Balans van de Leefomgeving

Landbouw en voedsel

Hoofdpunten

  • Milieudruk

    Een ingrijpende verandering in het landbouw- en voedselsysteem is nodig om de langetermijndoelen van het klimaat-, milieu- en natuurbeleid te halen.De Nederlandse landbouw legt een aanzienlijke druk op het milieu. Een druk die samenhangt met de grote oppervlakte die de landbouw bestrijkt, en het grote aantal dieren dat er gehouden wordt. Vooral de effecten van die dierlijke productie op de leefomgeving zijn een groot knelpunt in het halen van de klimaat- en milieudoelen, vanwege de uitstoot van broeikasgassen en milieubelastende stoffen als stikstof.
  • Systeemveranderingen productie- en consumptieketen

    Nederland heeft zich verbonden aan het Parijsakkoord en wil internationaal koploper duurzame voedselproductie zijn. Die koploperpositie is nog niet in zicht. De Nederlandse landbouw opereert weliswaar kostenefficiënt, maar de milieudruk per eenheid product is niet of nauwelijks minder dan die in omringende landen. Het huidige voedselbeleid heeft als doel om voedselverspilling tegen te gaan, en mensen te laten overstappen op een meer plantaardig dieet. Deze doelen zijn nog niet binnen bereik. De Nederlandse landbouwproductie is voor het merendeel bestemd voor de export. Tegelijk wordt het voedsel dat Nederlanders consumeren maar voor een beperkt deel in Nederland geproduceerd. Zowel in de productieketen als de consumptieketen zullen daarom systeemveranderingen nodig zijn om de beleidsambities waar te maken.
  • Governance

    De benodigde systeemomslag kan alleen worden behaald als de overheid alle relevante partijen in het landbouw- en voedselsysteem erbij betrekt. Het gros van de huidige landbouwers koerst nog steeds op intensivering, kostprijsverlaging en schaalvergroting. Investeringen in een milieuvriendelijkere bedrijfsvoering zijn duur en boeren verdienen die in het huidige systeem nauwelijks terug. Toch zullen die investeringen nodig zijn of is er een ander verdienmodel nodig, want de dalende trend in de milieudruk die door landbouwactiviteiten wordt veroorzaakt, stagneert. Om tot een meer toekomstbestendige landbouw te komen, zullen ook andere partijen in en rondom de voedselketen – zoals toeleveranciers, financiers, adviseurs, verzekeraars, overheden, accountants, de voedselverwerkende industrie, de tussenhandel, de retail en de consument – moeten worden aangesproken. Samen met de landbouwers kunnen zij een verdienmodel ontwikkelen dat gebaseerd is op een meer duurzame productie. Vanwege de vele betrokken partijen en bestuurslagen zal de governance lastig zijn en de systeemomslag zal winnaars en verliezers kennen.
  • Beleid

    Om de systeemomslag te bewerkstelligen, zal de overheid landbouwbeleid, milieubeleid en voedselbeleid moeten combineren en heldere keuzes moeten maken over de doelstellingen van dat beleid. Bij dergelijk integraal beleid kunnen meerdere problemen tegelijkertijd worden aangepakt, en kunnen er sneller mogelijkheden opduiken om duurzaam handelen eenvoudiger en rendabeler te maken. Het Parijsakkoord, dat door zoveel landen is ondertekend, kan dienen als een katalysator om in Europees verband te sturen op integraal beleid, dat niet alleen klimaat maar ook milieu en natuur ten goede komt.
  • Belangen en waarden

    Aan landbouw en voedsel is een diversiteit aan waarden verbonden; denk aan voedselzekerheid, gezond voedsel, boereninkomen en agrarische natuur. Ook het begrip duurzaamheid is gekoppeld aan allerlei economische, sociale en ecologische waarden. Vaak zullen deze waarden goed te combineren zijn, maar soms kunnen ze conflicteren; een economisch efficiënte bedrijfsvoering gaat vaak ten koste van dierenwelzijn en waar dierenwelzijn hoog in het vaandel staat, is de milieubelasting vaak hoger. De diversiteit aan waarden vraagt keuzes maar is ook een kans.

