Planbureau voor de Leefomgeving
De studie 'Aanpassen of verkassen?' (mei 2019) is onderdeel van een breder PBL-project naar het langer zelfstandig wonen van ouderen. Voor meer informatie over dit project: femke.daalhuizen@pbl.nl
Carola de Groot
Marieke van der Staak
Femke Daalhuizen
George de Kam

Aanpassen of verkassen? Langer zelfstandig in een geschikte woning

Project Langer Zelfstandig Wonen van Ouderen

Laatst gewijzigd op 27 mei 2019

Ouderen wonen steeds langer zelfstandig. Om ook thuis te kunnen blijven wonen als de lichamelijke beperkingen toenemen, is het soms nodig dat ouderen hun woning aanpassen of dat ze verhuizen.

In deze notitie nemen we die aanpassingsopgave en de behoefte aan vernieuwende woonconcepten onder de loep.  Hoe groot zijn deze opgaven en hoe makkelijk zijn deze opgaven te realiseren gezien de organisatorische, beleidsmatige en financiële knelpunten en de attitudes van ouderen? Deze notitie is onderdeel van een breder onderzoek van het PBL naar het langer zelfstandig wonen van ouderen, de knelpunten en opgaven die daarmee samenhangen en de oplossingsrichtingen die daarbij voorhanden zijn.

Inleiding

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wonen ouderen steeds langer zelfstandig, óók als de beperkingen toenemen. Inmiddels gaat het om zo’n 3,2 miljoen 65-plussers, waarvan 1,2 miljoen 75-plussers. Naar verwachting wonen in 2040 zo’n 2,5 miljoen 75-plussers zelfstandig thuis.

In dit artikel beschouwen we de woonsituatie van 65-plussers, omdat zij in het algemeen (nog) in de gelegenheid zijn om te anticiperen op mogelijke toekomstige beperkingen. Vooral boven de 75 neemt de kans op gebreken toe. In 2015 had ongeveer 80 procent van de 75-plussers twee of meer chronische aandoeningen.

Het hebben van (chronische) aandoeningen betekent niet meteen dat ouderen zich ook gehinderd voelen in hun dagelijks functioneren (RIVM 2018), laat staan dat hun woning gelijk niet meer voldoet. Maar vooral bij ouderen met (een risico op) lichamelijke problemen, dus bijvoorbeeld betreffende het bewegingsapparaat, gehoor of zichtvermogen, kan een ongeschikte woning tot problemen leiden (Leidelmeijer et al. 2017).

Ouderen zijn doorgaans weinig bereid om te investeren in hun woning

Om langer zelfstandig thuis te kunnen blijven wonen heeft een oudere dus een woning nodig waar dat mogelijk is. Soms kan een woning worden aangepast, terwijl ouderen in andere gevallen misschien beter kunnen verhuizen naar een geschiktere woning. Dit is mede afhankelijk van de eigendomsvorm: ruim 1 miljoen 65-plushuishoudens hebben een koopwoning, ruim 750.00 wonen in een corporatiewoning en ruim 300.000 in een andere huurwoning. In het beleidsprogramma ‘Langer Thuis’ zet de Rijksoverheid actief in op de twee strategieën van verhuizen en/of aanpassen (Ministerie van VWS 2018). Ouderen zijn echter doorgaans weinig bereid om (op grote schaal) te investeren in hun woning. Tegelijkertijd zijn ouderen erg honkvast; ze willen liever niet verhuizen .

Naast de geschiktheid van de woning is ook de sociale omgeving en de functionele geschiktheid van de woonomgeving belangrijk voor het langer zelfstandig thuis kunnen wonen (zie ook Daalhuizen et al. 2019). Naarmate mensen ouder worden, neemt hun actieradius en aantal verplaatsingen af (Van Dam et al. 2013). Een verminderd activiteitenpatroon leidt tot een kleiner (ruimtelijk) netwerk en groter isolement, waardoor ouderen meer afhankelijk worden van contacten en voorzieningen in de buurt waar zij de meeste tijd doorbrengen (Van den Berg et al. 2015, Van Dam et al. 2013, Vermeij 2016, Hoogendijk 2016). Ook om die redenen verhuizen sommige ouderen liever niet. Daarnaast is er mogelijk een gebrek aan (betaalbare) woon(zorg)vormen.

Ouderen zijn meesters in ‘coping’

Ouderen blijken er regelmatig voor te kiezen om te leren leven met de ongemakken van hun woning. Onderzoek laat zien dat ze meesters zijn in ‘coping’ (De Kam, te verschijnen). Zo zijn er ouderen die de bovenverdieping van hun huis niet meer gebruiken, omdat zij de trap niet meer op kunnen. Ook zijn er ouderen die op hun billen de trap op en af gaan. Dergelijke strategieën kunnen het risico op valpartijen vergroten.

Er lijkt een kloof te bestaan tussen de twee strategieën van het beleid en de bereidheid van ouderen om hun woning aan te passen of om te verhuizen, in de context van hun sociale (woon)omgeving. Los van deze mogelijke kloof is het aanbod aan woningen voor ouderen ook beperkt; er zijn bijvoorbeeld weinig woonvormen tussen zelfstandig thuis en het verpleeghuis in. De opgave om woningen geschikt te maken voor ouderen alsook het vergroten van het aanbod van voor ouderen geschikte woningen lijkt dan ook zeker geen sinecure. 

