Balans van de Leefomgeving

Europees doel hernieuwbare energie alleen haalbaar met hervorming SDE-regeling

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Bij de uitvoering van het vastgestelde Schoon en Zuinig beleid zal het aandeel hernieuwbare energie in 2020 volgens de Europese definitie uitkomen op 7%. Dit is onvoldoende om het Europese doel van 14% in 2020 te halen. Alleen als de SDE-regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie) wordt hervormd, kan een aandeel van 12% tot 15% worden gehaald.

 Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energie (volgens Europese definitie) te bereiken.

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energie (volgens Europese definitie) te bereiken.
Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken
Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken
Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Huidig beleid leidt tot 7% hernieuwbare energie volgens Europese definitie

Bij voortzetting van het huidige beleid, zoals geformuleerd in het werkprogramma Schoon en Zuinig (S&Z), zal het aandeel hernieuwbare energie naar verwachting uitkomen op circa 7% in 2020 (ECN en PBL, 2010). Dit is onvoldoende om het Europese doel van 14% hernieuwbare energie in 2020 te realiseren. Overigens heeft S&Z wel effect: zonder dit beleid zou het aandeel in 2020 niet hoger worden dan circa 4%.Zonder het S&Z beleid zou het aandeel circa 4% zijn geweest. De toename van het aandeel hernieuwbare energie is voor circa 80% toe te schrijven aan de SDE-regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie). De reden van het grote effect van deze regeling is dat er zonder subsidies maar weinig rendabele technieken zijn voor hernieuwbare energie. In de verkeersector levert de verplichte inzet van biobrandstoffen – overigens zonder subsidies – het grootste effect. Ook blijft in 2020 het belang van hernieuwbare elektriciteit van groot belang in het verduurzamen van de energiehuishouding. Het verduurzamen van de warmte- en koudevoorziening blijft daarbij achterlopen. De voornaamste redenen daarvoor zijn dat het beleid voornamelijk op elektriciteit is gericht, maar ook omdat (goedkope) maatregelen maar beperkt beschikbaar zijn tot en met 2020.

Hervorming van SDE-regeling leidt tot 12 tot 15% hernieuwbare energie volgens Europese definitie

Het aandeel hernieuwbare energie kan toenemen tot 12% à 15% indien het budget voor de stimulering van hernieuwbare energie toeneemt tot 3,6 miljard euro per jaar in 2020, conform de voorgenomen herziening van de SDE-regeling. Hiermee kan het Europese doel van 14% waarschijnlijk worden gehaald. De marge is echter wel ruim, omdat de kans redelijk groot is dat het aandeel lager zal uitvallen door vertragingen bij de ruimtelijke inpassing en knelpunten in de kredietverstrekking. Het kabinet Balkenende IV heeft in 2009 aangegeven de huidige SDE-regeling te zullen hervormen (EZ, 2009). Hierdoor zou de SDE-regeling ‘ruimer en robuuster’ worden gefinancierd. Door de val van dat kabinet is besluitvorming daarover aan het nieuwe kabinet overgelaten. Daarom hebben we de evaluatie van het vastgestelde beleid gebaseerd op de ‘oude’ SDE-regeling, aangevuld met de Europese verplichting om 10% van de transportbrandstoffen vanaf 2020 te vervangen door duurzame brandstoffen.

Handelingsopties

Het rijk kan aanvullende maatregelen treffen om het beleidstekort verder te verkleinen. De door ECN, PBL en de Werkgroep Energie en Klimaat onderzochte maatregelen worden op de volgende pagina verder besproken.

Aandeel hernieuwbare energie neemt in 2009 verder toe

Het aandeel hernieuwbare energie van het binnenlandse energiegebruik is volgens voorlopige cijfers gestegen van 3,4% in 2008 naar 4,0% in 2009 (CBS, 2010).
De inzet van biomassa is in vergelijking met andere bronnen voor hernieuwbare energie (zoals wind- en zonne-energie) snel toegenomen. De bijdrage van biomassa aan de energievoorziening steeg van 2,1% in 2008 naar 2,5% in 2009. Dat heeft te maken met de toename van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales en afvalverbrandingsinstallaties en met een toename van biobrandstoffen in het wegverkeer.
Het aandeel van de energievoorziening was in 2009 voor bijna 1,2% afkomstig van windmolens, ruim 10 procent meer dan in 2008. Ondanks dat het in 2009 minder hard heeft gewaaid, is de bijdrage weer verder toegenomen door het in gebruik nemen van nieuwe windmolens.