    De overheid kan rekening houden met meer uiteenlopende invullingen van duurzaamheid en niet langer hoofdzakelijk verduurzamen door efficiëntere productie en technologie. Ze kan ruimte scheppen voor meerdere oplossingsrichtingen en slimme combinaties. Over conflicterende belangen en waarden kan ze debat organiseren, en zo inzichtelijk maken welke waarden er precies botsen, en als overheid een standpunt innemen in dat debat. Ze kan ook duidelijker aangeven welke praktijken bijgevolg niet meer passen en dus op tegenwerking van de overheid kunnen rekenen.

Lees verder

  • Voor het thema Landbouw en voedsel is een factsheet gemaakt die een beknopt overzicht geeft van de ontwikkelingen in dit thema lees de factsheet (PDF)
  • Voor meer informatie kunt u het hoofdstuk Landbouw en voedsel in de Balans van de Leefomgeving 2018 lezen lees verder in de Balans (PDF)

Evaluatie van het beleid voor landbouw en de duurzame consumptie van voedsel

Het PBL heeft geëvalueerd wat de effecten zijn van het beleid voor landbouw en voedsel. In hoeverre zijn bijvoorbeeld de beleidsdoelen gehaald voor de productie van mest? Kan de overheid nog meer doen om de beleidsdoelen te halen? Onderstaande stoplichten geven een bondig overzicht van de mate waarin doelen naar verwachting tijdig worden gehaald. Een uitgebreidere analyse vindt u door te klikken op de link “lees meer”.

groenUitvoering van het beleid leidt waarschijnlijk tot het halen van het doel
geelGeraamde ontwikkeling ligt rond het doel, beleid zou robuust gemaakt kunnen worden voor tegenvallers
oranjeGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, met intensivering van het beleid is het doel wel realiseerbaar
roodGeraamde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot het halen van het doel, vraagt fundamentele herziening van de huidige aanpak door andere beleidsinstrumenten in te zetten of door doelen aan te passen
grijsOp dit moment niet te bepalen
witDeze analyse is niet uitgevoerd

