Doelbereik en trend zijn op dit moment niet te bepalen.
Verreweg de meeste 65-plushuishoudens wonen in een woning die geschikt (te maken) is, maar ruim de helft daarvan staat in een weinig tot niet geschikte woonomgeving. Het betreft hier een nulmeting. Bij een volgende update van deze indicator kan een trendscore inzichtelijk worden gemaakt.

Mensen worden steeds ouder en wonen tot op hogere leeftijd zelfstandig thuis. Woonde in 1975 nog ruim 75% van alle 75-plussers zelfstandig, in 2017 gold dit voor circa 92%. Ouderdom komt vaak met gebreken. Sinds 2013 is er een duidelijke kentering zichtbaar in het zorg- en woonbeleid. Eerst met de invoering van het 'scheiden van wonen en zorg' en in 2015 met de Hervorming van de Langdurige Zorg (HLZ). Door de zorg lokaal, op maat bij de ouderen thuis te leveren, zou de zorg beter, efficiënter en goedkoper geleverd kunnen worden.

Hoewel veel 75-plussers prima in staat zijn om zelfstandig thuis te wonen, kampt het merendeel wel met twee of meer chronische aandoeningen (De Groot et al. 2019; Van Campen et al. 2017). De 'oudste' ouderen worden uiteindelijk minder vitaal en zelfredzaam. Vooral als zij moeilijker ter been zijn, kan dit thuis tot problemen leiden. Om hen toch op een goede manier thuis te laten wonen, moet aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan, zoals een geschikte woning, een geschikte functionele en fysieke woonomgeving, en een sociale woonomgeving die met dienst- en zorgverleners en mantelzorgers de benodigde ondersteuning kan bieden.

Overgrote deel van de ouderen woont in een geschikte woning

Het overgrote deel van de Nederlandse ouderenhuishoudens woont in een woning die geschikt (te maken) is om ook bij toenemende gezondheidsproblemen zelfstandig te blijven wonen (De Groot et al. 2019). Veel mensen krijgen op hogere leeftijd kwalen en bijvoorbeeld moeite met traplopen. En ook drempels kunnen een behoorlijk obstakel worden. Maar veel van dit soort hindernissen in de woning kunnen tegen betrekkelijk lage kosten worden weggenomen. Gemiddeld woont dan ook 'slechts' 6,5% van alle ouderen in een ongeschikte woning: een woning die bouwkundig niet of alleen tegen hoge kosten is aan te passen (figuur 2).

Veel geschikte woningen staan in een ongeschikte woonomgeving (fysieke en sociale aspecten)

De woonomgeving is voor ouderen van groot belang (zie ook Daalhuizen et al. 2019 ). Daarbij spelen vooral de nabijheid van mantelzorgers en voorzieningen een rol, zoals een supermarkt, de huisarts, een apotheek en ov-haltes. Aangezien de mogelijkheden tot autorijden en fietsen op hoge leeftijd verminderen, is de loopafstand tot het aantal voorzieningen een belangrijke maatstaf. Een loopafstand van maximaal 500 meter over de weg wordt beschouwd als een loopafstand die ouderen kunnen overbruggen, omdat vitale ouderen van in de 70 deze afstand binnen 10 tot 20 minuten wandelend kunnen afleggen (Burton & Mitchell 2006; Timmermans et al. 2016). Wonen ouderen dus meestal in geschikte (of geschikt te maken) woningen (figuur 2), die woningen staan wel vaak in slecht of matig geschikte woonomgevingen (figuur 1).

Het aantal potentiële mantelzorgers per 75-plusser neemt in de toekomst sterk af.

De onderlinge samenwerking tussen mantelzorgers en professionals in de zorg is een belangrijke spil bij het langer zelfstandig kunnen blijven wonen van ouderen. Het zijn immers de mantelzorgers en professionals die ouderen ondersteunen bij dagelijkse handelingen, van het aantrekken van steunkousen tot het doen van boodschappen. En juist die mantelzorgers en professionals komen als gevolg van de verdergaande vergrijzing in toenemende mate onder druk te staan. De oplopende druk van de vergrijzing en het toenemend aantal zelfstandig wonende ouderen leidt tot een toenemende belasting van zorgprofessionals als huisartsen en wijkverpleegkundigen (Boekee & Hoekstra 2018). Zie ook het overzicht van gemeenten met hoge percentages mantelzorgers die zich zwaar belast voelen, berekend op basis van data van de gezondheidsmonitor 2016 (www.volksgezondheidenzorg.info, 2020).

Bovendien daalt het aantal beschikbare arbeidskrachten ten opzichte van het aantal ouderen; tot 2040 is een verdubbeling nodig van het aandeel van de potentiële beroepsbevolking om, bij gelijkblijvende arbeidsproductiviteit, de zorg per 75-plusser gelijk te houden. Ook de mantelzorg zal in de toekomst meer onder druk komen staan door de vergrijzing. Mantelzorg aan oude ouderen wordt vooral verzorgd door jongere ouderen. De 'oldest old support-ratio', de verhouding tussen het aantal personen in de leeftijd van 50 tot 75 jaar ten opzichte van het aantal personen ouder dan 75 jaar, geeft daarom een indicatie van het mantelzorgpotentieel. Het aantal potentiële mantelzorgers per oudere neemt in de toekomst sterk af, zoals blijkt uit de figuur (de Jong en Kooiker, 2018).

Verantwoordelijk instituut
PBL, V&M, Femke Daalhuizen
PBL (2020) Geschiktheid woonomgeving 65+ (indicator 0145, versie 57, 03-09-2020) Website Balans van de Leefomgeving. www.pbl.nl/balans. Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag.