Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2010

Beleidsdossier rood groen balans stedelijke netwerken

De totale hoeveelheid openbaar groen neemt toe, maar de hoeveelheid per inwoner niet. Meer groen in de stedelijke omgeving staat deels haaks op verdichting, maar met extra inspanning is het toch mogelijk om compacte, groene omgevingen te creëren.

Rood en groen gaan goed samen

Naast woon- en werkfuncties ligt bij de (her)ontwikkeling van steden een groene opgave. Vooral in de grote steden is men ontevreden over de hoeveelheid groen in de buurt. Op het eerste gezicht lijkt dit een kwestie van communicerende vaten: meer bouwen van rode functies gaat onvermijdelijk ten koste van groene functies zoals parken, sportvelden, natuur en volkstuinen. Toch hoeft de doelstelling van de rijksoverheid om meer in de bestaande steden te bouwen niet strijdig te zijn met de doelstelling om voldoende groen in de woonomgeving te bieden.

Groene leefomgeving belangrijk

Het ruimtelijk beleid is gericht op het intensiveren van verstedelijking. Tegelijkertijd is er behoefte aan een groene leefomgeving. Het Rijk heeft daarom als doel in de Nota Ruimte gesteld ‘het behoud en de verbetering van de balans tussen rood en groen/blauw’. Ook werd in deze nota een streefgetal van 75 m2 per woning voor nieuwe uitleglocaties opgenomen. Dit streefgetal is echter niet in de AMvB Ruimte opgenomen, maar wel in het Rijksreferentiekader Verstedelijking dat de basis vormt voor onderhandelingen over regionale verstedelijkingsafspraken (Programmadirectie Verstedelijking 2009). Meer recentelijk heeft de Tweede Kamer het kabinet gevraagd om het streefgetal van 70 m2 per persoon in de structuurvisie Randstad 2040 op te nemen (Tweede Kamer 2009).

Nut van openbare groen

Groen in de woonomgeving is van individueel en maatschappelijk belang. Uitzicht op groen en water heeft een duidelijk positief effect op de waardering van de woonomgeving (Crommentuijn et al. 2007) en op de woningprijs (Bervaes et al. 2005). De aanwezigheid van groen buiten de directe leefomgeving (buurtpark, stadspark, natuur en parken in de stadsrand) is veel minder bepalend voor prijsontwikkelingen dan bereikbaarheid en sociaal-culturele factoren (Visser & Van Dam 2006). Openbaar groen blijft echter van belang als een collectief goed: het biedt ruimte voor lichaamsbewegingen, en dus volksgezondheid, en draagt bij aan de stedelijke luchtkwaliteit. Ook kan openbaar groen de lokale sociale cohesie in wijken bevorderen (PBL 2010a, 2010b). In de Agenda Vitaal Platteland wordt dus de wens uitgesproken dat de tevredenheid en gebruik van recreatieve groenvoorzieningen in de Randstad in 2013 op hetzelfde niveau moet liggen als de rest van Nederland en in elk geval binnen tien minuten fietsafstand liggen. Ook zijn er al decennia rijksinvesteringen en een rijksbufferzonebeleid om de recreatiemogelijkheden in stedelijke netwerken te vergroten.

Groen in de buurt onder druk

Ondanks de collectieve en individuele waardering van groen daalt de beschikbaarheid van groene functies binnen vijfhonderd meter van de woning gemiddeld voor heel Nederland. In het stedelijk gebied neemt zowel het oppervlak groen als recreatie af in de periode 1996-2003. Vooral in de grote steden worden volkstuinen en sportvelden verdrongen naar stadsranden. Er zijn echter grote verschillen tussen gemeenten in de hoeveelheid groen rondom woningen. Tevens is te zien dat niet alleen de grote steden kampen met een tekort aan openbaar groen (< 75m2): ook gemeenten in het Groene Hart en zelfs Friesland laten een tekort zien.

Ook de waardering van groen in de buurt is tussen 2006 en 2009 afgenomen, zowel in de grote steden als daarbuiten (De Boer en de Groot, 2010).

