Interactiviteit beperkt
Om de interactiviteit goed te ervaren, raden wij je aan om deze website in een moderne browser (Chrome, Firefox, Safari, IE 9 en hoger) te bekijken.Sluiten
Interactiviteit beperkt Om de interactiviteit goed te ervaren, raden wij je aan om deze website later op je desk- of laptop te bekijken.Sluiten

De verdeelde triomf
Banengroei en economische ongelijkheid
in de 22 stadsgewesten

De stad is wereldwijd de banenmotor van de huidige economie. De Amerikaanse econoom Edward Glaeser spreekt in dat verband zelfs van de ‘triomf van de stad’. Maar niet in elke stad neemt het aantal banen toe. En niet iedereen profiteert van het succes van de stad. Sterker nog, de verschillen tussen arm en rijk zouden juist toenemen. Welke ontwikkelingen zien we in Nederland?

In de studie De verdeelde triomf (2016) onderzocht het PBL de banengroei en economische (on)gelijkheid in en tussen de 22 die Nederland telt. Uit dit onderzoek bleek dat het aantal banen in de stadsgewesten sterk is toegenomen, maar dat die groei regionaal wel aanzienlijk varieert. Tegelijkertijd nam de economische ongelijkheid bínnen de stadsgewesten toe.

Deze themawebsite is een aanvulling op De verdeelde triomf. Zoomden we in dat rapport in op de zeven stadsgewesten met centrumgemeenten met meer dan 200.000 inwoners, hier gaan we ook uitgebreider in op de overige vijftien stadsgewesten. Bovendien liet het rapport de ontwikkelingen tot 2012 zien en zijn deze hier geactualiseerd tot en met 2014.

Vier onderwerpen staan centraal. Eerst bekijken we de verschillen in banengroei. Hoeveel en wat voor type banen zijn er in de verschillende stadsgewesten bijgekomen? Daarna richten we ons op de sociaal-economische ontwikkeling van de inwoners van de stadsgewesten. Hebben zij geprofiteerd van de banengroei? En wat betekent dit voor de economische (on)gelijkheid onder de inwoners, neemt het verschil tussen arm en rijk toe? Tot slot staan we ook stil bij de vraag waarom en wanneer toenemende economische ongelijkheid en segregatie een probleem zijn. Het is van belang te reflecteren op deze vraag, omdat het antwoord van invloed is op of, en zo ja welke, overheidsinterventie gewenst is, en daarmee bijdraagt aan de effectiviteit van het beleid.

Selecteer in de kaart of in de lijst uw stadsgewest. Hierna worden dan in alle volgende figuren uw stadsgewest uitgelicht.

Kies uw stadsgewest: 

Standaard zal Utrecht als stadsgewest gebruikt worden.

Waar neemt het aantal banen toe?

De Amerikaanse econoom liet in The new geography of jobs (2012) zien dat Amerikaanse steden niet in gelijke mate profiteren van agglomeratievoordelen, globalisering en technologische vooruitgang. Elke stad heeft een andere economische structuur en andere samenstelling van de arbeidsmarkt. Hierdoor neemt in sommige steden het aantal banen toe, terwijl andere steden banen verliezen. Bovendien verschilt het type banen dat erbij komt tussen steden. In economisch succesvolle steden ontstaan vooral veel hoogbetaalde banen.

Ook in Nederland varieert de groei in het aantal banen, zo laten de cijfers hieronder zien. Maar bijna overal neemt het aantal banen toe. In alle stadsgewesten samen is vooral het aantal banen aan de bovenkant van de arbeidsmarkt toegenomen. De trend wisselt echter sterk per stadsgewest.

Bijna overal banengroei, maar niet overal evenveel

In de periode tussen 1996 en 2014 is het aantal banen in de meeste stadsgewesten hard gestegen, net als in heel Nederland. Maar de toename verschilt regionaal wel aanzienlijk. Vooral in het stadsgewest Amsterdam is het aantal banen sterk toegenomen. Maar relatief gezien is de banengroei in Zwolle vergelijkbaar met die in Amsterdam. Ook in Amersfoort en Utrecht is het aantal banen sterk gestegen, maar daar nam de groei wel wat af na de crisis van 2008. In de stadsgewesten Haarlem, Dordrecht en de drie Limburgse stadsgewesten is de banengroei juist aanzienlijk lager dan het Nederlands gemiddelde. In Haarlem is het aantal banen – na een lichte toename – in 2014 zelfs weer gelijk aan het aantal banen in 1996. Ook het zuidelijk deel van de Randstad blijft achter bij de nationale trend: hoewel in de stadsgewesten Rotterdam, Den Haag en Leiden het aantal banen wel duidelijk is toegenomen, is de relatieve groei lager dan het nationaal gemiddelde.

Deze figuur toont het aantal banen voor meer dan 12 uur per week, exclusief banen in de landbouw. Dit zijn zowel banen in loondienst als van zelfstandigen.
Deze figuur toont het aantal banen voor meer dan 12 uur per week, exclusief banen in de landbouw. Dit zijn zowel banen in loondienst als van zelfstandigen.

Grotere banengroei in Amsterdam vooral door toename aantal zelfstandigen

Veel van de nieuwe banen in het stadsgewest Amsterdam zijn banen van zelfstandigen. Bekijken we alleen de groei van de banen in loondienst (de werknemers), dan is de banengroei in absolute aantallen nog wel het grootst in Amsterdam, maar relatief gezien is de groei dan hoger in de stadsgewesten Zwolle en Amersfoort. Hierna richten we ons op de banen in loondienst en inwoners met een baan in loondienst. De zelfstandigen blijven buiten beschouwing, omdat we kijken naar van werk tussen en binnen de stadsgewesten.

Banengroei verschilt naar beloning

Op basis van het van alle banen onderscheiden we vier loongroepen: hoogbetaalde, midden-hoogbetaalde, midden-laagbetaalde en laagbetaalde banen. In alle stadsgewesten samen zijn in de periode tussen 2001 en 2014 in elk van de vier onderscheiden loongroepen banen bijgekomen. Wel is het aantal hoogbetaalde banen het snelst toegenomen. Als we naar de 22 stadsgewesten afzonderlijk kijken, dan is er echter geen algemene trend zichtbaar. In sommige stadsgewesten was de banengroei juist het grootst aan de onderzijde van de loonverdeling ( Amsterdam, Den Haag en Geleen-Sittard). Ook is in enkele stadsgewesten het aantal banen in meerdere loongroepen afgenomen (in Haarlem en Maastricht zelfs in alle loongroepen).

Op basis van het loonniveau zijn alle banen in loondienst in Nederland verdeeld in vier gelijke groepen, waarbij de bovenste 25 procent de hoogbetaalde banen zijn en de onderste 25 procent de laagbetaalde banen. De figuur laat zien hoeveel procent van alle banen in alle stadsgewesten samen en in het geselecteerde stadsgewest behoort tot een van de vier loongroepen (100% = alle banen in loondienst per stadsgewest).

Relatief veel laag- of hoogbetaalde banen in stadsgewesten

In Nederland concentreren de best betaalde banen zich meer in de stadsgewesten dan daarbuiten. Vooral in Utrecht, Den Haag en Amsterdam zijn relatief veel hoogbetaalde banen, zelfs in vergelijking met de andere stadsgewesten. Maar dit geldt niet overal: in de stadsgewesten Heerlen, Enschede, Tilburg, Groningen en Maastricht is juist het aandeel laagbetaalde banen hoog. Voor de twee middengroepen van de loonverdeling zijn de verschillen tussen de stadsgewesten en de gemeenten daarbuiten en tussen de stadsgewesten onderling veel kleiner.

Op basis van het loonniveau zijn alle banen in Nederland verdeeld in vier gelijke groepen, waarbij de bovenste 25 procent de hoogbetaalde banen zijn en de onderste 25 procent de laagbetaalde banen. De figuur laat zien hoeveel procent van alle banen in alle stadsgewesten samen en in het geselecteerde stadsgewest behoort tot een van de vier loongroepen (100% = alle banen in loondienst per stadsgewest).

Profiteert iedereen van het succes van de stad?

In zijn boek The new geography of jobs beschrijft Moretti hoe de toename van het aantal hoogbetaalde banen in steden samengaat met een toename van laagbetaalde banen in sectoren die gevoelig zijn voor de lokale vraag, zoals consumentendiensten. Hij wijst op het zogenoemde trickle-down-effect: mensen met hoogbetaalde banen hebben meer te besteden en geven dat geld uit in lokale winkels en horeca. Zo ontstaan er ook meer en beter betaalde banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Ook in Nederlandse stadsgewesten met meer hoogbetaalde banen blijkt de beloning van laaggeschoold werk in de consumentendiensten hoger te zijn. Maar meer hoogbetaalde banen betekent niet overal meer laagbetaalde banen of meer kans op werk voor werklozen.

Meer hoogbetaalde banen gaan niet overal samen met meer laagbetaalde banen

Gemiddeld genomen is er in de Nederlandse stadsgewesten inderdaad een positieve samenhang tussen de toename van het aantal hoogbetaalde banen en het aantal laagbetaalde banen. In verschillende stadsgewesten is zowel het aantal hoog- als laagbetaalde banen toegenomen (o.a. Amsterdam, Eindhoven, Groningen). Of omgekeerd: daar waar het aantal hoogbetaalde banen is afgenomen, is ook het aantal laagbetaalde banen gedaald (Maastricht, Leeuwarden, Haarlem).

Maar niet in alle stadsgewesten gaat de groei van het aantal hoog- en laagbetaalde banen gelijk op. Zo nam in Utrecht het aantal laagbetaalde banen af, ondanks een sterke toename van het aantal hoogbetaalde banen. Hetzelfde gebeurde, in mindere mate, in Nijmegen, Den Bosch, Leiden en Enschede. En in Den Haag ging de afname van het aantal hoogbetaalde banen gepaard met een toename van het aantal laagbetaalde banen. We hebben niet onderzocht wat deze verschillen veroorzaakt, maar dit betekent wel dat meer hoogbetaald werk niet automatisch resulteert in meer werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Op basis van het loonniveau zijn alle banen in loondienst in Nederland verdeeld in vier gelijke groepen, waarbij de bovenste 25 procent de hoogbetaalde banen zijn en de onderste 25 procent de laagbetaalde banen.

Lonen van horeca- en winkelpersoneel hoger bij meer hoogbetaalde banen

Om te onderzoeken of de aanwezigheid van meer hoogbetaalde werknemers ook in de Nederlandse context leidt tot een hogere beloning van de banen die gevoelig zijn voor een gestegen lokale vraag, vergeleken we het loon van de werknemers met een baan in een stadsgewest met dat van hun buiten de stadsgewesten.

Hogere lonen in de grote steden

Ondanks de aanwezigheid van nationale cao’s in veel sectoren, bestaan er tussen gelijksoortige banen wel degelijk regionale loonverschillen. Werknemers met een baan in een van de vier grootste steden verdienen gemiddeld het meest, gevolgd door werknemers uit stadsgewesten in de nabijheid van deze steden. Daarna volgen de werknemers in de stadsgewesten buiten de Randstad.

In Leeuwarden, Enschede en Heerlen verdienen werknemers juist minder dan een vergelijkbare werknemer die buiten de stadsgewesten werkt. Dit komt waarschijnlijk omdat een deel van de niet-stedelijke gemeenten in de Randstad ligt; door de nabijheid tot de grote steden zijn de lonen daar dan hoger. Mogelijk zijn de lonen in Leeuwarden, Enschede en Heerlen wel (wat) hoger dan de lonen in de gemeenten die niet behoren tot het stadsgewest, maar die wel in dezelfde provincie liggen.

Banen in horeca en winkels beter betaald in steden met meer hoogbetaalde banen

Ook voor werknemers met verschilt de beloning tussen de stadsgewesten. Wel zijn de verschillen minder groot en is het patroon iets anders: terwijl in Amsterdam en Utrecht de beloning wederom het hoogst is, blijven de lonen voor deze banen in Den Haag achter bij die van de andere grote steden.