Geschiktheid van de woning voor de oude dag

Een woning is geschikt voor de oude dag als deze ook ‘in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners’ prettig bewoond kan worden (Stavenuiter & Van Dongen 2008 p. 15). Een fysiek geschikte woning is een woning waarbij de bewoner geen trap(je) op of af hoeft om bij de voordeur te komen en waarvan de ‘primaire ruimtes’ (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) op dezelfde woonlaag gesitueerd zijn. Een dergelijke woning wordt ook wel een ‘nultredewoning’ genoemd. Daarnaast zijn er woningen die nu ongeschikt zijn, maar wel geschikt te maken zijn, bijvoorbeeld door een traplift aan te leggen. Ongeschikte woningen zijn woningen die moeilijk zijn aan te passen, zoals appartementen zonder lift, eengezinswoningen met een wenteltrap en eengezinswoningen met een smalle beukmaat (Leidelmeijer et al. 2017).

Het merendeel van de Nederlandse 65-plushuishoudens (hierna ‘ouderenhuishoudens’) woont in een woning die geschikt (te maken) is om ook bij toenemende gezondheidsbeperkingen langer zelfstandig te kunnen blijven wonen. Deze woningen zijn dus reeds geschikt of zijn tegen betrekkelijk lage kosten (in ons onderzoek gedefinieerd als minder dan 10.000 euro ) aan te passen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een traplift.

Een eengezinswoning is doorgaans relatief gemakkelijk aan te passen

Van de in totaal circa 2,2 miljoen 65-plushuishoudens in 2015 wonen ongeveer 140.000 ouderenhuishoudens in een ongeschikte woning. Zij wonen in een woning die niet, of alleen tegen hoge kosten, is aan te passen. Ouderenhuishoudens in een meergezinswoning wonen iets vaker in een ongeschikte woning dan ouderenhuishoudens in een eengezinswoning. Dit komt omdat een meergezinswoning bijvoorbeeld vaak een appartement is in een portiekflat zonder lift of met een hoge drempel bij de entree. Een eengezinswoning is doorgaans gemakkelijker aan te passen bij (beginnende) mobiliteitsproblemen. Denk aan het plaatsen van stevige tussentreden, zodat de tredeafstand wordt gehalveerd, of aan het plaatsen van een traplift (Leidelmeijer et al. 2017). De mate waarin ouderenhuishoudens in een ongeschikte woning wonen, neemt iets af met de leeftijd (zie figuur 1). Dit komt onder andere doordat ouderen die in een ongeschikte woning wonen bij een verhuizing vaak kiezen voor een woning die wel geschikt (te maken) is.

In 2015 hadden ruim 58.000 ouderenhuishoudens een acute problematische woonsituatie: zij woonden in een ongeschikte woning én hadden een verhoogd risico op somatische beperkingen of beschikten over een somatische indicatie . Deze huishoudens moeten ofwel verhuizen ofwel de woning tegen een relatief fors bedrag (in ieder geval meer dan 10.000 euro) aanpassen als dit laatste überhaupt (in bouwkundige zin) mogelijk is. Circa 65 procent van hen huurde de woning van een woningcorporatie, zo’n 20 procent van hen huurde de woning van een andere verhuurder en zo’n 13 procent had een koopwoning (figuur 2).

Ongeveer 603.000 ouderenhuishoudens met een somatische indicatie of een risico op somatische problemen wonen in een woning die geschikt (te maken) is tegen beperkte kosten. Zo’n 65 procent van deze groep huishoudens wonen in een corporatiehuurwoning (figuur 2); zo’n 13 procent in een andere huurwoning en dus 22 procent in een koopwoning.

Aanpassen van de huidige woning

Het is niet precies bekend in welke mate woningen die geschikt te maken zijn om langer zelfstandig thuis te wonen, reeds zijn aangepast. Het is daardoor lastig om een nauwkeurig beeld te schetsen van de precieze omvang van de aanpassingsopgave. Het is echter wel mogelijk om een globale inschatting te geven.

Ongeveer 20 procent van alle eengezinswoningen waarin ouderenhuishoudens wonen, is in meer of mindere mate aangepast (WoON 2015). Vaak gaat het om kleine aanpassingen, zoals wandbeugels, douchestoelen en drempelhulpen. Ruim 25 procent van die aangepaste eengezinswoningen heeft ook een traplift en daarnaast beschikt een kleine 30 procent van de aangepaste eengezinswoningen over een tweede toilet.

Ouderenhuishoudens die in een appartement (meergezinswoning) wonen, wonen met 40 procent beduidend vaker in een aangepaste woning dan ouderen in een eengezinswoning.  Ook hier gaat het in het gros van de gevallen om kleinere woningaanpassingen. Er zijn ook verschillen tussen ouderen die huren en ouderen die in een koopwoning wonen: ouderen in een koopwoning wonen minder vaak in een aangepaste woning dan ouderen in een huurwoning (19 procent versus 36 procent). Dit hangt samen met het feit dat het gros van de oudere huiseigenaren in een eengezinswoning woont (84 procent), terwijl het merendeel van de oudere huurders in een appartement woont (56 procent).

Opvallend genoeg gaf iets minder dan de helft van alle ouderenhuishoudens in een aangepast appartement aan dat de woningaanpassing (nog) niet noodzakelijk was. Voor de ouderenhuishoudens in een aangepaste eengezinswoning geldt dit voor ruim een derde. Deze huishoudens hebben hun woning mogelijk preventief aangepast en geanticipeerd op de kans dat zij de komende jaren slechter ter been worden. Uiteraard is het ook denkbaar dat hun woning reeds was aangepast toen zij deze betrokken. Doordat hun woning is aangepast, wordt voor deze ouderen een belangrijk zorgpunt weggenomen op het moment dat de gezondheid daadwerkelijk achteruit gaat (zie ook Ministerie van VWS 2018).

Of het nou om koopwoningen of om huurwoningen gaat, of om eengezinswoningen of meergezinswoningen, het is dus aannemelijk dat het merendeel van de woningen, circa 80 procent, waarin ouderen wonen nog niet is aangepast (zie bijvoorbeeld WoOn 2015; Spierings 2016; Lager et al. 2016). De vraag is uiteraard in hoeverre ouderen uiteindelijk overgaan tot het aanpassen van hun woning.

