Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2010

Energiebesparingstempo blijft achter bij doelstelling

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

In de periode van 2011 tot en met 2020 moet er per jaar gemiddeld 2% energie worden bespaard Bij uitvoering van het huidige beleid bedraagt het besparingstempo echter niet meer dan 1,0 tot 1,5% per jaar. Als daarnaast het voorgenomen beleid wordt uitgevoerd, Als het nieuwe kabinet ook het voorgenomen beleid van het kabinet-Balkenende IV uitvoert, stijgt het tempo naar 1,1 tot 1,6%.

Het huidige energiebesparingstempo zal met de uitvoering van het Schoon en Zuinig beleid waarschijnlijk worden versneld. Het doel van gemiddeld 2% per jaar komt daarmee echter nog niet binnen bereik.

Het huidige energiebesparingstempo zal met de uitvoering van het Schoon en Zuinig beleid waarschijnlijk worden versneld. Het doel van gemiddeld 2% per jaar komt daarmee echter nog niet binnen bereik.
Het huidige energiebesparingstempo zal met de uitvoering van het Schoon en Zuinig beleid waarschijnlijk worden versneld. Het doel van gemiddeld 2% per jaar komt daarmee echter nog niet binnen bereik.

Het huidige energiebesparingstempo zal met de uitvoering van het Schoon en Zuinig beleid waarschijnlijk worden versneld. Het doel van gemiddeld 2% per jaar komt daarmee echter nog niet binnen bereik.

Energiebesparingstempo van 2% per jaar niet binnen bereik

Het is onwaarschijnlijk dat met het huidige beleid het gewenste energiebesparingstempo wordt gerealiseerd. Uitvoering van het vastgestelde beleid uit het werkprogramma Schoon en Zuinig en het Europese beleid leidt namelijk tot een versnelling van het energiebesparingstempo van circa 1,1% nu naar gemiddeld 1,0% tot 1,5% in de periode van 2011 tot en met 2020 (ECN en PBL, 2010). Het doel van gemiddeld 2% per jaar in de periode van 2011 tot en met 2020 wordt daarmee dus niet gehaald. Uitvoering van het voorgenomen beleid is evenmin toerijkend om het doel te halen; het tempo kan dan slechts worden verhoogd tot gemiddeld 1,1% tot 1,6% per jaar.

Over het voorgenomen beleid is overigens nog geen politiek besluit genomen. Het is onzeker in hoeverre de EU en het kabinet dat Balkenende IV opvolgt deze voornemens zullen uitvoeren.

Vooral Europees beleid zorgt voor energiebesparing

Naast het huidige Schoon en Zuinig beleid, resulteert met name de uitvoering van het Europese beleid in een fors lager energieverbruik. In 2020 ligt het nationale energieverbruik circa 90 PJ lager dan wanneer het huidige beleid niet zou zijn uitgevoerd (ECN en PBL, 2010). Met de uitvoering van het voorgenomen beleid ligt die besparing op circa 113 PJ. Vooral in de gebouwde omgeving (huishoudens en kantoren) en in het transport neemt de energiebesparing toe (zie bovenstaande figuur). Bij transport komt dat door de invoering van de verplichte Europese CO2-normen voor personenauto’s. In de gebouwde omgeving komt dit met name door de toepassing van steeds efficiëntere elektrische apparaten en het gebruik van zuinigere verwarmingsinstallaties. Elektrische apparaten worden steeds zuiniger als gevolg van de Europese Ecodesign-richtlijn die verplichte energie-efficiëntienormen stelt.

Energiebesparing door convenanten valt tegen

De effecten van de convenanten die de Nederlandse overheid heeft gesloten met bedrijven en instellingen, zijn diffuus of vallen zelfs tegen. De nieuwe convenanten met de industrie (MJA3 en MEE) verhogen het energiebesparingstempo ten opzichte van voorgaande jaren waarschijnlijk niet (ECN en PBL, 2010). Zulke convenanten leiden wel tot meer aandacht voor rendabele maatregelen, maar bewerkstelligen echter niet dat bedrijven ook meer ónrendabele maatregelen treffen.

In het convenant Meer met Minder streven het Rijk, de energiebedrijven, de installatiebranche en de woningcorporaties voor 2020 naar een besparing van 100 PJ in bestaande woningen en kantoren. Volgens de laatste schattingen wordt er echter in 2020 niet meer dan 12-44 PJ bespaard (ECN en PBL, 2010). Dit komt door het vrijwillige karakter van dit convenant. Vanwege praktische bezwaren als verbouwingsoverlast en organisatorische en financiële rompslomp zijn woningeigenaren niet snel geneigd om energie te besparen. Daarnaast zijn er institutionele belemmeringen. Zo liggen de investeringen en baten bij verschillende partijen (split incentive) in de huursector van woningen en utiliteitsgebouwen. Ook is het convenant onvoldoende vertaald naar duidelijke afspraken met afzonderlijke woningcorporaties.