Uit een nadere analyse blijkt dat het loonniveau van werknemers met een trickle-down-gevoelige baan inderdaad hoger is in de stadsgewesten met meer hoogbetaalde banen (lees meer op p. 87 in De verdeelde triomf). Als het aandeel hoogbetaalde banen in een stadsgewest zou stijgen van het niveau van het stadsgewest met het laagste aandeel (19,5 procent) naar dat met het hoogste niveau (34,5 procent), zou het loon van werknemers in de consumentendiensten namelijk met ruim 5 procent toenemen.

Deze figuur toont voor elk stadsgewest hoeveel procent hoger het brutojaarloon is van een werknemers in een stadsgewest in vergelijking met dat van hun evenbeeld werkzaam in een gemeente buiten de stadsgewesten.

Andere oorzaken voor regionale loonverschillen

Het aandeel hoogbetaalde banen is slechts een van de mogelijke oorzaken van regionale loonverschillen. Een andere mogelijke verklaring, die we hier niet hebben onderzocht, is bijvoorbeeld dat de kosten voor levensonderhoud hoger zijn, en dan vooral de , in Amsterdam en de andere stadsgewesten in de Randstad. Ook kunnen werknemers in de grote steden, waar veel meer mensen een vergelijkbare baan hebben, vaak uitvoeren dan werknemers met een vergelijkbare baan buiten de grote steden. De vaardigheden van werknemers in stedelijke gebieden sluiten vaak beter aan bij hun werkzaamheden dan die van werknemers in minder dichtbevolkte gebieden, ook als wordt gecorrigeerd voor verschillen in persoonskenmerken.

Werklozen profiteren niet van de banengroei

Als het aantal banen in de stad sneller toeneemt dan de omvang van de (potentiële) beroepsbevolking, vergroot dat in principe de mogelijkheden voor werkloze inwoners om een baan te vinden. Toch is in de stadsgewesten waar in de periode 1999-2014 het aantal banen per hoofd van de beroepsbevolking is toegenomen, het aandeel niet afgenomen, maar juist gestegen.

De algemene toename van de werkloosheid in Nederland een paar jaar na de financiële crisis van 2008 heeft in alle stadsgewesten tot een hoger aandeel werklozen geleid. Het is echter niet zo dat die toename minder was in de stadsgewesten met meer banengroei. Zo is in de drie stadsgewesten waar het aantal banen is gedaald (Den Haag, Haarlem en Utrecht) de werkloosheid minder snel gestegen dan in de stadsgewesten met de grootste banengroei (Apeldoorn, Zwolle).

Aantal banen en werkloosheid zijn berekend ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking.

Baankansen voor werklozen in de stadsgewesten vaak lager

In de stadsgewesten zijn meer banen. Toch hebben werkloze inwoners in de meeste stadsgewesten geen grotere dan de werklozen die buiten de stadsgewesten wonen. Dit geldt voor zowel werklozen met een ww-uitkering als voor bijstandsontvangers.

In de meeste stadsgewesten zijn de kansen voor bijstandsontvangers beperkter dan voor ww-ontvangers. Ww-ontvangers uit Utrecht, Haarlem en Leiden hebben bijvoorbeeld een grotere kans op een baan dan werklozen die buiten de stadgewesten wonen. Maar dat geldt niet voor de bijstandsontvangers uit die stadsgewesten.

Deze figuur toont voor elk stadsgewest hoeveel procent de kans op een baan voor een ww- of bijstandsontvanger verschilt tussen degenen die in een van de stadsgewesten wonen en hun evenbeelden die in een van de gemeenten buiten de stadsgewesten wonen.

Oorzaken van lagere baankans van werklozen

In Amsterdam en Rotterdam en in de drie stadsgewesten in Zuid-Limburg is de kans op een baan voor ww- én bijstandsontvangers het laagst. De beperkte mogelijkheden voor werklozen in Limburg zijn niet vreemd; het aantal banen neemt daar ook af. Dat is echter niet zo in Amsterdam en Rotterdam.

De lagere banenkansen voor werkloze Amsterdammers en Rotterdammers kunnen verschillende oorzaken hebben. In die stadsgewesten wonen relatief veel werklozen (zie figuur 5.3 in De verdeelde triomf) waardoor er ook meer concurrentie om banen is. Maar ook de van vooral laagopgeleiden kan een rol spelen: doordat mensen met een middelbare of hogere opleiding banen onder hun niveau accepteren, zijn de kansen voor laagopgeleiden daar kleiner. Bovendien vangen grotere steden meer mensen op voor wie de kansen op de arbeidsmarkt lager zijn dan gemiddeld, zoals verslaafden, ex-gedetineerden of asielzoekers.

Werknemers in de stad vaker forens

De cijfers hiervoor laten zien dat de banengroei in de steden niet per se ten goede komt aan de bestaande (laagbetaalde en werkloze) inwoners. Wel neemt het aantal werknemers dat van buiten het stadsgewest komt toe (forensen). Mogelijk vangen zij de banengroei op.

Gemiddeld genomen is het aandeel forensen in bijna alle stadsgewesten tussen 2001 en 2014 gestegen.

Alleen in Den Haag en Haarlem is het iets gedaald en in Utrecht bijna gelijk gebleven. In Den Haag en Haarlem komt dit waarschijnlijk door de afname van het aantal banen daar. In Utrecht daarentegen is het aantal banen wél sterk toegenomen. De banengroei daar is vooral opgevangen door werknemers die naar het stadsgewest zijn verhuisd (zie p. 91 in De verdeelde triomf).

Laagbetaalden zijn over grotere afstanden gaan pendelen

In vergelijking met de werknemers met een hoogbetaalde baan, woont een veel kleiner aandeel van de werknemers met een . Maar in alle stadsgewesten is dit aandeel wel toegenomen. We hebben de oorzaak daarvan niet onderzocht, maar mogelijk spelen ontwikkelingen op de woningmarkt een rol: door de sterk gestegen huizenprijzen en de verkoop van sociale huurwoningen is de kans op een betaalbare woning voor huishoudens met een laagbetaalde baan afgenomen.

Bij de werknemers met een hoogbetaalde baan varieert de ontwikkeling van het aandeel forensen per stadsgewest. In alle stadsgewesten samen is het aandeel van deze groep forensen min of meer gelijk gebleven. In Den Haag, Utrecht, Haarlem en Amsterdam is het aandeel gedaald; de hoogbetaalde werknemers daar wonen nu dus vaker in het stadsgewest zelf. In Rotterdam (als enige van de vier grote steden) is het aandeel forensen onder de werknemers met hoogbetaalde banen juist toegenomen. Dit is ook zo in de stadsgewesten Geleen-Sittard, Eindhoven, Apeldoorn en Zwolle.

Wordt het verschil tussen arm en rijk groter?

Volgens socioloog Saskia Sassen profiteren inwoners van de stad niet evenredig van zijn succes. De huidige toename van het aantal veelverdieners in steden zou juist leiden tot meer sociaal-economische ongelijkheid; armen zijn daar immers traditioneel sterker vertegenwoordigd. Deze toenemende ongelijkheid zou zich ook vertalen in een toenemende ruimtelijke segregatie van de haves en have-nots.

Hoewel , is de loonongelijkheid in de Nederlandse stadsgewesten én hun centrumgemeenten de laatste jaren licht gestegen. Die toenemende ongelijkheid uit zich in polarisatie: de beloning van de veelverdieners is sneller gestegen dan die van de minst verdienenden. Maar qua inwonersamenstelling is de polarisatie beperkt. In de meeste stadsgewesten wonen vooral steeds meer veelverdieners, terwijl de toename van het aantal minder verdienenden achterblijft.

De toenemende ongelijkheid in de centrumgemeenten betekent evenwel niet dat arme en rijke inwoners overal meer ruimtelijk gescheiden of gesegregeerd van elkaar wonen. Alleen de segregatie van de minst verdienenden is overal toegenomen. Bij de andere groepen (veelverdieners, bijstandsontvangers) verschilt de ontwikkeling per centrumgemeente.

Loonongelijkheid neemt toe

Sinds 2001 is de in Nederland iets toegenomen. Deze toenemende loonongelijkheid zien we terug in alle 22 stadsgewesten. Tussen 2006 en 2014 is de ongelijkheid het meest toegenomen in Noord-Brabant (Eindhoven, Breda en Den Bosch), Amsterdam en Nijmegen.

De centrumgemeenten laten een vergelijkbare ontwikkeling zien. Wel is de loonongelijkheid daar iets sterker toegenomen dan in de stadsgewesten. Vooral in Haarlem is het verschil groot. Het niveau van de loonongelijkheid is in de meeste centrumgemeenten vergelijkbaar met dat op stadsgewestniveau. Alleen in Utrecht en Haarlem is de loonongelijkheid in de gemeente lager dan in het stadsgewest, terwijl voor Amsterdam het omgekeerde geldt.

De waarde van de Gini-coëfficiënt varieert tussen 0 en 1. Hoe hoger de waarde, hoe groter de ongelijkheid. De waarden voor de periode 2001-2005 kunnen niet direct worden vergeleken met die voor de periode 2006-2012, omdat de gehanteerde loongegevens van het CBS zijn gebaseerd op twee verschillende bronnen. Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. De gevolgen hiervan zijn niet voor elke loongroep hetzelfde waardoor de hoogte van de Gini-coëfficiënt en de ratiomaten na die periode wijzigt.
De waarde van de Gini-coëfficiënt varieert tussen 0 en 1. Hoe hoger de waarde, hoe groter de ongelijkheid. De waarden voor de periode 2001-2005 kunnen niet direct worden vergeleken met die voor de periode 2006-2012, omdat de gehanteerde loongegevens van het CBS zijn gebaseerd op twee verschillende bronnen. Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. De gevolgen hiervan zijn niet voor elke loongroep hetzelfde waardoor de hoogte van de Gini-coëfficiënt en de ratiomaten na die periode wijzigt.

Polarisatie in beloning

De toenemende loonongelijkheid tussen inwoners uit zich ook in binnen het stadsgewest: het verschil in loon van de hoog- en laagbetaalde stadsgewestinwoners is in de afgelopen jaren overal groter geworden.

Hoewel deze ontwikkeling in lijn is met de nationale trend, verschilt de mate waarin de beloning van de 25 procent veel- en weinigverdieners uiteen zijn gaan lopen wel per stadsgewest. In de periode 2001-2005 nam de polarisatie het meest toe in Haarlem en Maastricht, terwijl dit in de tweede periode zo was in Den Haag, Utrecht, Den Bosch, Amsterdam en Eindhoven. In de stadsgewesten Leeuwarden, Dordrecht, Groningen, Nijmegen en Geleen-Sittard was de polarisatie tussen 2006 en 2014 juist lager dan het nationaal gemiddelde.

Zowel in Nederland als geheel als in alle 22 stadsgewesten is het verschil in loon tussen de veel- en weinigverdieners sterker toegenomen als we de beloning van de 10 procent meest en minst verdienenden vergelijken. Tussen 2006 en 2014 namen de verschillen het hardst toe in Eindhoven en Den Bosch, op de voet gevolgd door Den Haag, Amsterdam en Utrecht, en het minst in Geleen-Sittard en Dordrecht.

In 2014 is het verschil tussen de twee uitersten van de loonverdeling het grootst in het stadsgewest Amsterdam en het kleinst in Leeuwarden. De verschillen tussen de stadsgewesten zijn echter beperkt: in Amsterdam is de beloning van de 25 procent meest verdienenden dan die van de 25 procent minst verdienenden, terwijl het verschil in Leeuwarden 1,6 keer is. Voor de 10 procent meest en minst verdienenden is die verhouding 3,3 in Amsterdam en 2,6 in Leeuwarden.

Als we inzoomen op de centrumgemeenten dan zijn de patronen grotendeels vergelijkbaar. Wel is tussen 2006 en 2014 in de meeste centrumgemeenten het verschil in beloning van de veel- en weinigverdieners sterker toegenomen dan in het stadsgewest als geheel. Dat is vooral het geval in Haarlem en Leiden, en in mindere mate ook in Amsterdam, Den Haag en Eindhoven. Alleen in Nijmegen is de polarisatie op gemeenteniveau juist wat minder.

Ook op gemeenteniveau is in Den Haag het verschil in beloning van de 25 procent meest en minst verdienende inwoners het sterkst toegenomen. Als we echter inzoomen op het verschil tussen de 10 procent veel- en weinigverdieners, dan is de toename in Den Haag en Amsterdam vergelijkbaar. In 2014 is het verschil voor beide groepen veel- en weinigverdieners het grootst in de gemeente Amsterdam. De verschillen zijn wat kleiner in de gemeenten in het noorden en in Heerlen en Tilburg. Wat opvalt, is dat het verschil in de gemeente Amsterdam het grootst is en in Almere relatief laag, terwijl beide gemeenten tot hetzelfde stadsgewest behoren.

Deze figuur vergelijkt de beloning van de 25 procent meest en 25 procent minst verdienden en van de 10 procent meest en minst verdienenden in elk van de stadsgewesten. Hoe hoger de waarde, hoe groter het verschil. De waarden voor de periode 2001-2005 kunnen niet direct worden vergeleken met die voor de periode 2006-2012, omdat de gehanteerde loongegevens van het CBS zijn gebaseerd op twee verschillende bronnen. Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. De gevolgen hiervan zijn niet voor elke loongroep hetzelfde waardoor de hoogte van de Gini-coëfficiënt en de ratiomaten na die periode wijzigt.
Deze figuur vergelijkt de beloning van de 25 procent meest en 25 procent minst verdienden en van de 10 procent meest en minst verdienenden in elk van de stadsgewesten. Hoe hoger de waarde, hoe groter het verschil. De waarden voor de periode 2001-2005 kunnen niet direct worden vergeleken met die voor de periode 2006-2012, omdat de gehanteerde loongegevens van het CBS zijn gebaseerd op twee verschillende bronnen. Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. De gevolgen hiervan zijn niet voor elke loongroep hetzelfde waardoor de hoogte van de Gini-coëfficiënt en de ratiomaten na die periode wijzigt.
Deze figuur vergelijkt de beloning van de 25 procent meest en 25 procent minst verdienden en van de 10 procent meest en minst verdienenden in elk van de stadsgewesten. Hoe hoger de waarde, hoe groter het verschil. De waarden voor de periode 2001-2005 kunnen niet direct worden vergeleken met die voor de periode 2006-2012, omdat de gehanteerde loongegevens van het CBS zijn gebaseerd op twee verschillende bronnen. Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. De gevolgen hiervan zijn niet voor elke loongroep hetzelfde waardoor de hoogte van de Gini-coëfficiënt en de ratiomaten na die periode wijzigt.
Deze figuur vergelijkt de beloning van de 25 procent meest en 25 procent minst verdienden en van de 10 procent meest en minst verdienenden in elk van de stadsgewesten. Hoe hoger de waarde, hoe groter het verschil. De waarden voor de periode 2001-2005 kunnen niet direct worden vergeleken met die voor de periode 2006-2012, omdat de gehanteerde loongegevens van het CBS zijn gebaseerd op twee verschillende bronnen. Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. De gevolgen hiervan zijn niet voor elke loongroep hetzelfde waardoor de hoogte van de Gini-coëfficiënt en de ratiomaten na die periode wijzigt.

Beloning veelverdieners sneller gestegen

Het verschil in beloning van de inwoners met de hoogst en de laagst betaalde banen in de stadsgewesten en centrumgemeenten is toegenomen. Dit zegt echter niets over hoe de beloning van deze twee groepen zich heeft ontwikkeld. Neemt het verschil toe omdat de onderkant steeds minder is gaan verdienen? Om die vraag te beantwoorden, is de ontwikkeling van de loongrenzen tussen 2006 en 2014 die horen bij de meest en minst verdienenden in beeld gebracht.

Daaruit blijkt dat de polarisatie niet is toegenomen omdat de beloning van de onderkant (25 en 10 procent minst verdienenden) wegzakt, maar omdat in alle stadsgewesten en centrumgemeenten de beloning van de bovenkant (25 en 10 procent meest verdienenden) sneller is gestegen dan die van de onderkant. Die groei deed zich vooral voor in de periode 2006 tot en met 2009. Na 2009 bleef de beloning van de hoogst betaalden tot 2012 min of meer stabiel, terwijl de beloning van de minst verdienenden licht daalde (vooral voor de onderste 10 procent). In de meeste stadsgewesten en centrumgemeenten was het loonniveau van de laagbetaalden in 2012 nog boven het niveau van 2006. Alleen in Den Haag (zowel in het stadsgewest als in de centrumgemeente) en de gemeente Maastricht was dat niet het geval.

Na 2012 is dit veranderd ten nadele van de weinigverdieners. Tussen 2013 en 2014 is de beloning van de 25 procent minst verdienenden in de meeste stadsgewesten wederom gedaald, terwijl het loon van de 25 procent meest verdienenden stabiel bleef of juist licht steeg. In meerdere stadsgewesten ervaarden de 10 procent meest verdienenden wél een lichte afname in beloning, maar de beloning van de minst verdienenden is nog sterker gedaald. Hierdoor neemt de laatste jaren het loonverschil tussen de twee uitersten toch toe, hoewel het om zeer kleine veranderingen gaat.

In de centrumgemeenten is de trend na 2012 vergelijkbaar. In stadsgewest Den Haag, Groningen, Den Haag en Amsterdam is het verschil in ontwikkeling van de boven- en onderzijde sinds 2012 het grootst. Dat geldt ook voor de centrumgemeenten.

Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. Hierdoor kunnen de lonen van voor en na 2013 niet direct met elkaar worden vergeleken.
Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. Hierdoor kunnen de lonen van voor en na 2013 niet direct met elkaar worden vergeleken.
Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. Hierdoor kunnen de lonen van voor en na 2013 niet direct met elkaar worden vergeleken.
Vanaf 1 januari 2013 geldt het uniforme loonbegrip. Hierdoor kunnen de lonen van voor en na 2013 niet direct met elkaar worden vergeleken.

