Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2010

Beleidsdossier Nationale Aanpak Milieu en Gezondheid 2008-2012

Integrale aanpak NAMG veelbelovend …

De Nationale Aanpak Milieu en Gezondheid (NAMG) 2008-2012 wil een gezonde, fysieke leefomgeving bewerkstelligen. Dit is een leefomgeving die prettig is, uitnodigt tot gezond gedrag (zoals bewegen) en sociale ontmoetingen en waar de gezondheidsrisico’s van milieubelasting zo klein mogelijk zijn. Door de omgevingskwaliteit en het binnenhuisklimaat te verbeteren kan de NAMG een bijdrage leveren aan een lagere milieugerelateerde ziektelast.

In anderhalf jaar tijd zijn al veel acties in gang gezet. Met het faciliteren van kennisuitwisseling tussen beleidsterreinen, sectoren en actoren en het ontsluiten van informatie voor burgers en professionals, stimuleert de NAMG de aandacht voor een gezonde leefomgeving bij afwegingen rondom ruimtelijke planvorming, herinrichting van wijken, renovatie van woningen en publieke gebouwen en keuze van de woonlocatie.

… maar rendement nog onbepaald

De NAMG is niet de enige beleidsimpuls in de richting van een gezonde, fysieke leefomgeving. Ook andere beleidsterreinen en lokale partijen nemen initiatieven om de leefomgeving te verbeteren. Met de NAMG neemt het Rijk een extra verantwoordelijkheid om gezamenlijk met alle belanghebbende en relevante sectoren, beleidsterreinen en actoren integraal de omgevingskwaliteit en het binnenhuisklimaat te verbeteren. Er is uitdrukkelijk aandacht voor gevoelige groepen zoals de jeugd, ouderen en mensen met een lage sociaaleconomische status, die kwetsbaarder zijn voor milieudruk en gezondheidsproblemen. Het is in deze fase nog niet mogelijk om te beoordelen of de integrale benadering van de NAMG daadwerkelijk resulteert in een gezondere leefomgeving. Daartoe is behoefte aan inzicht in de effecten van maatregelen op de leefomgevingskwaliteit en de gezondheidssituatie, in relatie tot andere aspecten die de gezondheid beïnvloeden, zoals leefstijl en gedrag. Daarnaast ontbreekt beleidsinformatie over het leereffect zoals de mate van kennisvergroting en effectieve oplossingen in de lokale beleidspraktijk.

Relatie fysieke leefomgeving en gezondheid

De fysieke leefomgeving, waaronder de bebouwde omgeving en daaraan gerelateerde activiteiten, bepaalt mede onze kwaliteit van leven en aan welke omgevingsfactoren we worden blootgesteld. Directe gezondheidseffecten treden op bij blootstelling aan chemische, fysische en biologische factoren, via de bodem, het water, de lucht, het klimaat en de ons omringende organismen en via risico’s die mensen kunnen lopen door ongelukken of rampen (externe veiligheid). Indirecte gezondheidseffecten treden op via stress door bijvoorbeeld omgevingsgeluid, en in positieve zin door aanwezigheid van groen, stilte of water. Indirecte effecten treden ook op doordat de inrichting van de fysieke omgeving de mate van bewegen of het sociale welbevinden beïnvloedt, bijvoorbeeld via openbare ruimten waar mensen elkaar kunnen ontmoeten (RIVM 2010).

Door steeds dichter bevolkte en bebouwde omgevingen staat de stedelijke leefomgevingskwaliteit en hiermee de gezondheid onder druk. Ook doemen wellicht gezondheidseffecten op die verband houden met klimaatverandering, zoals (stedelijke) hittestress, zomersmog, overstromingsrisico’s en toename van infectieziekten en allergieën. Naast gezondheidsbescherming via risicobeheersing, is in het werkveld nu ook meer aandacht voor gezondheidsbevordering via ruimtelijke planvorming en (duurzame) stedelijke inrichting. In omgevingsbeleid staan steeds vaker positieve omgevingsaspecten centraal, zoals groen en omgevingsaspecten die uitnodigen tot bewegen.

Aanpak fysieke leefomgeving zaak van meerdere beleidsterreinen

Verbetering van de kwaliteit van de buiten- en binnenlucht en het beleid op het gebied van geluid, leiden tot verbeteringen in de gezondheid. Ook de inrichting van de wijk kan de gezondheid van de inwoners verbeteren. Zo kunnen maatregelen in de infrastructuur, parkeerbeleid, spreiding van voorzieningen, attractieve inrichting en functiemenging, het wandelen en fietsen stimuleren. Het moge duidelijk zijn dat dit beleid niet alleen op het terrein van volksgezondheid of milieu ligt. Juist integraal gezondheidsbeleid is dan ook een effectief middel om een gezonde leefomgeving te bevorderen. Hiervoor is samenwerking nodig tussen de gezondheidssector, milieu, ruimtelijke ordening en verkeer (zowel landelijk, provinciaal als lokaal). Diverse praktijkvoorbeelden in buiten- en binnenland laten bovendien zien dat ook publiek-private samenwerking succesvol kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan maatregelen om werknemers te stimuleren de fiets of openbaar vervoer te nemen (RIVM 2010).