Het merendeel van de woningen is nog niet aangepast

Want over het algemeen zijn ouderen zoals gezegd nauwelijks bereid tot (preventieve) grootschalige woningaanpassingen (Lager et al. 2016; Schilder 2019). Dit komt deels doordat zij niet graag geconfronteerd worden met maatregelen die geassocieerd kunnen worden met ziekten en beperkingen (Kooistra et al. 2015). Daarnaast willen ouderen geld achter de hand houden voor onvoorziene uitgaven en worden investeringen in het levensloopbestendig maken van de woning veelal gezien als waarde verlagend (Schilder 2019). Tevens zijn ouderen bang dat zij aanpassingen doorvoeren die zij later niet nodig blijken te hebben, zo onderstrepen sommige professionals (zie ook SEV & Aedes 2012; VNG & Aedes 2010; Lager et al. 2016). Tot slot zien mensen vaak ook op tegen een verbouwing.

Wie betaalt de rekening?

Een ander struikelblok bij het aanpassen van woningen hangt samen met de bekostiging van de aanpassing(en). Want wie betaalt de rekening? En wie zijn er allemaal gebaat bij het aanpassen van woningen voor ouderen? Hierbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen eigenaren-bewoners en huurders.

Ouderen kunnen woningaanpassingen financieren met eigen liquide middelen zoals spaargeld en winst uit beleggingen.  Onder ouderenhuishoudens in een koopwoning is een grote groep met meer dan 50.000 euro aan vrij besteedbaar vermogen. Een groot deel van de ouderen heeft echter minder dan 10.000 euro aan spaargeld; vooral huurders beschikken in de regel over weinig liquide middelen (zie figuur 4). Er zijn dus ouderenhuishoudens, in het bijzonder huurders, die onvoldoende geld hebben om hun woning aan te passen, gegeven het bedrag dat gemiddeld nodig is voor het levensloopbestendig maken van een woning.

Ouderen in een koopwoning hebben ook de mogelijkheid om het opgebouwde vermogen in de woning aan te wenden. In 2015 had driekwart van alle ouderenhuishoudens met een koopwoning meer dan 100.000 euro aan vermogen in de eigen woning opgebouwd (figuur 5). Circa 38 procent van deze huishoudens had zelfs een vermogen opgebouwd van 200.000 euro of meer. Ongeveer 5 procent van de ouderenhuishoudens heeft daarentegen een negatief vermogen in de eigen woning. Deze ouderenhuishoudens hebben een potentiële restschuld; het uitstaande hypotheekbedrag is hoger dan de waarde van de woning, waardoor bij verkoop van de woning een restschuld kan overblijven (De Groot et al. 2014).

De vraag is uiteraard of ouderen het in de woning opgebouwde vermogen kunnen én willen gebruiken voor het financieren van woningaanpassingen. Hoewel de markt in beweging is met nieuwe financiële producten zoals de Verzilverlening, lijken de mogelijkheden om het vermogen in de eigen woning te verzilveren vooralsnog beperkt (Taskforce Verzilveren 2013; Conijn et al. 2014).  Bovendien is er flink wat literatuur die suggereert dat ouderen niet zomaar het vermogen aan hun woning willen onttrekken (o.a. Haurin & Moulton 2017; Lager et al. 2016).

Los van de financiële mogelijkheden van ouderenhuishoudens om woningaanpassingen te bekostigen, willen ouderen doorgaans niet te veel geld uitgeven aan het aanpassen van hun woning. Huurders en huiseigenaren lijken bereid om respectievelijk 100 euro per maand en eenmalig 10.000 euro te investeren om hun woning rolstoeltoegankelijk te maken (Spierings 2016). Dit bedrag lijkt aan de krappe kant gezien de bedragen die in de literatuur voor dergelijke woningaanpassingen genoemd worden (o.a. Schmid et al. 2016; SEV & Aedes 2012).

Ouderenhuishoudens staan er in principe niet helemaal alleen voor. Want ook gemeenten en verhuurders hebben een rol bij de aanpassingsopgave. Ouderen die hun woning huren, zullen in eerste instantie aankloppen bij de verhuurder van hun woning wanneer zij hun woning willen aanpassen. Daarnaast kunnen ouderenhuishoudens, huurders én eigenaren-bewoners, ook aankloppen bij de gemeente voor de bekostiging van woningaanpassingen via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Corporaties en gemeenten zijn niet altijd bereid om woningaanpassingen te vergoeden

Echter, diverse onderzoeken alsook de gesprekken die wij hebben gevoerd met professionals, suggereren dat corporaties en gemeenten lang niet altijd bereid zijn om woningaanpassingen (mede) te vergoeden (zie bijvoorbeeld Woonbond 2015). Zo blijkt uit onderzoek in opdracht van de ANBO dat lang niet alle gemeenten budget beschikbaar stellen voor woningaanpassingen (Kien 2015). Gemeenten lijken het verhuizen van ouderen te prefereren boven het aanpassen van de huidige woning.

Hierbij beroepen zij zich geregeld op de wetsbepaling dat ouderen een eigen verantwoordelijkheid hebben om ‘tijdig’ te anticiperen op het ouder worden  (Binnenlands Bestuur 2015). Deze interpretatie voldoet echter maar gedeeltelijk, zo blijkt uit een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep: van ouderen mag worden verwacht dat zij in hun woningkeuze rekening houden met de ontwikkeling van reeds aanwezige gezondheidskwalen, maar niet met ieder denkbaar gebrek dat hen in de toekomst ten deel zou kunnen vallen (zaaknummer 17/1852 WMO15). Corporaties zijn naar eigen zeggen wel bereid om woningen voor oudere huurders aan te passen, maar willen de kosten van de aanpassing dan doorberekenen in de huurprijs. Dat kunnen doorberekenen is voor nieuwe verhuringen echter, mede door de in 2015 ingevoerde passendheidstoets, beperkt. Dit zet een rem op het aanpassen van huurwoningen (Lijzenga et al. 2015).
 