Steeds meer veelverdieners

Naast een toename van de beloningsverschillen tussen hoog- en laagverdieners (‘de polen lopen uiteen’), kan polarisatie zich ook uiten in een toenemend aantal inwoners dat tot die uitersten behoort (‘de polen worden groter’). In alle stadsgewesten samen doet zo’n ontwikkeling zich tussen 2001 en 2014 niet voor. Vooral het aantal stadsgewestinwoners met een hoogbetaalde baan is toegenomen. Maar de groei van het aantal inwoners met een laagbetaalde baan is min of meer vergelijkbaar met die van de twee middengroepen.

Slechts in drie stadsgewesten is wel enige polarisatie zichtbaar onder de werkende stadsgewestbewoners: Amsterdam, Haarlem en Eindhoven. Daar zijn de beide uitersten sneller in omvang toegenomen dan de middengroepen. In Utrecht en Den Bosch daarentegen, is vooral het aantal meest verdienenden gestegen, terwijl de groei van de inwoners met een laagbetaalde baan achterblijft. In enkele stadsgewesten (Heerlen, Geleen-Sittard, Maastricht, Leeuwarden en Apeldoorn) is het aantal inwoners met een hoogbetaalde baan gedaald in plaats van gestegen.

Nog altijd weinig laagbetaalden

De toename van het aantal inwoners met een laagbetaalde baan in Amsterdam, Haarlem en Eindhoven heeft er niet toe geleid dat deze groep in 2014 is oververtegenwoordigd in deze stadsgewesten. In 2014 is het aandeel inwoners met een laagbetaalde baan in de drie stadsgewesten nog altijd lager dan 25 procent, het landelijk gemiddelde.

Op basis van het loonniveau zijn alle banen in Nederland verdeeld in vier gelijke groepen, waarbij de bovenste 25 procent de hoogbetaalde banen zijn en de onderste 25 procent de laagbetaalde banen. Deze figuur toont de procentuele groei van het aantal inwoners met een baan in loondienst voor elk van de vier loongroepen in heel Nederland, in alle stadsgewesten samen en in het geselecteerde stadsgewest.
Op basis van het loonniveau zijn alle banen in Nederland verdeeld in vier gelijke groepen, waarbij de bovenste 25 procent de hoogbetaalde banen zijn en de onderste 25 procent de laagbetaalde banen. De figuur laat zien hoeveel procent van alle inwoners in loondienst in alle stadsgewesten samen en in het geselecteerde stadsgewest een baan heeft die tot een van de vier groepen banen behoort (100% = alle inwoners in loondienst per stadsgewest).

Arm en rijk verder van elkaar verwijderd

Door toenemende ongelijkheid en polarisatie nemen de verschillen tussen inwoners toe. Dat kan betekenen dat de verschillende groepen inwoners steeds meer in andere buurten gaan wonen. Bijvoorbeeld omdat niet iedereen dezelfde woonvoorkeuren heeft. De (ruimtelijke) neemt dan toe.

Wel is tussen 2001 en 2014 de ruimtelijke uitsortering van de inwoners met de hoog- en de laagbetaalde banen in de meeste centrumgemeenten toegenomen. Alleen in de gemeenten Sittard-Geleen, Zwolle, Enschede, Utrecht en in lichte mate Amsterdam is de verdeling van de inwoners met hoogbetaalde banen over de buurten in 2014 juist meer gelijk aan die van alle andere inwoners met een baan in loondienst dan in 2001. Zij wonen dus meer gelijkmatig verspreid over de buurten van deze gemeenten.

Hoewel de mate van segregatie van de inwoners met een laagbetaalde baan in elke centrumgemeente is toegenomen, wonen deze inwoners in 2014 nog altijd meer gelijkmatig verspreid over de buurten van de centrumgemeenten dan de inwoners met hoogbetaalde banen. Dit heeft vermoedelijk vooral te maken met de grotere keuzevrijheid op de woningmarkt van mensen met een hoger loon en hun voorkeur voor het wonen in buurten met mensen met een vergelijkbare loonpositie.

De ontwikkeling van de segregatie van bijstandsontvangers verschilt sterk per centrumgemeente. In Almere, Den Haag en Apeldoorn is de verdeling van de bijstandsontvangers over de buurten van die gemeenten in 2014 meer vergelijkbaar met die van alle andere inwoners die behoren tot de potentiële beroepsbevolking. Het omgekeerde geldt voor Maastricht, Leeuwarden, Amsterdam, Haarlem en Utrecht. Behalve in Amsterdam is de segregatie van bijstandsontvangers in alle centrumgemeenten hoger dan die van inwoners met laagbetaalde banen. Door hun lage inkomen zijn bijstandsontvangers aangewezen op sociale woningbouw en niet in elke buurt zijn evenveel van dit soort woningen beschikbaar.

Deze figuur laat zien wat de waarde van de segregatie-index is in 2014. De waarde van de segregatie-index varieert tussen 0 en 1. Hoe hoger de waarde, hoe minder de verdeling van de bevolkingsgroep over de buurten van de gemeente overeenkomt met die van alle andere inwoners (alleen werkenden of iedereen tussen 15 en 64 jaar). De analyse is beperkt tot de buurten met minimaal 200 inwoners. Inwoners met een hoogbetaalde baan ontvangen een brutojaarloon dat behoort tot de 25 procent hoogst betaalde banen in loondienst in Nederland, en inwoners met een laagbetaalde baan behoren tot 25 procent laagst betaalde banen.
Deze figuur laat zien met hoeveel procent de segregatie-index van de centrumgemeente is veranderd tussen 2001 en 2014. Een toename geeft aan dat de segregatie van de betreffende groep is gestegen. De verdeling van deze bevolkingsgroep over de buurten van de gemeente komt minder overeen met die van alle andere inwoners (alleen werknemers in loondienst of iedereen tussen 15 en 64 jaar). De analyse is beperkt tot de buurten met minimaal 200 inwoners in beide jaren. Inwoners met een hoogbetaalde baan hebben een brutojaarloon dat behoort tot de 25 procent hoogst betaalde banen in loondienst in Nederland, en inwoners met een laagbetaalde baan een brutojaarloon dat behoort tot de 25 procent laagst betaalde banen.

Oorzaken voor verandering in segregatie

De oorzaken van de verandering in de ruimtelijke uitsortering van de hoog- en laagbetaalden en bijstandsontvangers zijn niet onderzocht, maar het is belangrijk te beseffen dat deze zeer divers kunnen zijn. Zo hoeft een verandering in segregatie niet voort te komen uit meer verhuizingen binnen de stad. In veel gemeenten is bijvoorbeeld het aantal bijstandsontvangers in deze periode gedaald, waardoor het aandeel bijstandsontvangers in veel buurten is afgenomen. De mate van segregatie van deze groep daalt hierdoor weliswaar, maar de bijstandsontvangers wonen nog altijd veelal in dezelfde buurten.

Ook kunnen een rol spelen bij ruimtelijke segregatie. Door hun lage inkomen zijn bijstandsontvangers en inwoners met laagbetaalde banen meer aangewezen op goedkope woningen en sociale huurwoningen. Vanwege het dalende aanbod van sociale huurwoningen en stijgingen in de prijzen van woningen is hun keuzevrijheid in de afgelopen jaren verder afgenomen.

Tot slot is de toe- of afname van de segregatie van een groep inwoners relatief en hangt deze dus ook samen met veranderingen in de woonlocatie van andere inwoners. Denk bijvoorbeeld aan het fenomeen gentrificatie: de komst van inwoners met een hoogbetaalde baan naar buurten waar zij voorheen niet naar een woning zochten en waar voornamelijk inwoners met laagbetaalde banen woonden.

Segregatie op de kaart

De segregatie-index laat niet zien in welke buurten de verschillende groepen inwoners wonen. Liggen die buurten verspreid over de stad of concentreren ze zich in bepaalde delen van de stad? En hoe is dit patroon in de tijd veranderd? Wonen ze nu in andere buurten dan voorheen? Om die vragen te beantwoorden is voor alle centrumgemeenten en voor elk jaar het aandeel inwoners met een laag- en een hoogbetaalde baan en het aandeel bijstandsontvangers per buurt op de kaart gezet.

Door de balk onderaan met de muis te bewegen wordt de verandering in het aandeel inwoners met een hoog- en laagbetaalde baan in elke buurt (indeling 2012) van de centrumgemeente in beeld gebracht. Voor elk jaar is het aantal inwoners met een hoog- en laagbetaalde baan afgezet tegen alle andere inwoners van de buurt met een baan in loondienst. Inwoners met een hoogbetaalde baan hebben een brutojaarloon dat behoort tot de 25 procent hoogst betaalde banen in loondienst in Nederland, en inwoners met een laagbetaalde baan een brutojaarloon dat behoort tot de 25 procent laagst betaalde banen. Alleen buurten met meer dan 200 inwoners in loondienst worden getoond.
Door de balk onderaan met de muis te bewegen wordt de verandering in het aandeel inwoners met een bijstandsuitkering in elke buurt (indeling 2012) in de centrumgemeente in beeld gebracht. Voor elk jaar is het aantal inwoners met een bijstandsuitkering afgezet tegen alle andere inwoners in de buurt die behoren tot de potentiële beroepsbevolking (15-64 jaar). Alleen buurten met meer dan 200 inwoners tussen 15 en 64 jaar worden getoond.

Is toenemende ongelijkheid of segregatie een probleem?

De berichtgeving over (toenemende) ongelijkheid en segregatie wekt vaak de suggestie dat dit een probleem is waar de overheid hoort in te grijpen. Voor een effectief beleid is het echter van belang wat langer stil te staan bij de vraag waarom en wanneer stedelijk-economische ongelijkheid en segregatie problematisch zijn. Door alleen ongelijkheid centraal te stellen – zoals de laatste tijd vaak gebeurt – kunnen andere zaken over het hoofd worden gezien die eveneens van belang zijn (SCP 2014). Wanneer zijn ongelijkheid en segregatie onaanvaardbaar? Heeft ongelijkheid negatieve effecten of is zij op zichzelf beschouwd onrechtvaardig?

Onduidelijkheid over negatieve gevolgen

Een belangrijke reden waarom (toenemende) ongelijkheid en segregatie onacceptabel kunnen zijn, is omdat ze negatieve gevolgen hebben voor maatschappelijke doelen zoals economische groei, sociale stabiliteit, gezondheid en democratie, en om die reden moeten worden voorkómen en verminderd. Maar er is nog veel onduidelijkheid over die effecten. Meerdere studies laten zien dat er een samenhang bestaat tussen de mate van economische ongelijkheid en bijvoorbeeld gezondheidsproblemen (Wilkinson & Pickett 2009) of economische groei in landen en steden (Stiglitz 2012), maar het empirisch bewijs voor die relatie is niet sterk (De Dominicis et al. 2008; Leigh et al. 2009). Bovendien is het de vraag wat dit precies veroorzaakt. Komt dit door de grotere ongelijkheid, of liggen hier andere factoren aan ten grondslag (bijvoorbeeld slechte voeding, toegang tot onderwijs, corruptie)?

Ook over de negatieve gevolgen van segregatie is veel onduidelijkheid. Zorgt het wonen in een bepaalde buurt ervoor dat iemand minder inkomen heeft of wonen mensen met een lager inkomen nu eenmaal vaker bij elkaar in de buurt omdat daar de goedkopere woningen staan? Anders gezegd, is er sprake van een echt buurteffect of komt dit door de specifieke kenmerken van mensen in die buurten (Boschman 2015)? Het is dan ook de vraag of het verminderen van de segregatie door menging te stimuleren iemands sociaal-economische positie daadwerkelijk zal verbeteren (Permentier et al. 2013).

Voor beleid dat de negatieve gevolgen van ongelijkheid en segregatie wil voorkomen, is daarom meer inzicht in de precieze causale mechanismen van belang, anders bestaat het risico dat het beleid zich niet richt op de daadwerkelijke oorzaak.