Landbouw en voedsel

Mestproductieplafond (vanaf 2006)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Stikstofproductie ruim onder mestproductieplafond 2002. In 2013 nam fosfaatproductie weer toe door groei van de melkveestapel en toename van fosfaatgehalte in krachtvoer. Onzekerder of voerspoor voldoende effectief zal zijn om de mestproductie te beperken tot niveau 2002.lees meer
Het mestproductieplafond is gekoppeld aan de derogatie van de Europese Commissie sinds 2006 en bedraagt 504 miljoen kg stikstof en 173 miljoen kg fosfaat. De stikstofproductie blijft in 2015 met 498 miljoen kg (dit is inclusief de gasvormige verliezen) net onder dit plafond, de productie van fosfaat zit er met 180 miljoen kg boven. Per 1 januari 2017 voert de overheid fosfaatrechten op bedrijfsniveau in, op basis van de fosfaatproductie op 2 juli 2015. Om in 2018 een fosfaatproductie beneden het plafond te realiseren, vindt er een generieke afroming plaats en wordt bij het verhandelen van fosfaatrechten ook afgeroomd. De hoogte van de generieke afroming moet echter nog worden vastgesteld.lees meer
Het mestproductieplafond is sinds 2006 gekoppeld aan de derogatie van de Europese Commissie en bedraagt 504 miljoen kg stikstof en 173 miljoen kg fosfaat. In 2016 was de stikstofproductie gelijk aan het plafond, terwijl voor fosfaat sprake was van een overschrijding van het plafond met 2,3 miljoen kg. Intussen is een pakket aan maatregelen van kracht geworden, teneinde eind 2017 weer onder het mestproductieplafond te komen. Dit heeft in 2017 al tot een daling van het aantal stuks melkvee met circa 160.000 geleid. Op basis van de ontwikkelingen in de eerste helft van 2017 zouden de afspraken over de fosfaatproductie voor 2017 haalbaar kunnen zijn.lees meer
Het mestproductieplafond is sinds 2005 gekoppeld aan de derogatie van de Europese Commissie en bedraagt 504 miljoen kilogram stikstof en 173 miljoen kilogram fosfaat. Het fosfaatplafond werd in 2016 met 2,3 miljoen kilogram overschreden, maar in 2017 is de situatie 2017 verbeterd. In 2017 is een pakket aan maatregelen van kracht geworden, waarmee eind 2017 de mestproductie weer onder het plafond voor fosfaat gekomen is. Per 1-1-2018 is het systeem van fosfaatrechten ingevoerd en zijn de sectorspecifieke productieplafonds opgenomen in het 6e Nitraat Actie Programma (NAP). Voor stikstof is het productieplafond in 2017 overschreden met 8 miljoen kilogram stikstof. Begin 2018 heeft de Europese Commissie opnieuw derogatie aan Nederland verleend. In grote lijnen gelden dezelfde voorwaarden als bij de vorige derogatie (2013-2017). Een belangrijk verschil is echter de verkorte looptijd van 2 jaar (in plaats van 4 jaar) en de extra aandacht die moet worden geschonken aan handhaving om mestfraude te voorkomen. lees meer
NH3-emissie (vanaf 2010)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Ammoniakemissie daalt: het 2010 NEC-doel is al gehaald. Het NEC-doel voor 2020 (-13% t.o.v. 2005) mogelijk ook, maar emissieramingen zijn onzeker.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland.
In de Balans 2012 en 2014 was het beeld dat het 2010-plafond voor ammoniakemissie (128 kton) binnen bereik was. Echter, sinds de herberekening van de ammoniakemissie in 2014/2015 ligt de emissie boven het doel. Zo is voor 2012 de herberekende ammoniakemissies met 15 kton naar boven bijgesteld. De gerealiseerde emissie in 2014 is 134 kton. De overschrijding van het plafond betekent niet automatisch dat Nederland in gebreke wordt gesteld. Er is namelijk consensus in Europa dat landen niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor wijzigingen in de geregistreerde emissiecijfers die niet bekend waren bij het afspreken van de reductiedoelen.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland. Na herberekening van de ammoniakemissie in 2016 bedraagt de emissie voor zowel 2014 als 2015 128 Kton. Daarmee lijkt het (NEC-richtlijn)plafond voor de periode vanaf 2010 van 128 Kton binnen bereik te zijn. Aangezien er momenteel discussie is over de methodiek voor het vaststellen van de ammoniakemissies, kan op dit moment niet worden vastgesteld of het emissiedoel voor ammoniak voor 2010 ook daadwerkelijk is bereikt.