Woningaanpassingen kunnen valpartijen en ziekenhuisopnamen voorkomen

Zowel gemeenten als corporaties zien ook een rol weggelegd voor de zorgverzekeraars bij het financieren van woningaanpassingen, omdat zij kunnen profiteren van woningaanpassingen (Lijzenga et al. 2015). Ouderen vallen bijvoorbeeld minder vaak als hun woning is aangepast (Schmid et al. 2016; Dijkgraaf & Panneman 2011). Woningaanpassingen kunnen daarmee ook ziekenhuisopnamen voorkomen en ervoor zorgen dat ouderen gemakkelijker thuis kunnen herstellen en revalideren (Schmid et al. 2016). Ouderen die in aangepaste woningen wonen, maken bovendien minder gebruik van thuiszorg (De Kam et al. 2012). Geschat wordt dat preventieve woningaanpassingen jaarlijks zo’n 45 á 60 miljoen euro aan directe medische kosten kunnen besparen (Dijkgraaf & Panneman 2011). Voor zorgverzekeraars is het doorgaans echter lastig om te investeren in preventieve woningaanpassingen, omdat zij alleen zorgkosten mogen vergoeden (Lijzenga et al. 2015).

Of toch verhuizen?

Ouderen kunnen er ook voor kiezen om te verhuizen; naar een woning die wel geschikt is om langer zelfstandig te blijven wonen. Maar het is de vraag in welke mate ouderen daadwerkelijk willen verhuizen naar een geschiktere woning.

Verandering in verhuisgeneigdheid?

Ouderenhuishoudens zijn, in vergelijking met jongere huishoudens, minder geneigd te verhuizen (zie o.a. De Groot et al. 2013; Gielen et al. 2018). Als ouderen al willen verhuizen dan is de wens om te verhuizen vaak minder sterk (figuur 6). Van de huishoudens jonger dan 25 jaar gaf in 2015 bijvoorbeeld circa 67 procent aan binnen twee jaar te willen verhuizen , terwijl dit onder alle ouderenhuishoudens circa 17 procent was. Dit verschil is niet verwonderlijk; jongere huishoudens krijgen vaker te maken met natuurlijke verhuismomenten, zoals uit huis gaan, samenwonen of uit elkaar gaan (figuur 8).

Als ouderen willen verhuizen heeft dat vaak te maken met hun gezondheid of de behoefte aan zorg (figuur 7). Onder 85-plushuishoudens geldt dit voor maar liefst 80 procent. Van de 65-plussers die in 2015 aangaven vooral vanwege de woning te willen verhuizen (zo’n 17 procent), wilde ongeveer de helft verhuizen omdat zij de huidige woning te groot vonden, terwijl zo’n 17 procent wilde verhuizen vanwege de wens om in een andere type woning te gaan wonen.

Een groot deel van de ouderenhuishoudens die willen verhuizen, heeft belangstelling voor een woning die specifiek bestemd is voor ouderen (hierna ook wel ‘ouderenwoning’ genoemd). In 2015 gold dit voor bijna 60 procent van de verhuisgeneigde ouderenhuishoudens. De mate waarin verhuisgeneigde ouderenhuishoudens naar een ouderenwoning willen verhuizen hangt sterk samen met hun gezondheidsbeleving (figuur 8). Ouderen die de eigen gezondheid als slecht beoordelen, willen vaker naar een ouderenwoning verhuizen dan ouderen die hun eigen gezondheid als zeer goed beoordelen.

Wel is er in de afgelopen jaren een daling waar te nemen in het aandeel verhuisgeneigde ouderen dat naar een specifieke ouderenwoning wil verhuizen (figuur 8 ; zie ook Gielen et al. 2018). Deze daling is zowel terug te zien bij ouderen die hun eigen gezondheid als (zeer) goed ervaren als bij ouderen die hun eigen gezondheid als minder goed ervaren. Een mogelijke verklaring is dat ouderen vooral aan traditionele woonconcepten zoals aanleunwoningen en seniorenwoningen denken bij voor ouderen geschikte woningen. Volgens sommige geïnterviewde professionals speelt ook een rol dat het imago van dergelijke traditionele woonconcepten voor ouderen niet al te best is (alsmede de idee van meer woonlasten voor minder woonoppervlak).

Hoewel ouderen honkvast zijn, verhuizen er toch behoorlijk wat ouderen

Willen verhuizen betekent uiteraard nog niet dat ouderen daadwerkelijk verhuizen. Ongeveer 4 procent van de ouderenhuishoudens gaf in 2015 aan dat zij in de twee jaar daarvoor verhuisd waren. Dit komt in absolute aantallen neer op ruim 70.000 ouderenhuishoudens  (WOoN 2015). In 2015 gaf 25 procent van de ouderenhuishoudens aan dat ze na hun 65e een keer zijn verhuisd naar een andere zelfstandige woning. In absolute aantallen komt dit neer op zo’n 440.000 ouderenhuishoudens. Van de groep 80- tot 85-jarigen is ongeveer 43 procent sinds het 65e levensjaar naar een andere zelfstandige woning verhuisd. Hoewel ouderen honkvast zijn, verhuizen met het verstrijken van de jaren dus toch nog behoorlijk wat ouderen. En dit blijft ook voor de toekomst de verwachting, want de generatie ouderen neemt de komende jaren in omvang toe.

Voor de klassieke zorginstelling komen ouderen met een relatief lage zorgbehoefte niet meer in aanmerking

Nieuwe woonvormen als het ei van Columbus?

