie-verkenning 2017 zal de effecten van dit extra beleid op het doelbereik doorrekenen.lees meer
Dit beleid betreft een verdere uitwerking voor het behalen van de doelstelling voor hernieuwbare energie en energiebesparing. Tussen oktober 2015 en 1 mei 2018 zijn extra maatregelen onder het Energieakkoord aangekondigd om het doelbereik (voor 2020 en 2023) veilig te stellen. Een doorrekening van deze maatregelen en het doelbereik met betrekking tot hernieuwbare energie en energiebesparing verschijnt tegelijkertijd met de publicatie van de doorrekening van het Klimaatakkoord.lees meer
Windenergie op land (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
Het doel is 6.000 MW in 2020. In 2015 bedroeg het opgestelde windvermogen op land 3.031 MW. Voor eind 2020 zal volgens de Monitor wind op land 2015 (vrijwel) zeker 4.574 MW productief opgesteld zijn en voor nog eens ruim 600 MW is dat aannemelijk. De monitor geeft ook aan dat er nog veel inspanning nodig is van alle betrokken partijen om de resterende opgave tot 6.000 MW voor 2020 te realiseren.lees meer
Het doel is 6.000 MW in 2020. In 2016 bedroeg het opgestelde windvermogen op land 3.297 MW. Voor eind 2020 zal volgens de Monitor wind op land 2016 (vrijwel) zeker 4.576 MW productief opgesteld zijn en voor nog eens ruim 331 MW is dat aannemelijk, maar dat aandeel blijft kwetsbaar voor vertraging. De Monitor geeft ook aan dat er nog veel inspanning nodig is van alle betrokken partijen om de resterende opgave tot 6.000 MW voor 2020 te realiseren.lees meer
Het doel is 6.000 megawatt in 2020. In 2017 bedroeg het operationele opgestelde windvermogen op land 3.249 megawatt. Volgens de RVO is het (vrijwel) zeker dat eind 2020 minstens 5.153 megawatt windvermogen operationeel zal zijn. Naar aanleiding van de NEV uit 2017 hebben de Energieakkoord-partijen afgesproken dat de Rijksoverheid, provincies en gemeenten een plan van aanpak opstellen voor versnelling van de realisatie. De Rijksoverheid en provincies hebben afgesproken dat wanneer het doel van 6.000 megawatt niet tijdig wordt gehaald, het restant van de opgave in 2020 zal worden verdubbeld. Deze verdubbeling zal in de periode 2021-2023 worden gerealiseerd. De verdubbeling boven de 6.000 megawatt kan bestaan uit windenergie op land, maar mag ook deels met andere vormen van hernieuwbare energie worden gerealiseerd, mits dit extra vermogen additioneel is ten opzichte van het beeld van de NEV.lees meer
Windenergie op zee (2023)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
Het doel uit het Energieakkoord is 4.450 MW in 2023. In 2015 was 357 MW windvermogen op zee opgesteld en nog eens 600 MW is in aanbouw. In het Energieakkoord is een tenderpad afgesproken met een taakstellend kostendalingspad van 40% kostenreductie voor windenergie op zee van 2013 tot 2023. Ontwikkelingen sindsdien laten zien dat dit realistisch is. De ambitie lijkt daarom haalbaar.lees meer
Het doel uit het Energieakkoord is 4.450 MW in 2023. In 2016 was 957 MW windvermogen op zee opgesteld. In het Energieakkoord is een tenderpad afgesproken met een taakstellend kostendalingspad van 40% kostenreductie voor windenergie op zee van 2013 tot 2023. Ont-wikkelingen sindsdien laten zien dat dit realistisch is. De ambitie lijkt daarom haalbaar. Ook hier komt de Nationale Energieverkenning met een actualisering.lees meer
De kansen op versnelling en de risico's op vertraging leiden ertoe dat er naar verwachting wordt voldaan aan de doelstelling van 4.450 megawatt opgesteld windvermogen op zee (2023). De onzekerheid is evenwel groot, met een bandbreedte van 3.050 tot 5.450 megawatt. In het Energieakkoord is een tenderpad afgesproken met een taakstellend kostendalingspad van 40% kostenreductie voor windenergie op zee van 2013 tot 2023. Door technologische ontwikkeling, een hechtere samenwerking in de sector en efficiënt beleid dat is toegeschreven op de behoeften van de markt, dalen de kosten van windenergie op zee (NEV 2017). lees meer
Broeikasgasemissies niet-ETS-sectoren EU-doel (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Op dit moment niet te bepalen. In oktober 2014 verschijnt de nationale energieverkenning van PBL en ECNlees meer
Doel voor de reductie van broeikasgasemissies uit de niet-ETS-sectoren in EU-verband is 16% in 2020 ten opzichte van 2005. Uitgaande van (voorgenomen) beleid per 1 mei 2015 komt de reductie uit op circa 21%. Ook de bijbehorende doelen voor de maximale cumulatieve emissies tussen 2013 en 2020 worden gehaald.lees meer
Doel voor de reductie van broeikasgasemissies uit de niet-ETS-sectoren in EU-verband is 16% in 2020 ten opzichte van 2005. De jaarlijkse niet-ETS-emissies dalen bij voorgenomen beleid van 102 Mton CO2-equivalenten in 2015 (voorlopig cijfer) tot 95 Mton CO2-equivalenten in 2020. De cumulatieve niet-ETS-emissies in de periode van 2013 tot en met 2020 komen met voorgenomen beleid uit op 800 Mton CO2-equivalenten. Dit is ruim onder het Europese reductiedoel voor Nederland van 920 Mton CO2-equivalenten voor die periode.lees meer
