Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2010

Luchtbeleid werkt, maar is onvoldoende gericht op bescherming gezondheid

Hoewel de luchtkwaliteit langs drukke wegen in steden al geruime tijd steeds beter wordt, blijft het een hardnekkig probleem. Het luchtbeleid richt zich begrijpelijkerwijs op het voldoen aan de wettelijke verplichting dat de niveaus niet boven de huidige normen van NO2, PM10 en PM2,5 mogen uitkomen. Het halen van de normen betekent echter niet dat er geen risico’s meer zijn op gezondheidseffecten. De concentraties van deze stoffen langs een weg zijn bovendien maar beperkt representatief voor de schadelijkheid van het lokaal aanwezige mengsel van luchtverontreiniging. Door gebrek aan definitieve en kwantitatieve inzichten wordt er bij de risicoschatting en de normstelling van fijn stof vooralsnog vanuit gegaan dat elke fractie fijn stof gezondheidskundig even relevant is. Echter, er zijn steeds meer aanwijzingen dat vooral verlaging van de uitstoot van fijn stof door verbrandingsprocessen bij verkeer en stookinstallaties voor minder gezondheidsrisico’s zorgt. Dit maakt bronbeleid voor wegverkeer en stookinstallaties en ruimtelijk beleid extra relevant voor het behalen van gezondheidswinst.

Niet alle deeltjes zijn even schadelijk

Langdurige blootstelling aan fijn stof leidt tot een toename van de sterfte aan hart- en vaataandoeningen en luchtwegaandoeningen. De EU heeft normen gesteld voor de maximale niveaus aan NO2, PM10 en PM2,5. Begrijpelijkerwijs richt het beleid zich op het voldoen aan die wettelijke verplichting. Er wordt daarbij vanuit gegaan dat blootstelling en gezondheidseffecten evenredig afnemen met de totale massa (luchtconcentratie) van fijn stof. Er komen echter steeds meer aanwijzingen dat niet alle soorten deeltjes even schadelijk zijn. Het is aannemelijk dat een groot deel van de ziektelast wordt veroorzaakt door deeltjes die vrijkomen bij verbrandingsprocessen, zoals in de uitlaat van wegverkeer en scheepvaart en uit (industriële) stookinstallaties.

Vooral verlaging van de blootstelling aan de uitstoot van fijn stof door verkeer en stookinstallaties zijn relevant voor gezondheidswinst

Het halen van de normen voor NO2, PM10 en PM2,5 betekent niet dat er geen risico’s meer zijn op gezondheidseffecten ten gevolge van blootstelling aan luchtverontreiniging. Ook onder de normen treden namelijk nog gezondheidseffecten op. Ook het dalen van de concentraties ervan hoeft niet te betekenen dat de gezondheidseffecten (evenredig) afnemen. Er zijn aanwijzingen dat (ultra)fijne roetdeeltjes die ontstaan bij verbrandingsprocessen tot de meeste schadelijke fracties van fijn stof behoren. Voor dit type stof bestaat echter geen norm. Extra bronbeleid om de emissies van dit type stof te reduceren, zou de doelmatigheid van het luchtbeleid uit oogpunt van gezondheid ten goede komen. Dergelijke maatregelen leveren een veel grotere gezondheidswinst op dan menig NSL-maatregel. Om de gemiddelde blootstelling te verlagen vraagt dat vooral bronbeleid voor wegverkeer en scheepvaart en uit (industriële) stookinstallaties. Een onevenredig hoge blootstelling aan de (ultra)fijne verbrandingsdeeltjes komt voor in de nabijheid van drukke verkeerswegen. Om dit te voorkomen, is daar terughoudendheid gewenst bij het bouwen van gevoelige bestemmingen en woningen, ongeacht of er sprake is van overschrijding van vastgestelde normen.
Uiteraard is er daarnaast ook luchtbeleid dat zich specifiek richt op het verminderen van negatieve effecten voor de natuur (stikstof, verzuring) en op het tegengaan van ozonvorming (zomersmog).

Niveaus van fijn stof dalen al decennia

De concentraties van deeltjesvormige luchtverontreiniging dalen al enkele decennia. Vooral dankzij het bronbeleid voor onder andere het verkeer (EURO-normen) dalen de gemeten concentraties van de mogelijk gezondheidsrelevante fijnstoffractie ‘zwarte rook’ sterker dan die van PM10 (sinds 1990 respectievelijk circa 50% en 30%, zie onderstaande figuur). Dit geldt voor zowel de algemene niveaus in de regio en de stedelijke omgeving, als voor de duidelijk veel hogere niveaus van zwarte rook langs wegen. De zogenoemde zwarterook-meetmethode bepaalt de hoeveelheid zwart, vaak roethoudend, stof in de buitenlucht. Hoewel deze methode niet erg specifiek is, geeft zij wel een betere indicatie van de concentratie van verbrandingsdeeltjes dan menig andere stofmeetmethode.
Ondanks de langjarige neerwaartse trend blijkt de luchtkwaliteit langs drukke wegen in steden een hardnekkig probleem. Nederland heeft tot 2011 (PM10) en 2015 (NO2) uitstel van de EU gekregen om aan de normen voor luchtkwaliteit te voldoen. Hoewel het beleid zich richt op het tijdig en overal voldoen aan de normen, bestaat er een kans dat op een beperkt aantal plaatsen ook na 2011 en 2015 de normen nog worden overschreden.