In deze paragraaf verkennen we nieuwe woonconcepten voor ouderen. Een groot deel van de bestaande woningvoorraad is immers nog ongeschikt, en voor de klassieke zorgstelling komen ouderen met een relatief lage zorgbehoefte sinds 2013 niet langer in aanmerking.

De populaire media en het beleid verwachten dat hierdoor een (latente) behoefte is ontstaan aan vernieuwende woonvormen tussen zelfstandig thuis en het verpleegtehuis in (Bureauvijftig 2015; Fransen 2019; Rijksoverheid 2019). De gedachte hierachter is dat niet alle ouderen in hun eigen woning oud willen worden; bijvoorbeeld vanwege (mogelijk toekomstige) gebreken of omdat ze ergens willen wonen waar ze samen met andere ouderen hun eventuele gebreken en kwetsbaarheden kunnen opvangen. Deze ouderen zijn nog te vitaal voor een plek in een 24-uurszorginstelling (zie bijvoorbeeld Eimers 2015; Van Klaveren et al. 2018).

Uiteraard is de term ‘nieuwe woonconcepten’ een containerbegrip. En nieuw is niet altijd helemaal nieuw. Hofjeswoningen worden bijvoorbeeld als zo’n nieuw concept gelanceerd. Maar ouderen konden al eeuwen terecht in proveniershuizen, begijn- en andere hofjes (o.a. Van Twist et al. 2016). Soms wordt een ‘oud’ woonconcept dus opnieuw, eventueel met enige aanpassingen, onder de aandacht gebracht van het grotere publiek.
 

Nieuwe woonvormen kenmerken zich door een sterkere mate van gemeenschapszin

De vraag is dan ook in hoeverre nieuwe woonconcepten zich van meer traditionele woonconcepten zoals aanleunwoningen, seniorenwoningen en serviceflats onderscheiden. Gechargeerd gezegd lijken ‘oude’ woonconcepten zich te kenmerken door een zekere mate van individualiteit. De nieuwe (of hernieuwde) woonvormen die in de afgelopen jaren zijn ontwikkeld, zoals hofjeswoningen en kleinschalig wonen, kenmerken zich daarentegen door een sterkere mate van gemeenschappelijkheid. In figuur 9 is een aantal oude en nieuwe woonconcepten voor ouderen langs twee, tot op heden veelal los van elkaar gebruikte, assen weergegeven: de mate van gezamenlijkheid en de afstand tot zorg.  Feitelijk zijn er vier hoofdtypen van woonconcepten te onderscheiden: zorg thuis, zorg aan huis, samen zorgen en samen vitaal.

Net als bij de traditionele woningen voor ouderen, zoals aanleunwoningen, geldt ook voor nieuwere woonconcepten dat ze vaak één op één zijn gekoppeld aan (intensieve) zorglevering (Van Klaveren et al. 2018). Voor ‘jonge’ ouderen die nog niet of nauwelijks een zorgbehoefte hebben, lijken nieuwe woonconcepten vanwege deze nadruk op zorglevering dan ook minder interessant. Deze ouderen worden nauwelijks bewogen om voor te sorteren op hun volgende levensfase (Van Klaveren et al. 2018).

In de discussie over nieuwe woonconcepten is wel veel aandacht voor het ‘samen wonen’. Volgens geïnterviewde professionals zou onder ouderen belangstelling bestaan voor groepswonen, mits zij hun eigen vrijheid in enige mate kunnen behouden (zie ook Dijkman 2017; Van Klaveren et al. 2018). Ouderen worden over het algemeen stapje voor stapje minder zelfstandig en meer kwetsbaar (Verhoeven et al. 2011), waardoor zij vaker een beroep doen op hun sociale netwerk voor hulp. Samen wonen in een groep of elkaars nabijheid kan ervoor zorgen dat deze informele hulp binnen handbereik is (zie bijvoorbeeld Dijkman 2017).

Veel ouderen zijn nog onbekend met nieuwe woonvormen, zoals zorghofjes en groepswonen

Professionals, beleidsmakers en opiniemakers verwachten dat er (latent) veel behoefte bestaat aan nieuwe woonvormen. Ouderen lijken open te staan voor nieuwe woonvormen. Uit een eerste inventariserend onderzoek onder ouderen in Den Haag blijkt dat die ouderen meer informatie zouden willen hebben over de huisvestingsmogelijkheden en de wijze waarop zij voor nieuwe woonvormen in aanmerking kunnen komen (Dijkman 2017). Ouderen die reeds bekend zijn met dergelijke woonvormen geven daarnaast relatief vaak aan dat zij daar graag zouden willen wonen (Van Klaveren et al. 2018, p. 17).

Veel ouderen blijken nog relatief onbekend te zijn met nieuwe woonconcepten, zoals thuishuizen, zorghofjes en groepswonen (Bureauvijftig 2015; Dijkman 2017; Van Klaveren et al. 2018). Zij zijn wel op de hoogte van traditionele woonvormen, zoals aanleunwoningen, seniorenwoningen en serviceflats.
 

Het aanbod aan betaalbare nieuwe woonvormen is nog schaars


Drempels om weg te nemen

Bovenstaande paragraaf, berichtgeving in de media en bijeenkomsten zoals ‘Expeditie Begonia’  kunnen de indruk geven dat ouderen momenteel de keuze hebben uit een legio aan woon(zorg)vormen. In werkelijkheid lijkt het aanbod van (betaalbare) nieuwe woonvormen (vooralsnog) schaars. Hiervoor zijn diverse redenen. Zo is de ontwikkeling van een nieuwe woon(zorg)vorm zeer tijdsintensief. Niet zelden gaat het om trajecten van jaren. Eén van onze gesprekspartners stelt bijvoorbeeld: “Ik bedoel, die Knarrenhof waar iedereen zo over roemt, de eerste keer dat ik erover hoorde dacht ik goh, daar staan al een stuk of vijf van die Knarrenhoven. Maar dat is helemaal niet waar, de eerste steen wordt op dit moment ongeveer gelegd in Zwolle en daar is een proces van tien jaar vooraf aan gegaan”. Initiatiefnemers moeten weten welke weg zij moeten bewandelen om bijvoorbeeld een vergunning te verkrijgen of een bestemmingsplan te laten wijzigen. Om dergelijke procedures succesvol af te kunnen ronden, is veelal een lange adem nodig (zie bijvoorbeeld Beens 2018).