Doel voor de reductie van broeikasgasemissies uit de niet-ETS-sectoren in EU-verband is 16% in 2020 ten opzichte van 2005. Op basis van de emissies voor niet- ETS-sectoren sinds 2013 en de projectie tot 2020 wordt verwacht dat Nederland ruimschoots zal voldoen aan zijn Europese verplichting voor het reduceren van de niet-ETS-broeikasgasemissies in de periode 2013-2020. De maximaal toegestane cumulatieve emissies voor Nederland in die periode bedragen 920 megaton CO2-equivalenten. Uitgaande van het voorgenomen beleid komen de cumulatieve emissies voor die periode uit op 798 megaton CO2-equivalenten (NEV 2017). lees meer
Broeikasgasemissies niet-ETS-sectoren EU-doel (2030)
  • Balans 2018
Uitgaande van de NEV 2017 en voorgenomen beleid rest er voor de niet-ETS-emissies tot 2030 een aanvullende beleidsopgave van 12 megaton CO2-equivalenten, cumulatief over de periode 2021-2030. Het EU-doel voor Nederland ligt nog wel binnen de onzekerheidsbandbreedte (NEV 2017).lees meer

Luchtverontreiniging

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

NOx-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De uitstoot van stikstofoxiden in 2012 lag 12 kiloton (5%) onder het Europese emissieplafond dat geldt vanaf 2010 (NEC).lees meer
Het emissieplafond voor stikstofoxiden is 260 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 235 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor stikstofoxiden is 260 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie voor 2015 is 228 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor stikstofoxiden is 260 kiloton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie voor 2016 is 228 kiloton.lees meer
SO2-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
In 2012 16 kiloton (32%) onder het emissieplafond.lees meer
Het emissieplafond voor zwaveldioxide is 50 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 29 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor zwaveldioxide is 50 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie voor 2015 is 30 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor zwaveldioxide is 50 kiloton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie voor 2016 is 30 kiloton.lees meer
NH3-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
In 2012 8 kiloton (6%) onder het emissieplafond.lees meer
In de Balans 2012 en 2014 was het beeld dat het 2010-plafond voor ammoniakemissie (128 Kton) binnen bereik was. Echter, sinds de herberekening van de ammoniakemissie in 2014/2015 ligt de emissie boven het doel. Zo is voor 2012 de herberekende ammoniakemissie met 15 Kton naar boven bijgesteld. De gerealiseerde emissie in 2014 is 134 Kton. De overschrijding van het plafond betekent niet automatisch dat Nederland in gebreke wordt gesteld. Er is namelijk consensus in Europa dat landen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor wijzigingen in de geregistreerde emissiecijfers die niet bekend waren bij het afspreken van de reductiedoelen.lees meer
De gerealiseerde emissie voor 2015 is 128 Kton, waarmee het plafond voor 2010 van 128 Kton binnen bereik is. Echter, aangezien er momenteel discussie is over de methodiek voor het vaststellen van de ammoniakemissies, kan op dit moment niet worden vastgesteld of het emissiedoel voor ammoniak voor 2010 ook daadwerkelijk is bereikt.lees meer
Het emissieplafond voor ammoniak is 128 kiloton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie voor 2016 is 127 kiloton. Er kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld of het emissiedoel voor ammoniak voor 2010 daadwerkelijk bereikt is. Nieuw onderzoek laat namelijk zien dat een aantal uitgangspunten voor de berekening van de gerealiseerde ammoniakemissies mogelijk moet worden aangepast (zoals de effectiviteit van luchtwassers en emissiefactoren bij toedieningsemissies). Daardoor kan bij een herberekening van de historische emissies de emissiewaarde van 2016 veranderen. lees meer
NMVOS-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
In 2012 35 kiloton (19%) onder het emissieplafond.lees meer
Het emissieplafond voor niet-methaan vluchtige organische stoffen is 185 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 143 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor niet-methaan vluchtige organische stoffen is 185 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie voor 2015 is 139 Kton.lees meer
Het emissieplafond voor niet-methaan vluchtige organische stoffen is 185 kiloton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie in 2016 is 139 kiloton.lees meer