De uitvoering blijkt tot dusver ook weerbarstiger dan gedacht. Eén van de kortetermijndoelen uit dit convenant is om tot en met 2011 de energieprestatie van 500.000 woningen te verbeteren. Volgens een steekproefsgewijs onderzoek zouden in de jaren 2008 en 2009 zo’n 350.000 woningen zijn verbeterd (Gerdes, 2010). Tot dusver ligt het tempo waarbij de isolatie van woningen in 2008 en 2009 is verbeterd echter in lijn met het gemiddelde tempo in de periode van 2001 tot en met 2006. Dat betekent dat het beleid niet tot een versnelling van het (autonome) besparingstempo heeft geleid. Daarnaast blijkt uit een evaluatie van elf recente woningrenovatieprojecten dat slechts drie projecten een energiebesparing realiseren die aan het convenantdoel voldoet (Hoppe, 2009). Dit wordt ondermeer verklaard doordat gemeenten bij renovatieprojecten geen bouwvergunning kunnen inzetten om eisen te stellen. Ze kunnen energiebesparing hooguit aanmoedigen door (vrijwillige) afspraken te maken met woningcorporaties. Daarnaast bleken goede resultaten vooral afhankelijk van sterke samenwerking tussen de betrokken organisaties en van de hoeveelheid aandacht die corporaties aan klimaatbeleid besteden.
Schoon en Zuinig beleid leidt tot verdringing energiebesparing
In de landbouw- en energiesector leidt het Schoon en Zuinig beleid juist tot een afname van het energiebesparingstempo. Dit is te verklaren doordat energiebesparende maatregelen worden verdrongen door de stimulering van hernieuwbare energie (ECN en PBL, 2010). Die stimulering leidt tot extra productie van hernieuwbare elektriciteit. Deze gesubsidieerde groene stroom zal de plaats innemen van relatief dure stroom uit gasgestookte centrales en WKK-installaties. De gemiddelde energie-efficiëntie van de centrale elektriciteitsproductie neemt dan af doordat de gasgestookte centrales en WKK-installaties vaker op een lagere bezettingsgraad zullen produceren. Overigens is de CO2-reductie door het stimuleren van hernieuwbare energie nog altijd groter dan de verdrongen CO2-reductie door energiebesparing. Geschat wordt dat stimulering van hernieuwbare energie netto circa 33 Mton CO2-equivalenten reduceert. Hiervoor is maximaal 6 Mton CO2-reductie door energiebesparing verdrongen.

Handelingsopties

Het Rijk kan aanvullende maatregelen treffen om het beleidstekort verder te verkleinen. De door ECN, PBL en de Werkgroep Energie en Klimaat onderzochte maatregelen, worden op de volgende pagina verder besproken.

Energiebesparingstempo tot en met 2008

De nationale besparing exclusief gebruik als grondstof, ligt in de periode 2000-2008 volgens voorlopige cijfers tussen 0,7 en 0,9% (Gerdes en Boonekamp, in voorbereiding). In de Milieubalans 2009 lag het energiebesparingstempo in de periode 1995-2007 nog op 1,1%. Vanwege een revisie van het Protocol Monitoring Energiebesparing, komt het energiebesparingstempo nu lager te liggen. Voor een belangrijk deel wordt dit verklaard doordat de (forse) energiebesparing die tussen 1995 en 2000 plaatsvond niet meer wordt meegerekend: het basisjaar is nu 2000. Zonder deze revisie zou het gemiddelde tempo in de periode 1995-2008 nog zijn uitgekomen op ongeveer 1,1% per jaar.

Beleid energiebesparing

Het kabinet Balkenende IV heeft zich in het werkprogramma Schoon en Zuinig het doel gesteld om in de periode van 2011 tot en met 2020 een energiebesparingstempo van gemiddeld 2% per jaar te realiseren. In dit werkprogramma zijn daarbij maatregelen voorgesteld om het energiebesparingstempo te verhogen, zoals energiebesparing in de gebouwde omgeving en de industrie, het stimuleren van warmtekrachtkoppeling (WKK), een kilometerheffing en het verbeteren van de energie-efficiëntie van voertuigen. De kilometerheffing maakt bij de beoordeling van de effecten van het werkprogramma Schoon en Zuinig overigens geen onderdeel uit van het vastgestelde beleid, maar alleen van het voorgenomen beleid. De energie-efficiëntie van voertuigen en elektrische apparaten (de Ecodesign-richtlijn) wordt door Europees beleid bepaald.

Referenties

  • ECN en PBL (2010). ‘Referentieraming emissies en energie 2010-2020‘. Rapportnummer ECN-E-10-004, ECN en PBL, Petten en Bilthoven/Den Haag.
  • Gerdes, J. (2010). ‘Monitor Schoon en Zuinig – Stand van zaken april 2010‘. Rapportnummer ECN-E–10-042, ECN in samenwerking met AgentschapNL, Petten/Utrecht.
  • Gerdes, J. en P.G.M. Boonekamp (in voorbereiding). ‘Energiebesparing in Nederland 2000-2008’. Energieonderzoek Centrum Nederland, in samenwerking met AgentschapNL, CBS en PBL, Petten.
  • Hoppe, T. (2009). Proefschrift ‘CO2-reductie in de bestaande woningbouw – een beleidswetenschappelijk onderzoek naar ambitie en realisatie’. Universiteit Twente, Enschede.

Relevante informatie

Naam van het gegeven

Referentieraming

Omschrijving

Raming energiebesparing in 2020

Verantwoordelijk instituut

ECN en PBL

Berekeningswijze

Zie aanpak beschreven in ECN en PBL (2010)

Geografisch verdeling

Nederland

Betrouwbaarheidscodering

B1