Daarnaast krijgen initiatiefnemers geregeld te maken met financiële uitdagingen. Banken, pensioenfondsen en investeerders blijken slechts beperkt financiering beschikbaar te stellen om dergelijke woonvormen te realiseren (Rijksoverheid 2019). Een van de geïnterviewde initiatiefnemers vraagt zich bijvoorbeeld af wie de rekening betaalt “van de meerkosten voor brede gangen, gemeenschappelijke ruimten, dat soort dingen?”. Omdat financiers veelal niet bereid lijken te zijn om deze meerkosten te financieren, worden de kosten geregeld doorberekend in de verkoop- of huurprijs van nieuwe woon(zorg)vormen. Een hogere prijs kan voor ouderen een grote drempel vormen en hun bereidheid om te verhuizen aanzienlijk beperken omdat zij momenteel relatief goedkoop wonen (Knipp 2018). Wanneer ouderen niet in staat of niet bereid zijn om zelf de lasten te dragen, ontstaat het risico dat gemeenschappelijke voorzieningen niet van de grond komen. Eén van onze gesprekspartners concludeerde bijvoorbeeld: “Wie betaalt die ontmoetingsruimte? We hebben er geen kostendrager voor. Dan gaan we het niet doen” .

Vanwege de knelpunten bij het tot stand komen van nieuwe woon(zorg)vormen, heeft het Rijk recentelijk een stimuleringsregeling in het leven geroepen in het kader van het beleidsprogramma Langer Thuis. Met deze regeling worden initiatiefnemers geholpen om de financiering van hun nieuwe woonvorm gemakkelijker rond te krijgen. Deze stimuleringsregeling bestaat uit drie onderdelen, namelijk: 1) een subsidie voor de initiatieffase, 2) een borgstelling door de overheid voor de plan-ontwikkelfase en 3) een borgstelling voor een achtergestelde lening voor de bouw- en na-financieringsfase (Rijksoverheid 2019).

Deze stimuleringsregeling kan ertoe bijdragen dat initiatiefnemers eerder met de realisatie van hun woonzorgconcept kunnen beginnen, waardoor de doorlooptijd van dergelijke projecten verkort kan worden. Zij voorziet echter niet in een oplossing voor andere mogelijke problemen, zoals de benodigde extra investeringen en de daardoor mogelijke woonlastenverhoging.

Conclusie

Het overheidsbeleid is erop gericht ouderen langer zelfstandig thuis te laten wonen. Aangezien ouderdom vaak met gebreken komt, vergt dit beleid iets van de woonsituatie. Een oudere die slecht ter been wordt kan immers minder goed uit de voeten in een woning met een trap en hoge drempels. Blijven wonen in een dergelijk huis vergroot het risico op valpartijen en ziekenhuisopnamen.

Het merendeel van de ouderenhuishoudens woont in een woning die niet is aangepast met het oog op het langer zelfstandig wonen. Veel van deze woningen zijn in technische zin en tegen beperkte kosten wel geschikt te maken. Het Rijk wil dat gemeenten ouderen gaan helpen om ‘geschikt’ te wonen. Het idee is dat ouderen, ook degenen die nog gezond zijn, daarvoor ofwel hun woning aanpassen ofwel verhuizen naar een geschiktere woning (Ministerie van VWS 2018).

Het aanpassen van woningen stuit echter op belemmeringen. Veel ouderen beschikken over weinig spaargeld en het spaargeld dat ze hebben willen ze liever niet uitgeven aan aanpassingen die ze mogelijk later niet nodig hebben of die niet tot waardevermeerdering leiden. Ook gemeenten en corporaties zijn terughoudend in het (mede)financieren van woningaanpassingen en willen de kosten van het aanpassen liever bij de ouderen of anders bij de zorgverzekeraars leggen. Woningaanpassingen komen hierdoor maar mondjesmaat van de grond.

Ook verhuizen naar een geschiktere woning is niet vanzelfsprekend. Ouderen verhuizen doorgaans sowieso weinig, en traditionele ouderenwoningen lijken aan populariteit te verliezen, wat mogelijk te maken heeft met het ‘oubollige’ imago van aanleunwoningen, seniorenwoningen en serviceflats. Toch is er in potentie wel degelijk behoefte aan nieuwe woonvormen voor ouderen. In 2015 blijkt dat ongeveer een kwart van alle ouderenhuishoudens nog na het 65e levensjaar is verhuisd én dat van de verhuisgeneigde ouderen ruim de helft wil verhuizen naar een voor ouderen geschikte woning. Als gevolg van de vergrijzing onder het grote cohort van babyboomers neemt de behoefte aan voor ouderen geschikte woningen de komende jaren in absolute aantallen toe.

De vernieuwende woonconcepten lijken kansrijk; iets wat onderstreept wordt door vrijwel alle geïnterviewde professionals . Vernieuwende woonconcepten zoals hofjes en kleinschalige woongroepen onderscheiden zich van de meer traditionele woonconcepten door het element van gezamenlijkheid, waarbij hulp, steun en gezelligheid dichtbij is. Woonconcepten die meer zorg en dienstverlening bieden, lijken vooralsnog vooral ouderen aan te spreken die al gezondheidsproblemen hebben. Overigens is het bij het realiseren van nieuwe woonvormen van belang dat deze ondersteuning bieden aan (bestaande) sociale netwerken en aansluiten op een geschikte woonomgeving (Daalhuizen et al. 2019).