NOx-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor stikstofoxiden in 2020 is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 202 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 172 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor stikstofoxiden voor 2020 is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 203 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 177 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor stikstofoxiden voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 205 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 173 kiloton.lees meer
SO2-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor zwaveldioxide in 2020 is 28% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 47 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 30 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor zwaveldioxide voor 2020 is 28% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 46 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 30 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor zwaveldioxide voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 28% ten opzichte van 2005. Dat komt overeen met een uitstoot van 48 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 30 kiloton.lees meer
NH3-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor ammoniak in 2020 is 13% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 139 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 127 Kton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een recente herberekening van historische emissiecijfers voor ammoniak het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.lees meer
De reductieverplichting voor ammoniak voor 2020 is 13% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 135 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 117 Kton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een herberekening van historische emissiecijfers in 2016 het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.lees meer
De reductieverplichting voor ammoniak voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 13% ten opzichte van 2005. Dat komt overeen met een uitstoot van 133 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 115 kiloton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een herberekening van historische emissiecijfers in 2016 het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven. lees meer
NMVOS-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen in 2020 is 8% ten opzichte van 2005 oftewel 164 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 146 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen voor 2020 is 8% ten opzichte van 2005 oftewel 167 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 143 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 8% ten opzichte van 2005, oftewel 175 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 143 kiloton. lees meer
Fijn stof (PM2,5)-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) in 2020 is 37% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 13,4 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 10,4 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) voor 2020 is 37% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 13,5 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 10,9 Kton.lees meer
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 37% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 13,9 kiloton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 10,9 kiloton lees meer
NOx-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor stikstofoxiden voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 61% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 145 Kton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 125 Kton. lees meer
SO2-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor zwaveldioxide voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 53% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 32 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 31 kiloton. Daarmee komt het plafond voor 2030 binnen bereik. De raming voor 2030 houdt geen rekening met de door het kabinet besloten sluiting van kolencentrales uiterlijk per 1 januari 2030. Hierdoor zullen de zwaveldioxide-emissies verder dalen. Bij het afleiden van de kleur van het stoplicht voor 2030 is wel rekening gehouden met deze voorgenomen sluiting. lees meer
NH3-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor ammoniak voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 21% ten opzichte van 2005. Dat komt overeen met een uitstoot van 121 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 107 kiloton. lees meer
NMVOS-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 15% ten opzichte van 2005, oftewel 162 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 145 kiloton.lees meer
Fijn stof (PM2,5)-emissie (2030)
  • Balans 2018
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) voor 2030 (geldend vanaf 2030) is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 12,2 kiloton. De geraamde emissie voor 2030 bij voorgenomen beleid is 9,8 kiloton.lees meer