Integraal beleid niet makkelijk …

Gezondheid vormt in het krachtenveld rondom de leefomgeving een factor van slechts beperkt belang. Aan de aanwezigheid, kwaliteit en spreiding van bijvoorbeeld scholen, winkels, wegen, parkeergelegenheden en bedrijvigheid zijn ook andere maatschappelijke en commerciële belangen verbonden. Het gezondheidseffect van de ruimtelijke inrichting van een wijk is onderhevig aan zeer veel factoren en dus afhankelijk van een breed geschakeerd palet van partijen die veelal geen expliciet gezondheidsbelang voor ogen hebben. Daar komt bij dat specifieke omgevingsingrepen soms conflicterende effecten hebben op verschillende gezondheidsaspecten. Zo is het goed mogelijk dat de beste plek voor een speelterrein in een wijk juist een plek is met een relatief slechte luchtkwaliteit of met geluidsoverlast voor veel bewoners (RIVM 2010).

… maar wel mogelijk

Vanuit het perspectief van integraal milieu- en gezondheidsbeleid coördineert en faciliteert de NAMG de bundeling en uitwisseling van kennis over omgevingsinterventies, instrumenten en handreikingen. Integraal beleid kan ervoor zorgen dat maatregelen die op meerdere terreinen positief werken, succesvol worden geïmplementeerd (RIVM, 2010).

Prioriteit 1 – Verbeteren van de kwaliteit van het binnenmilieu

In het kader van het actieprogramma Gezondheid en Milieu 2002-2006 is veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het binnenmilieu. Kwaliteitswinst is vooral te halen door het verbeteren van de ventilatie in woningen (Van Dongen en Vos 2007), scholen en kindercentra zijn (Versteeg 2007, 2009). De overheid richt zich op aanpassingen van de bouwvoorschriften voor woningen, verbetering van de naleving van kwaliteitseisen op nieuwbouwlocaties en het vergroten van de bewustwording en gedragsverandering op scholen. Daarnaast zet de overheid zich via de NAMG in voor het bevorderen van de samenwerking en kennisuitwisseling tussen partijen die werkzaam zijn op het gebied van binnenluchtkwaliteit en energiebesparing.

Prioriteit 2 – ‘Gezond ontwerpen en inrichten’ van de leefomgeving

De NAMG biedt een kader om kennis over gezond ontwerpen en inrichting voor de praktijk eenvoudig beschikbaar te maken. Door vroegtijdig in het ruimtelijke planvormingsproces aandacht te besteden aan de invloed van fysieke omgevingsaspecten op de gezondheid, kan een gezonde leefomgeving worden gecreëerd. Met het faciliteren van kennisuitwisseling tussen beleidsterreinen, sectoren en actoren en het ontsluiten van informatie voor burgers en professionals, beoogt de NAMG de aandacht voor een gezonde leefomgeving bij afwegingen rondom ruimtelijke planvorming te stimuleren. Het is in deze fase nog niet mogelijk om te beoordelen of de integrale benadering van de NAMG daadwerkelijk resulteert in kennisvergroting, bewustwording, effectieve oplossingen in de lokale beleidspraktijk en in gezond gedrag van bewoners. Het verdient aanbeveling om ook expliciet aandacht te besteden aan kennisuitwisseling over de procesmatige aspecten van gezonde inrichting van de leefomgeving.

Prioriteit 3 – Verbeteren van de informatievoorziening over de lokale leefomgeving aan burgers

Door ontwikkeling van het digitale informatiesysteem ‘Atlas Leefomgeving’ wil VROM gegevens over lokale milieukwaliteit, met daaraan gerelateerde gezondheids- en beleidsinformatie, meer toegankelijk maken. Burgers hebben immers ook zelf een verantwoordelijkheid ten aanzien van een gezonde leefomgeving. De Atlas geeft beter inzicht in de knelpunten en geeft burgers en professionals handvatten om de kwaliteit van de lokale leefomgeving te beoordelen. De eerste Atlas wordt in 2011 opgeleverd. In de Atlas zijn voorlopig de volgende thema’s opgenomen: groen, luchtkwaliteit en geluidbelasting. Andere thema’s zoals water, externe veiligheid en bodem komen aan bod in volgende releases. Het streven is om per jaar 20% meer gemeenten en provincies bij de Atlas te betrekken om in 2020 volledige aansluiting te hebben. Of de Atlas ook bijdraagt aan meer bewustwording over de lokale leefomgeving vraagt om gebruikersonderzoek. Het verdient aanbeveling om aanvullend ook de subjectieve oordelen over de lokale leefomgevingskwaliteit, de ervaren gezondheidstoestand en gedragingen van burgers in reactie op deze informatie te monitoren. Hiermee kan inzicht worden verkregen in het effect van informatievoorziening.