Hoewel professionals ervan overtuigd zijn dat er behoefte bestaat aan vernieuwende woonconcepten voor (vitale) ouderen, lijken er vooralsnog weinig (betaalbare) nieuwe woonvormen te worden ontwikkeld. Mogelijk geeft het beleidsprogramma Langer Thuis een zet in die richting, maar er zijn de nodige drempels weg te nemen. Een woonvorm met extra voorzieningen vergt bijvoorbeeld extra investeringen; wie gaat dat betalen en hoe zijn die terug te verdienen?

Tot slot

Het uiteindelijke succes van nieuwe woonconcepten lijkt mede afhankelijk van de mate waarin initiatiefnemers, overheden en ontwikkelaars, erin slagen om hedendaagse en toekomstige ouderen te enthousiasmeren en in de eigen buurt te voorzien in hun woonbehoeften. Gebouwen die vandaag de dag gerealiseerd worden, staan er niet maar voor een paar jaar. En de ouderen van de toekomst hebben mogelijk andere woonwensen dan de ouderen van tegenwoordig. Het is daarom belangrijk dat nieuwe woonvormen ook enige vorm van flexibiliteit behouden, zodat zij indien nodig door kleine aanpassingen in een nieuw jasje gestoken kunnen worden. Nieuw hoeft immers niet altijd helemaal nieuw te zijn.

Bronnen

Alders, P. & F. Schut (2019), Trends in ageing and ageing-in-place and the future market for institutional care: scenarios and policy implications. Health Economics, Policy and Law. Vol. 14, nr 1, pp. 82-100. https://doi.org/10.1017/S1744133118000129

Beens, R. (2018), Sociaal- maatschappelijke doelstellingen in grondbeleid. De invloed van sociaal- maatschappelijke doelstellingen in het grondbeleid van gemeenten op het ontwikkelingsproces van Knarrenhof. Groningen: RUG.

Berg, P. van den, A. Kemperman, B. de Kleijn & A. Borgers (2015), Locations that support social activity participation of the aging population. International Journal of Environ-mental Research and Public Health, vol. 12, nr. 9, pp.10432-10449.

Binnenlands Bestuur (2015), Gemeenten niet happig op woningaanpassingen. Geraadpleegd op 28 januari 2019, van: https://www.binnenlandsbestuur.nl/anbo-woningaanpassingen.

Bureauvijftig (2015), Woonmonitor 2015. Zoetermeer: Bureauvijftig.

Conijn, J., Kramer, B., Rouwendal, J., Schilder, F. (2014), Verzilveren van overwaarde: De mogelijkheden van het woningbezit in de bekostiging van wonen, zorg en pensioen. Amsterdam: Amsterdam School of Real Estate.

Daalhuizen, F., De Groot, C., Van Amsterdam, H. (2018), Zorg om banen in de ouderenzorg. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Daalhuizen, F., De Groot, C., De Kam, G. (2019), Langer zelfstandig wonen in een geschikte woonomgeving. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Dam, van F., F. Daalhuizen, C. de Groot, M. van Middelkoop & P. Peeters (2013), Vergrijzing en ruimte. Gevolgen voor de woningmarkt, vrijetijdsbesteding, mobiliteit en regionale economie. PBL, Den Haag.

Dijkgraaf, M., Panneman, M. (2011), Factsheet Kosten besparen door woningaanpassingen. Amsterdam: Consument en Veiligheid.

Dijkman, M. (2017), Collectief wonen voor senioren heeft de toekomst. Geron, 1, 61-64.

Eimers, D. (2015), Villa Begonia niet achter de geraniums: waar woon jij als je oud bent? Utrecht: Bigbusinesspublishers.

Fransen, L. (2019), ‘Aanbod woningen voor ouderen nog te beperkt’. Mijn gezondheidsgids, jr 3. nr. 2, p.32,33. Volkskrant bijlage 2,3 februari 2019: https://www.mijngezondheidsgids.nl/aanbod-woningen-voor-ouderen-nog-te-beperkt/

Gielen, W., Herbers, D., Hitzert, F. (2018), Verhuizingen van oudere huishoudens. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Groot, C. de (2011), Longitudinal analysis, in: S.J.T. Jansen, H.C.C.H. Coolen & R.W. Goetgeluk (Eds.), The measurement and analysis of housing preferences and choice, pp. 225–252. Dordrecht: Springer Netherlands.

Groot, C. de, Dam, F. van, Daalhuizen, F. (2013), Vergrijzing en woningmarkt. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Groot, C. de, F. Daalhuizen, F. Schilder & F. Verwest (2014), Kwetsbaarheid van regionale woningmarkten. Financiële risico’s van huishoudens en hun toegang tot de woningmarkt. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Harkes, D., Witter, Y. (2018), Bouwstenen voor de toekomst: 15 jaar werken aan samenhang in wonen, welzijn en zorg. Den Haag: Aedes-Actiz.

Haurin, D., Moulton, S. (2017), International perspectives on Homeownership and Home Equity Extraction by Senior Households. Journal of European Real Estate Reserarch, 10(3), 245-276.

Hoogendijk, E., B. Suanet, E. Dent, D. Deeg & M. Aartsen (2016), Adverse effects of frailty on social functioning in older adults: results from the Longitudinal Aging Studies Amsterdam. Maturitas 2016, 83, pp.45-50.

Kam, G. de (te verschijnen), Woonservicegebieden: theorie en praktijk. Groningen: RuG.

Kam, G. de, D. Damoiseaux, L. Dorland, R. Pijpers, M. van Biene, E. Jansen & J. Slaets (2012), Kwetsbaar en zelfstandig. Een onderzoek naar de effecten van woonservicegebieden voor ouderen. Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen.

Kien (2015), Onderzoek gemeentebeleid woningaanpassingen ANBO. Groningen: Kien.