Meer recreatie en minder groen in stadsrandzone

Netto verandering ruimtegebruik in Nederland voor wonen, werken, recreatie en natuur in het stedelijk gebied, de stadsrandzone en het buitengebied

Netto verandering ruimtegebruik in Nederland voor wonen, werken, recreatie en natuur in het stedelijk gebied, de stadsrandzone en het buitengebied

In de stadsrandzone is sprake van een afname van agrarisch groen (Hamers et al. 2009). Een uitzondering hierop zijn de rijksbufferzones waar nog altijd driekwart uit groene functies bestaat. Er is een verschuiving waarneembaar van natuurlijke naar meer recreatieve functies. Wel neemt het netto oppervlakte toegankelijk groen toe door de aanleg van groenvoorzieningen zoals parken en recreatiegebieden (PBL 2010).

Blijvend zorg om recreatiemogelijkheden

In 2009 was 54% van de bewoners van de G31-steden tevreden of zeer tevreden over het groen binnen een halfuur reistijd van hun woning.

Ondanks de versterking van de recreatiemogelijkheden in de nabijheid van steden, zijn de mogelijkheden om te wandelen en fietsen tussen 1996 en 2006 toch afgenomen.
De investeringen in de aanleg van recreatiegebieden en paden in de nabijheid van de grote steden hebben de toegenomen vraag niet kunnen bijhouden. Vooral in Amsterdam en Rotterdam is men ontevreden met hun groenvoorzieningen. Op landelijk niveau is het grootste aantal recreatieplaatsen voor wandelen te vinden in Brabant, Flevoland, Drenthe en de Veluwe. Het laagste aanbod ligt in de Randstad/Groene Hart, Zeeland, Friesland en Groningen maar deze regio’s laten wel de sterkste toename zien.

Relativering van groen/rood

De vraag of er voldoende groen in de leefomgeving aanwezig is, blijft voor een belangrijk deel een definitiekwestie. Dit is te zien aan de verschillen in de uitkomsten van berekeningen van voorzieningsniveaus openbaar groen en enquêtes naar tevredenheid. Het hangt ook samen met het verschil tussen absolute veranderingen (bijvoorbeeld meer oppervlak groen binnen een gemeente) en relatieve veranderingen (het oppervlak groen per inwoner). In de stadsrandzone is veel recreatief groen ontwikkeld maar het aandeel woningen ligt er nog altijd veel hoger. Soms verdwijnt het ene soort groengebied maar komt er een ander voor terug: in stedelijke gebieden worden volkstuinen en sportvelden door woningen verdrongen (Hamers et al 2009) terwijl het areaal parken en plantsoenen toeneemt (RIGO et al., 2008).

Doorwerking beleid

Het beleid om de groene, recreatieve mogelijkheden in de nabijheid van steden te versterken is ten dele succesvol geweest. In rijksbufferzones is het restrictieve beleid om bebouwing te weren, relatief succesvol te noemen. Hierdoor vindt verstedelijking het meest plaats in stadsrandzones buiten de bufferzones (PBL 2010a). De rijksbufferzones zijn evenals de EHS in het AMvB Ruimte juridisch beschermd. De beoogde aanleg van nieuwe recreatiegebieden rond steden, waarvoor het Rijk aanzienlijk investeringen heeft gedaan, verloopt minder voorspoedig. Van de beoogde 14.563 ha nieuw recreatiegebied, waarvan de afspraken met andere overheden zijn vastgelegd in ILG-overeenkomsten, is tot nu toe voor ongeveer twee derde verworven en een derde ingericht. Het achterblijven van de aanleg en inrichting wordt vooral toegeschreven aan de hoge kosten, mede door grondprijsstijgingen, en ruimtelijke/institutionele belemmeringen zoals onduidelijkheid over de rol van verschillende partijen en ontbreken van goedkeuring van bestemmingsplannen (PBL 2009).

Groene verdichting mogelijk maar vergt inspanning

Het is niet per definitie zo dat verdichting gepaard moet gaan met een achteruitgang in de kwaliteit van groenvoorzieningen. Via goed architectonische en stedenbouwkundige ontwerpen is het mogelijk om beide te realiseren. Een goed ingericht, klein stadspark levert meer kwaliteit op dan veel ondefinieerbaar groen rondom woningen; deze kan zelfs de woonbeleving verminderen door een onveilig gevoel te geven (WBB 2010). Aan de andere kant moeten er voldoende investeringen kunnen worden ingezet zijn om deze groene kwaliteit te bieden. Gezien de afname van rijkssubsidies voor stedelijke herstructurering zal dit een opgave zijn.

Referenties