Europese doelstelling voor hernieuwbare energie in 2020

De Europese richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van hernieuwbare energie verplicht Nederland om in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energie te realiseren. In de transportsector moet 10% van de brandstoffen afkomstig zijn uit hernieuwbare bronnen. Voor biobrandstoffen gelden daarbij duurzaamheidscriteria. De inzet van elektrisch aangedreven wegverkeer en tweede generatie biobrandstoffen weegt zwaarder mee dan de eerste generatie biobrandstoffen, die momenteel commercieel verkrijgbaar is.

Europese doelstelling vergeleken met de Nederlandse doelstelling

De Europese doelstelling voor hernieuwbare energie heeft betrekking op het finale energiegebruik. Het finale energiegebruik is de energie die door consumenten wordt gebruikt. De Nederlandse definitie wijkt hier vanaf door de inzet van hernieuwbare energie te betrekken op het primaire energiegebruik. De Europese definitie is strenger dan de Nederlandse, omdat het finale energiegebruik kleiner is dan de primaire energie die nodig is geweest om de finale energie op te wekken. De noemer volgens de Europese definitie is daardoor in vergelijking met de Nederlandse definitie kleiner. Afhankelijk van de energiemix komt het Europese doel van 14% overeen met een doelstelling van 12% tot 17% volgens de Nederlandse definitie.

Nationale beleidsinstrumenten ter bevordering van hernieuwbare energie

De SDE-regeling is het belangrijkste instrument van het kabinet Balkenende IV om hernieuwbare energie te stimuleren. Bij het vastgestelde beleid wordt ervan uitgegaan dat de SDE-regeling nog gefinancierd wordt uit de schatkist en dat de bestaande beschikkingen van de MEP-regeling (Milieukwaliteit Elektriciteits Productie) van kracht blijven. Cumulatief zou dan 11 miljard euro beschikbaar zijn in de periode 2009 tot 2020 dan. Dit is inclusief de extra financiering voor 500 MW (megawatt) windenergie op zee zoals afgesproken in het aanvullende beleidsakkoord van het kabinet Balkenende IV. Bij het voorgenomen beleid wordt er van een hervorming van de financiering van de SDE-regeling uitgegaan. Dit zou betekenen dat de SDE-regeling gefinancierd zal gaan worden via een opslag op het energietarief. De huidige SDE-regeling drukt voor een belangrijk deel op de rijksbegroting. Aangezien de verdere invulling van een hervorming momenteel nog onbekend is, mede door de val van het kabinet Balkenende IV, worden er enkele veronderstellingen gedaan om het effect ervan te kunnen analyseren. Zo wordt er verondersteld dat het budget tot circa 3,6 miljard euro per jaar wordt verruimd (tegen een miljard euro per jaar nu). Dit ruimere budget zou nodig zijn om een maximaal aandeel (circa 35%) hernieuwbare elektriciteit te realiseren in 2020.

Europese beleidsinstrumenten ter bevordering van hernieuwbare energie

Naast de SDE-regeling draagt ook het Europese beleid bij aan het aandeel hernieuwbare energie in Nederland. De Europese richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van hernieuwbare energie verplicht lidstaten dat in 2020 10% van de transportbrandstoffen zijn vervangen door brandstoffen uit duurzame bronnen. Duurzame transportbrandstoffen worden ook gestimuleerd door de Europese richtlijn 2009/30/EG die de kwaliteit van brandstoffen regelt. Hierin wordt geëist dat in 2020 een broeikasgasreductie van 6% in de productieketen van de transportenergiedrager wordt gerealiseerd. Dit kan met de inzet van biobrandstoffen of elektrisch vervoer moeten worden bereikt.

Naam van het gegeven

Referentieraming

Omschrijving

Raming aandeel hernieuwbare energie in 2020

Verantwoordelijk instituut

ECN en PBL

Berekeningswijze

Zie aanpak beschreven in ECN en PBL (2010)

Geografisch verdeling

Nederland

Achtergrondliteratuur

Detaillering hernieuwbare energie productie & consumptie (hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare energie verkeer & vervoer) afkomstig van Beurskens:Beurskens, L.W.M. en M. Hekkenberg (2010). Renewable Energy Projections as Published in the National Renewable Action Plans of the European Member States. Rapportnummer ECN-E–10-069, Petten.

Betrouwbaarheidscodering

B1