Klaveren, S. van, N. van Triest & P. Senior (2018), Langer thuis: een verkenning. Behoeften en toekomst woonzorg voor kwetsbare senioren. Den Haag: Platform 31 en Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg.

Knipp, S. (2018), Senioren gaan woningmarkt vlottrekken. Geron, 4, 42-45.

Kooistra, H., Lauteslager, O., Van Triest, N. (2015), Duurzaam Thuis: De omvang van de vraag naar duurzame woningaanpassingen. Den Haag: Platform 31.

Lager, D., Brouwer, A., De Kam, G., Kibele, E. (2016), Op tijd de drempel wegnemen? Inzicht in het bewustzijn over het preventief aanpassen van de woonsituatie om langer thuis te kunnen wonen. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen.

Leidelmeijer, K., Van Iersel, J., Leering, D. (2017), Monitor Investeren in de toekomst: Ouderen en langer zelfstandig wonen. Amsterdam: RIGO.

Lijzenga, J., Bouwkamp, C., Boertien, D. (2015), De rol van woningcorporaties bij het langer zelfstandig wonen. Arnhem: Companen.

Ministerie van VWS (2018), Programma Langer Thuis. Den Haag: Ministerie van VWS.

Rijksoverheid (2019), Stimuleringsregeling voor nieuwe vormen van wonen en zorg voor ouderen vlot te trekken. Geraadpleegd op 04 februari 2019, van: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/02/01/stimuleringsregeling-om-nieuwe-vormen-van-wonen-en-zorg-voor-ouderen-vlot-te-trekken?utm_source=e-mailnieuwsbrief&utm_medium=email&utm_campaign=Regeringsnieuws

RIVM (2018), Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTT) 2018 – Themaverkenning ‘Kwetsbare ouderen hebben een complexe zorgvraag’, verkregen op 6 november 2018 via www.vtv2018.nl.

Schilder, F. (2019), Grijze koppen, groene huizen. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Schilder, F., Daalhuizen, F., De Groot, C. (2018), Krasse knarren kúnnen kraken: Over hoe het stapelen van verschillende beleidsdoelen ouderen onder druk kan zetten. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Schmid, L., Dragt, W., Van Dijk, A. (2016), Verkenning effecten woningaanpassing: Op weg naar een nieuwe businesscase voor woningaanpassingen. Den Haag: Platform 31.

SEV & Aedes (2012), Het piramidemodel: Lokaal bepalen van de vraag naar en het aanbod van geschikte woningen voor mensen met mobiliteitsbeperkingen. Rotterdam: SEV.

Spierings, D. (2016), Eindrapportage Langer Thuis & KeuzeThuis. Arnhem/Nijmegen: Hogeschool Arnhem Nijmegen.

Stavenuiter, M., Van Dongen, M.C. (2008), Gemeenschappelijk wonen: Een literatuurstudie. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.

Taskforce Verzilveren (2013), Eigen haard is zilver waard, eindrapportage van de Taskforce Verzilveren. Geraadpleegd op 7 november 2018, van: www.eigenhuis.nl.

Twist, M. van, Chin-A-Fat, N., Schram, J. (2016), Van tehuis naar een thuis: beelden bouwen in de ouderenzorg. Den Haag: Nederlandse School voor Openbaar Bestuur.

Vereniging Eigen Huis (2018). De Verzilverlening: Lenen op basis van overwaarde. Geraadpleegd op 7 november 2018, van: www.eigenhuis.nl.

Verhoeven, A., Kooiker, S., Van Campen, J. (2011), Perspectieven van ouderen op kwetsbaarheid en kwaliteit van leven. In: Van Campen (2011), Kwetsbare ouderen (25-38). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Vermeij, L. (2016), Kleine gebaren. Het belang van dorpsgenoten voor ouderen op het platteland. Den Haag: SCP

VNG & Aedes (2010), Handreiking: Geschikt wonen – het aanpassen nú aanpakken. Den Haag: Vereniging van Nederlandse Gemeenten / Aedes.

Colofon

Aanpassen of  verkassen. Langer zelfstandig in een geschikte woning

© PBL Planbureau voor de Leefomgeving

Den Haag, mei 2019

PBL-publicatienummer: 3415

Contact

femke.daalhuizen@pbl.nl

Auteurs

Carola de Groot, Marieke van der Staak, Femke Daalhuizen en George de Kam (RuG)

Met dank aan

Kees Leidelmeijer (RIGO)

Redactie figuren

Beeldredactie PBL

Foto

Herman Stöver Fotografie / Nationale Beeldbank

Eindredactie en productie

Uitgeverij PBL

Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding: De Groot, C., M. van der Staak, F. Daalhuizen & G. de Kam (2019), Aanpassen of verkassen. Langer zelfstandig in een geschikte woning, Den Haag: PBL.

De studie Aanpassen of verkassen. Langer zelfstandig in een geschikte woning is onderdeel van een breder PBL-onderzoek naar het langer zelfstandig wonen van ouderen.

Ook zijn verschenen:
Krasse knarren kúnnen kraken (Schilder et al. 2018)
Zorg om banen in de ouderenzorg (Daalhuizen et al. 2018)
Langer zelfstandig wonen in een geschikte woonomgeving (Daalhuizen et al. 2019)
Grijze koppen, groene huizen. Over waarom langer zelfstandig wonende ouderen hun woning (niet) verduurzamen (Schilder 2019).

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is het nationale instituut voor strategische beleidsanalyses op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Het PBL draagt bij aan de kwaliteit van de politiek-bestuurlijke afweging door het verrichten van verkenningen, analyses en evaluaties waarbij een integrale benadering vooropstaat. Het PBL is vóór alles beleidsgericht. Het verricht zijn onderzoek gevraagd en ongevraagd, onafhankelijk en wetenschappelijk gefundeerd.