De concentraties van deeltjesvormige luchtverontreiniging dalen al drie decennia. Sinds 1990 is de PM10 concentratie met circa 30% en de concentratie van zwarte rook met ruwweg 50% gedaald.

De concentraties van deeltjesvormige luchtverontreiniging dalen al drie decennia. Sinds 1990 is de PM10 concentratie met circa 30% en de concentratie van zwarte rook met ruwweg 50% gedaald.

Bewoners in drukke straten, langs snelwegen en in grote steden worden aanzienlijk meer belast

Het wegverkeer, de scheepvaart en industriële en niet-industriële stookinstallaties in Nederland en onze buurlanden zijn de belangrijkste bronnen van verbrandingsdeeltjes in de Nederlandse buitenlucht. Buiten de stedelijke omgeving is ruim de helft ervan afkomstig van bronnen buiten Nederland. Omgekeerd dragen de Nederlandse emissies vergelijkbaar bij aan de niveaus in onze buurlanden. De hoogste niveaus verbrandingsdeeltjes komen voor in de stedelijke omgeving. Daar is de bijdrage van het Nederlandse wegverkeer dominant. 800.000 inwoners worden blootgesteld aan anderhalf tot vier maal hogere niveaus van verbrandingsdeeltjes dan de gemiddelde Nederlander. Deze inwoners wonen nabij drukke stedelijke verkeersaders, nabij snelwegen en in de grote steden in de Randstad (zie onderstaande figuur). Ook de PM10 of PM2,5 niveaus zijn daar verhoogd, maar de verhoging daarvan blijft doorgaans binnen enkele tientallen procenten.

De niveaus van verbrandingsdeeltjes is aanzienlijk hoger in de drukke straten, de grootste steden en langs snelwegen.

De niveaus van verbrandingsdeeltjes is aanzienlijk hoger in de drukke straten, de grootste steden en langs snelwegen.

Referenties

  • Beelen, R., G. Hoek, P.A. van den Brandt, R.A. Goldbohm, P. Fischer, L.J. Schouten, M. Jerrett, E. Hughes, B. Armstrong, B. Brunekreef (2008). ‘Long-term effects of traffic-related air pollution on mortality in a Dutch cohort (NLCS-AIR study)’, Environmental Health Perspectives, Vol 116/2 p196-202.
  • Matthijsen, J. & R.B.A. Koelemeijer (2010). Beleidsgericht onderzoeksprogramma fijn stof. Resultaten op hoofdlijnen en beleidsconsequenties. PBL-rapport 500099013/2010. Den Haag/Bilthoven: Planbureau voor de Leefomgeving. 
  • Buringh et al. (2000). ‘Is SO2 a causative factor for the PM associated mortality risks in The Netherlands?’ Inhal Toxicol., Vol 12, Issue 1 & 2 January 2000 , pages 55 – 60.
  • Fischer, P., C. Ameling, M. Marra & F.R. Cassee (2009). ‘Absence of trends in relative risk estimates for the association between Black Smoke and daily mortality over a 34 years period in The Netherlands.’ Atm. Env. 2009; 43: 481 – 485.
  • Gehring et al. (2010). ‘Traffic-related Air Pollution and the Development of Asthma and Allergies during the First 8 Years of Life’. Am J Respir Crit Care Med Vol 181. pp 596-603.
  • Gerlofs-Nijland, M.E., J.A. Dormans, H.J. Bloemen, D.L. Leseman, A. John, F. Boere, F.J. Kelly, I.S. Mudway, A.A. Jimenez, K. Donaldson, C. Guastadisegni, N.A. Janssen, B. Brunekreef, T. Sandström, L. van Bree, F.R. Cassee (2007). ‘Toxicity of coarse and fine particulate matter from sites with contrasting traffic profiles.’ Inhal Toxicol. 2007; 19:1055-69.
  • HEI (2010). Traffic-Related Air Pollution: A Critical Review of the Literature on Emissions, Exposure, and Health Effects, Special Report 17. Boston: Health Effects Institute.
  • Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), Kabinetsbesluit, 2009.
  • Schlesinger, R.B. & F.R. Cassee (2003). ‘Atmospheric secondary inorganic particulate matter: the toxicological perspective as a basis for health effects risk assessment.’ Inhal Toxicol., 2003; (15): 197-235.

Relevante informatie