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland. Het emissieplafond voor ammoniak is 128 kton voor 2010 (geldend tot en met 2019). De gerealiseerde emissie voor 2016 is 127 kton. Op dit moment kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld of het emissiedoel voor ammoniak voor 2010 daadwerkelijk bereikt is. Nieuw onderzoek laat namelijk zien dat een aantal uitgangspunten voor de berekening van de gerealiseerde ammoniakemissies mogelijk moet worden aangepast (zoals de effectiviteit van luchtwassers en emissiefactoren van toedieningsemissies). Daardoor kan bij een herberekening van de historische emissies de emissiewaarde van 2016 veranderen.lees meer
NH3-emissie (2020)
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland.
De reductieverplichting voor ammoniak in 2020 is 13 % t.o.v. 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 139 kton (nieuw Gotenburg protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 127 kton en valt daarmee binnen het 2020 plafond. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 tov 2005). Hierdoor is bij een recente herberekening van historische emissiecijfers voor ammoniak het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland. In tegenstelling tot de absolute doelstelling voor 2010 zal vanaf 2020 een relatief doel voor de uitstoot van ammoniak van kracht zijn, in de vorm van een reductieverplichting. Zoals is vastgelegd in de herziene Europese NEC-richtlijn van december 2016, geldt van 2020 een reductieverplichting van 13% ten opzichte van 2005. Op basis van de gerapporteerde ammoniakemissie voor 2005 komt het doel voor de periode na 2020 uit op maximaal 135 Kton. De geraamde emissie van 117 Kton ligt bij vastgesteld beleid ruim onder het 2020-plafond.lees meer
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland. De reductieverplichting voor ammoniak voor 2020 (geldend tot en met 2029) is 13% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 133 Kton. De geraamde emissie voor 2020 bij voorgenomen beleid is 115 Kton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een herberekening van historische emissiecijfers in 2016 het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.lees meer
Nitraat in het bovenste grondwater
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
"Zuidelijk zandgebied en lössregio zijn ook na 2013 nog een knelpunt."lees meer
"In het klei- en veengebied ligt in 2015 de gemiddelde nitraatconcentratie ruim onder de doelstelling van 50 mg nitraat per liter. In het zuidelijk zand- en lössgebied (Noord-Brabant en Limburg) ligt de gemiddelde nitraatconcentratie nog ruim boven het nitraatdoel, terwijl in het noordelijk en centraal zandgebied gemiddeld het doel wordt bereikt. Gemiddeld doelbereik in het zandgebied betekent overigens in de praktijk dat bijna de helft van de bedrijven niet aan de norm voldoet."lees meer
In het klei- en veengebied ligt in 2015 de gemiddelde nitraatconcentratie ruim onder de doelstelling van maximaal 50 mg nitraat per liter. In het zuidelijk zand- en lössgebied (Noord-Brabant en Limburg) ligt de ge-middelde nitraatconcentratie nog ruim boven het nitraatdoel, terwijl in het noordelijk en centraal zandgebied gemiddeld het doel wordt bereikt. Gemiddeld doelbereik in het zandgebied betekent overigens in de praktijk dat bijna de helft van de bedrijven niet aan de norm voldoet.lees meer
In het klei-, veen- en zandgebied voldoet het grondwater in 2015 onder landbouwgrond gemiddeld genomen aan de doelstelling van maximaal 50 milligram nitraat per liter. In het zuidelijk zand- en lössgebied (Noord-Brabant en Limburg) ligt de gemiddelde nitraatconcentratie nog ruim boven het nitraatdoel, terwijl in het noordelijk en centraal zandgebied gemiddeld het doel wordt bereikt. Gemiddeld doelbereik in het zandgebied betekent overigens in de praktijk dat de helft van de bedrijven niet aan de norm voldoet. lees meer
Gewasbeschermingmiddelen in oppervlaktewater
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Stoffen met een jaargemiddelde (JG) MKN-norm overschrijden op ongeveer 25% van de meetpunten de norm, zowel in 2010 als in 2012. Voor stoffen met een MTR-norm is dat 50%. De MTR-normen zullen op den duur vervangen worden door JG en MAC (maximale concentratie)-MKN-normen.lees meer