Prioriteit 4 – Signaleren en volgen van milieu en gezondheidsproblemen

In het verleden is een aantal milieurisico’s te laat of verkeerd beoordeeld. Het EEA-rapport ‘Late lessons from early warnings’ (2002) leert ons dat het uitblijven van regulering van risico’s tot dure consequenties kan leiden die niet voorzien waren en dat ‘early warnings’ dikwijls genegeerd zijn, o.a. door gebrek aan inzicht in maatschappelijke opvattingen. Op basis van dit rapport en een advies van de Gezondheidsraad (GR 2003) is in het kader van de NAMG een brede, maatschappelijke signalering van milieugezondheidsrisico’s in gang gezet. Aan verschillende maatschappelijke pijlers (NGO’s, bedrijfsleven, wetenschap) is gevraagd om de milieugezondheidsrisico’s die volgens hen belangrijk zijn, te beoordelen. De bevindingen van NGO’s en wetenschap zijn gerapporteerd. Naar verwachting wordt in najaar 2010 een overkoepelende, onafhankelijke adviescommissie benoemd om op basis van de bevindingen een advies op te stellen.

Referenties

  • Alphen van TH, Staatsen B, van Balen E, Vros C. (2007) ‘Bouwstenen voor gezondheid en milieubeleid’. Bilthoven: RIVM-rapport 630789001.
  • Dreijerink L, Kruize H, van Kamp I. (2008) ‘Gezondheid en milieu in ruimtelijke plannen’. Bilthoven: RIVM-rapport 830950002.
  • Dusseldorp A, Hall EF, Van Poll HFPM. (2009) ‘Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij GGD’en’. Inventarisatie 2007-2008. RIVM-rapport 609333003.
  • EEA (2002) ‘Late lessons from early warnings: the precautionary principle 1896-2000’. Environmental issue report No 22.
  • Fast T, Van Bruggen M. (2004) ‘Beoordelingskader Gezondheid en Milieu: GSM-basisstations, Legionella, radon, fijn stof en geluid door wegverkeer’. Bilthoven: RIVM-rapport 609031001.
  • Gezondheidsraad 2003. Gezondheid en milieu: mogelijkheden van monitoring. Den Haag. Publicatie nr 2003/13.
  • Huynen M, de Hollander A, Martens P, Mackenbach J. (2008) Mondiale milieuveranderingen en volksgezondheid: stand van de kennis. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
  • Ligtvoet W, Van Minnen J. (2009) ‘Wegen naar een klimaatbestendig Nederland’. Bilthoven: PBL-rapport 500078001.
  • RIVM (2006) ‘Zorg voor gezondheid. Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2006’. Hollander AEM de, Hoeymans N, Melse JM, Oers JAM van, Polder JJ (red). Bilthoven: RIVM-rapport 270061003. 
  • RIVM (2010) ‘Gezondheid en determinanten’. Deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010: ‘Van gezond naar beter’. N Hoeymans, JM Melse, CG Schoemaker (red). Bilthoven: RIVM-rapport 270061006.
  • Van Dongen J, Vos H. (2007). ‘Gezondheidsaspecten van woningen in Nederland’. Delft, TNO: 1-179.
  • Versteeg, H. (2007). Onderzoek in basisscholen naar de kwaliteit van het binnenmilieu. Den Haag, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
  • Versteeg, H. (2009) Onderzoek binnenmileu kindercentra CONCEPT dd 20-05-2009. Nieuwegein, Lichtveld, Buis en Partners BV.
  • VROM (2001) Nationaal Milieubeleidsplan 4: ‘Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid’ (J. Pronk, ed.) Ministerie van VROM, Den Haag.
  • VROM (2003) Actieprogramma Gezondheid en Milieu: uitwerking van een beleidsversterking. Ministeries van VROM en VWS, Den Haag.
  • VROM (2006) Nota Ruimte: ‘Ruimte voor Ontwikkeling’. Ministeries van VROM, LNV, VenW en EZ, Den Haag.
  • VROM, VWS, LNV, OCW, WWI, VenW (2008) Kamerbrief Nationale aanpak milieu en gezondheid 2008-2012, SAS/wjk2008030789, 9 april 2008.
  • Wezel van AP, Franken ROG, Drissen E, Versluijs CW, Van den Berg R. ‘Maatschappelijke Kosten-BatenAnalyse van de Nederlandse bodemsaneringsoperatie’, MNP-rapport 500122002/2007. Bilthoven: Milieu en Natuur Planbureau, 2007.