Verschillende morele perspectieven op ongelijkheid

Ook ongelijkheid en segregatie op zich, dus ongeacht hun maatschappelijke gevolgen, kunnen als een probleem worden beschouwd en daarmee op zichzelf een reden zijn voor overheidsingrijpen. Veel van de recent verschenen studies naar ongelijkheid roepen op tot het tegengaan hiervan (zie bijvoorbeeld Atkinson 2015; Piketty 2014; Wilkinson & Pickett 2009). Zij beoordelen – bewust of onbewust - ongelijkheid daarmee uit het morele perspectief van ‘egalitaire rechtvaardigheid’: een verdeling is pas ‘eerlijk’ als iedereen een gelijk aandeel heeft.

Maar er zijn ook perspectieven die ongelijkheid niet per definitie als onrechtvaardig beschouwen (Frankfurt 1997; De Vos 2012). Mensen verschillen: niet iedereen beschikt over dezelfde vaardigheden en talenten, heeft dezelfde ambities of maakt dezelfde keuzes. Oftewel, mensen zijn per definitie verschillend en daarmee ongelijk. Dit perspectief streeft daarom niet naar gelijke resultaten – dat wordt als praktisch onmogelijk gezien en gaat in tegen de persoonlijke vrijheid van mensen –, maar naar gelijke kansen. Er bestaat : ongelijkheid is ‘goed’ zolang deze de verschillen in menselijke vaardigheden, ambities en keuzes reflecteert, maar ‘slecht’ als deze het gevolg is van een gebrek aan gelijke kansen tot ontwikkeling. Ongelijkheid is dus niet hetzelfde als onrechtvaardigheid.

Deze verschillende morele perspectieven op ongelijkheid leiden tot heel andere beleidskeuzes. Beleid volgens de principes van het eerste perspectief richt zich vooral op herverdeling van bijvoorbeeld inkomen. Volgens het tweede perspectief is het beleidsdoel het creëren van . Bijvoorbeeld: de kans dat iemand naar de universiteit gaat moet niet afhangen van de sociaal-economische positie van de ouders of de buurt waarin iemand is opgegroeid, maar van individuele talenten en inzet.

Relatieve versus absolute armoede

Tot slot is het belangrijk een onderscheid te maken tussen relatieve en absolute armoede. Ongelijkheid (relatieve armoede) zegt niets over de levensstandaard van individuen. De onderstaande figuur illustreert dit. Hoewel het relatieve verschil in bezittingen (de munten), en daarmee de ongelijkheid, tussen persoon A en B kleiner is in de situatie rechts dan in de situatie links, is het bezit van persoon B in de situatie rechts dusdanig laag dat deze persoon onder de armoedegrens leeft. Maar ook het omgekeerde geldt: een grote mate van ongelijkheid betekent niet automatisch dat een groot aantal mensen onder de armoedegrens leeft (situatie links).

Deze figuur toont drie fictieve situaties waarin twee personen (A en B) een verschillend aantal munten bezitten. Hoe groter het verschil in aantal munten, hoe groter de ongelijkheid tussen A en B. viz141s_rv15

Voor beleidsmakers is het daarom belangrijk te bepalen wat het probleem is dat ze willen tegengaan: dat sommigen geen acceptabele levensstandaard genieten, of dat de een in vergelijking met de ander meer rijkdom heeft? Dat er in alle buurten een voldoende voorzieningenniveau is (denk aan groen in de wijk of de bereikbaarheid van het centrum met het openbaar vervoer), of dat er in de ene buurt betere voorzieningen zijn dan in de andere buurt? Beleid waarin het bestrijden van armoede centraal staat, richt zich op het zorgen dat niemand een fundamenteel tekort heeft aan datgene wat nodig is (voedsel, onderdak, groen in de buurt, maar ook kansen op ontwikkeling) voor een minimaal bestaansniveau. Wat en hoeveel daarvoor nodig is, is niet afhankelijk van . Overigens vraagt bijstand geven aan de armsten vaak om herverdeling van bezittingen, ook volgens het perspectief van ‘eerlijke’ ongelijkheid. Echter, herverdeling is dan alleen een middel, niet het doel (De Vos 2015).

  • Boschman, S. (2015), Selective mobility, segregation and neighborhood effects, Delft: DUP.
  • De Dominicis, L., R.J.G.M. Florax & H.L.F. de Groot (2008), A meta-analysis on the relationship between income inequality and economic growth, Scottish Journal of Political Economy 55(5), pp. 654-682.
  • Frankfurt, H. (1997), Equality and respect, Social Research 64, pp. 3-15.
  • Leigh, A., C. Jencks & T.M. Smeeding (2009), ‘Health and economic inequalities’, Hoofdstuk 16 in: Salverda, W., Nolan, B. & T.M. Smeeding (eds.) The Oxford handbook of economic inequality, Oxford: Oxford University Press, pp. 384-405.
  • Permentier, M., J. Kullberg & L. van Noije (2013), Werk aan de wijk. Een quasi-experimentele evaluatie van het Krachtwijkenbeleid, Den Haag: SCP.
  • SCP (2014), Verschil in Nederland – Sociaal en Cultureel Rapport 2014, Den Haag: SCP.
  • Stiglitz, J. (2012), The price of inequality. How today’s divided society endangers our future, New York: Norton.
  • Vos, M. de (2015), Ongelijk maar fair. Waarom onze samenleving ongelijker is dan we vrezen maar echtvaardiger dan we hopen, Tielt: LannooCampus.
  • Wilkinson, R. & K. Pickett (2009), The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better. London: Allen Lane.

Verdiepende informatie

Dit onderzoek is gebaseerd op de volgende boeken:

  • Glaeser, E.L. (2011), The triumph of the city. How our greatest invention makes us richer, smarter, greener, healthier and happier, New York: Penguin.
  • Moretti, E. (2012), The new geography of jobs, New York: HMH Books.
  • Sassen, S. (2006), Cities in a world economy, 3rd edition, Thousand Oaks: Pine Forge Press.

Het PBL publiceert regelmatig over regionale verschillen in economische ontwikkeling en de situatie op de arbeidsmarkt in de verschillende Nederlandse regio’s. Hier een kleine selectie van relevante publicaties:

Voetnoten