In 2014 werden op iets meer dan 60% van de meetlocaties van gewasbeschermingsmiddelen en biociden de (stofafhankelijke) normen overschreden. Op veel locaties wordt de norm door minder dan 5% van het totale aantal stoffen overschreden. Verbetering van de waterkwaliteit is daarom mogelijk door vooral de meest vervuilende stoffen aan te pakken.lees meer
In 2015 werden op iets meer dan 60% van de meetlocaties van gewasbeschermingsmiddelen en biociden de (stofafhankelijke) normen overschreden. Dat is hetzelfde aandeel als in 2014. Op veel locaties overschrijdt minder dan 10% van het totale aantal gemeten stoffen de norm. Verbetering van de waterkwaliteit is daarom mogelijk door vooral de meest vervuilende stoffen aan te pakken.lees meer
De milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen is door maatregelen rond het jaar 2000 gedaald. Het aandeel meetpunten met normoverschrijdingen schommelt de laatste jaren rond de 60 procent. Op veel locaties overschrijdt minder dan 10% van het totale aantal gemeten stoffen de norm. Verbetering van de waterkwaliteit is daarom mogelijk door vooral de meest vervuilende stoffen aan te pakken. lees meer
Duurzame stallen (2016)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
10% integraal duurzame stallen: doel 8% ruimschoots gehaald.lees meer
Met 13% integraal duurzame stallen begin 2016 is het doel van 12% gehaald.lees meer
Jaarlijks is in de begroting van Economische Zaken een streefwaarde voor het lopende jaar opgenomen. Voor begin 2017 is dit 14% en voor 2018 is dit 16%. Met 13,6% integraal duurzame stallen op 1 januari 2017 is het doel van 14% vrijwel gehaald.lees meer
Jaarlijks is in de begroting van Economische Zaken een streefwaarde voor duurzame stallen voor het lopende jaar opgenomen. Voor begin 2018 zijn de cijfers om de analyse uit tte voeren nog niet beschikbaar. Voor begin 2017 is het doel 14% en voor 2018 is dit 16%. Met 13,6% integraal duurzame stallen op 1 januari 2017 is het doel van 14% vrijwel gehaald.lees meer
Duurzamer vlees (2020)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Consumptie 'duurzamer' geproduceerd vlees stijgt, maar huidige tempo van verbetering nog te laag om doel in 2023 te halen.lees meer
De ambitie van overheid en bedrijfsleven is dat in 2020 100% van de consumptie van varkensvlees en pluimveevlees ten minste voldoet aan een hoger niveau van dierenwelzijn. In 2014 zijn de bestedingen aan duurzaam vlees ten opzichte van 2013 gelijkgebleven. De bestedingen aan producten met een Beter Leven Keurmerk zijn in 2014 met 4% gestegen. Dit tempo is te laag om het doel in 2020 te bereiken.lees meer
De ambitie van overheid en bedrijfsleven is dat in 2020 100% van de consumptie van varkens- en pluimveevlees ten minste afkomstig is van dieren die voldoen aan een hoger niveau van welzijn. In 2015 zijn de beste-dingen aan duurzaam geproduceerd(e) vlees en vlees-waren ten opzichte van 2014 met 19% gestegen. De bestedingen aan producten met een Beter Leven-Keurmerk zijn in 2015 met 24% gestegen. Het markt-aandeel duurzaam geproduceerd vlees steeg daarmee van 11 naar 12%. In supermarkten is het aandeel duur-zaam geproduceerd varkensvlees de laatste jaren sterk gestegen, tot 47% in 2015, bij pluimveevlees is dit 18%. Deze cijfers laten een positieve ontwikkeling zien. Het blijft de vraag of deze ambitie in 2020 gehaald zal wor-den. Als deze ontwikkelingen doorzetten en als ook vlees van kippen met een hoger welzijnsniveau, maar zonder onafhankelijk keurmerk, zoals veel supermark-ten aanbieden (of op korte termijn aan gaan bieden) meetellen, dan zou het tempo voldoende kunnen zijn om deze ambitie in 2020 te bereiken.lees meer
In 2016 zijn bestedingen aan duurzaam voedsel - dat wil zeggen voedsel met een duurzaamheidskenmerk - in alle productgroepen gestegen naar 10%. In 2015 was dit aandeel 8% . De ambitie van overheid en bedrijfsleven is dat in 2020 100% van de consumptie van varkens- en pluimveevlees ten minste afkomstig is van dieren die met een hoger niveau van welzijn hebben geleefd. Het marktaandeel duurzaam geproduceerd vlees steeg van 12% in 2015 naar 23% in 2016. In supermarkten is het aandeel duurzaam geproduceerd varkensvlees de laatste jaren sterk gestegen, tot 62% in 2016, bij pluimveevlees is dit 19%. Het betreft hier vooral dierenwelzijn. De cijfers laten een positieve ontwikkeling zien, de ambitie voor 2020 kan worden gehaald.lees meer
Voedselverspilling (2015)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het rijksdoel is de voedselverspilling in 2015 met 20% te verminderen ten op zicht van 2009. Verspilling door consumenten, die het grootste aandeel hebben, neemt nog niet af.lees meer
Doel is de voedselverspilling in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009. In 2013 is de hoeveelheid verspild voedsel op het niveau van 2009. Aangezien het algemene beeld is dat er tussen 2009 en 2013 niet veel is veranderd in de hoeveelheid verspild voedsel, lijkt het doel van 20% reductie in 2015 buiten bereik.lees meer
Doel is de voedselverspilling in de voedselketen in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009. De voedselverspilling ligt in 2015 tussen de 105 en 152 kg (128,5) per persoon. Hoewel de voedselverspilling in 2015 circa 4% is gedaald ten opzichte van 2013, is het doel van 20% reductie ten opzichte van 2009 niet gehaald. Wel lijkt er een dalende trend te zijn in de hoeveelheid voedsel die in Nederland verspild wordt.lees meer
Doel is de voedselverspilling in de voedselketen in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009. In 2018 is SDG 12.3 expliciet in beleid opgenomen: in 2030 een halvering van de voedselverspilling ten opzichte van 2015. De voedselverspilling bedroeg in 2016 circa 125 kilogram per persoon. De hoeveelheid voedselverspilling is in de jaren 2009-2016 ongeveer gelijk gebleven; er kan geen stijgende of dalende trend worden waargenomen. Het doel van 20% reductie ten opzichte van 2009 is niet gehaald. Het doel van 2030 zal waarschijnlijk niet gehaald worden, aangezien er nog geen dalende trend zichtbaar is, terwijl de opgave groot is.lees meer
Antibioticagebruik veehouderij (2016)
  • Balans 2014
  • Balans 2016
  • Balans 2017
  • Balans 2018
Het doel voor 2015 is een reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij met 70% ten opzichte van 2009. De verkoop van antibiotica voor veterinair gebruik is in 2014 met bijna 60% gedaald in vergelijking met 2009. De snelle daling sinds 2009 stokte in 2014, hetgeen het bereiken van 70% reductie in 2015 aanzienlijk bemoeilijkt.lees meer
Het doel voor 2015 is een reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij met 70% ten opzichte van 2009. De verkoop van antibiotica voor veterinair gebruik is in 2014 met bijna 60% gedaald in vergelijking met 2009. De snelle daling sinds 2009 stokte in 2014, hetgeen het bereiken van 70% reductie in 2015 een aanzienlijke opgave maakt.lees meer
Ten opzichte van 2009 is de verkoop van antibiotica voor de veehouderij in 2016 met 64% gedaald. Het beleidsdoel van 70% reductie van het gebruik ten op-zichte van 2009 is daarmee niet gehaald. Als de ingezette beleidsintensivering en de vertaling naar specifieke doelen voor de afzonderlijke veehouderijsectoren onverkort worden uitgevoerd, zal het einddoel van 70% reductie in 2020 waarschijnlijk worden gehaald. De overheid heeft de verantwoordelijkheid hiervoor bij de verschillende sectoren gelegd. De sectoren hebben in 2016 hiervoor reductieplannen gemaakt. Momenteel loopt onderzoek om de sectorspecifieke doelen vast te stellen.lees meer
Ten opzichte van 2009 is de verkoop van antibiotica voor de veehouderij in 2017 met 63% gedaald. Sinds 2012 is de snelle daling van de verkoop afgevlakt. Het beleidsdoel van 70% reductie van het gebruik ten opzichte van 2009 is niet gehaald. In 2016 is dit doel opgeschoven naar 2020. Als de ingezette beleidsintensivering en de vertaling naar specifieke doelen voor de afzonderlijke veehouderijsectoren onverkort worden uitgevoerd, is het einddoel van 70% reductie in 2020 binnen bereik. De overheid heeft de verantwoordelijkheid hiervoor bij de verschillende sectoren gelegd. In overleg met de sectoren zijn in 2017 maxima voor (aanvaardbaar) gebruik vastgesteld en zijn benchmarkwaarden aangescherpt. Gegeven deze aanscherpingen is de verwachting dat het gebruik na 2017 verder zal dalen.lees meer