Balans van de Leefomgeving

Doel hernieuwbare energie vrijwel zeker niet haalbaar

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om een aandeel hernieuwbare energie van 20% in 2020 te realiseren. Bij de uitvoering van het vastgestelde beleid zal het aandeel hernieuwbare energie in 2020 uitkomen op 6% tot 7%. Als het nieuwe kabinet ook het voorgenomen beleid van het kabinet-Balkenende IV uitvoert zal het aandeel uitkomen op 13% tot 16%.

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken
Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken
Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken
Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Het Schoon en Zuinig beleid is onvoldoende om in 2020 een aandeel van 20% hernieuwbare energie te bereiken

Uitvoering van het huidige beleid leidt tot 6 tot 7% hernieuwbare energie

Bij voortzetting van het huidige Schoon en Zuinig beleid (S&Z) zal het aandeel hernieuwbare energie naar verwachting uitkomen op circa 6% tot 7% in 2020 (ECN en PBL, 2010). Dit is onvoldoende om het doel van 20% hernieuwbare energie in 2020 te realiseren. Overigens heeft S&Z wel effect: zonder dit beleid zou het aandeel in 2020 niet hoger worden dan 2% tot 3%. De toename van het aandeel hernieuwbare energie is voor circa 80% toe te schrijven aan de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE). De reden van het grote effect van deze regeling is dat er zonder subsidies maar weinig rendabele technieken zijn voor hernieuwbare energie. In de verkeerssector levert de verplichte inzet van biobrandstoffen – overigens zonder subsidies – het grootste effect. Ook blijft in 2020 het belang van hernieuwbare elektriciteit van groot belang in het verduurzamen van de energiehuishouding. Het verduurzamen van de warmte- en koudevoorziening blijft daarbij achterlopen. De voornaamste redenen daarvoor zijn dat het beleid voornamelijk op elektriciteit is gericht, maar ook omdat (goedkope) maatregelen maar beperkt beschikbaar zijn tot en met 2020.

Voorgenomen beleid van Balkenende IV leidt tot 13 à 16% hernieuwbare energie

Dit aandeel kan op 13% tot 16% uitkomen indien het budget voor de stimulering van hernieuwbare energie toeneemt tot 3,6 miljard euro per jaar in 2020, conform de voorgenomen herziening van de SDE-regeling. De marge is ruim, omdat de kans redelijk groot is dat het aandeel lager zal uitvallen door vertragingen bij de ruimtelijke inpassing en knelpunten in de kredietverstrekking. Het kabinet Balkenende IV heeft in 2009 aangegeven de huidige SDE-regeling te zullen hervormen (EZ, 2009). Hierdoor zou de SDE-regeling ‘ruimer en robuuster’ worden gefinancierd. Door de val van dit kabinet is besluitvorming daarover aan het nieuwe kabinet overgelaten. Daarom hebben we de evaluatie van het vastgestelde beleid gebaseerd op de ‘oude’ SDE-regeling, aangevuld met de Europese verplichting om 10% van de transportbrandstoffen vanaf 2020 te vervangen door duurzame brandstoffen.

Windenergie en biomassa belangrijkste bronnen hernieuwbare energie

Het grootste deel van de hernieuwbare energieproductie vindt tot en met 2020 in de energiesector plaats. Daar wordt vooral hernieuwbare elektriciteit met behulp van wind op land, wind op zee en biomassa-meestook geproduceerd. Een hervorming van de SDE-regeling zal die productie nog aanzienlijk stimuleren (zie tabel 1). Ook leveren de biobrandstoffen in het verkeer en vervoer een grote bijdrage aan het aandeel hernieuwbare energie. Overigens neemt de bijdrage hiervan in het referentiepad inclusief het voorgenomen beleid (dus inclusief een kilometerheffing) af, omdat de energiebehoefte in de verkeerssector daalt. De meeste hernieuwbare energie wordt door SDE-regeling gestimuleerd. De biobrandstoffen voor de verkeerssector worden door het Europese beleid gestimuleerd.
Tabel 1. Vermeden fossiele energie-inzet door hernieuwbare energie in 2020 (in PJ)

Technologie Geen S&Z-beleid Vastgesteld S&Z-beleid Inclusief voorgenomen S&Z-beleid
Zonneboilers en zonnestroom 1 3 6
Bij- en meestook biomassa 69
Wind op zee 6 48 149
Wind op land 14 69 105
Vuilverbranding 14 14 14
Warmtepompen, WKO 15 17 17
Waterkracht 1 2 6
Aardwarmte 1 11
Mestvergisting 2 29
Transportbiobrandstoffen 29 39 35
Groen gas 1 24
Biomassa overig 10 17 42
Bron: ECN en PBL (2010)

Handelingsopties

Het rijk kan aanvullende maatregelen treffen om het beleidstekort verder te verkleinen. De door ECN, PBL en de Werkgroep Energie en Klimaat onderzochte maatregelen worden op de volgende pagina verder besproken.

Aandeel hernieuwbare energie neemt in 2009 verder toe

Het aandeel hernieuwbare energie van het binnenlandse energiegebruik is volgens voorlopige cijfers gestegen van 3,4% in 2008 naar 4,0% in 2009 (CBS, 2010).
De inzet van biomassa is in vergelijking met andere bronnen voor hernieuwbare energie (zoals wind- en zonne-energie) snel toegenomen. De bijdrage van biomassa aan de energievoorziening steeg van 2,1% in 2008 naar 2,5% in 2009. Dat heeft te maken met de toename van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales en afvalverbrandingsinstallaties en met een toename van biobrandstoffen in het wegverkeer. Het aandeel van de energievoorziening was in 2009 voor bijna 1,2% afkomstig van windmolens, ruim 10% meer dan in 2008. Ondanks dat het in 2009 minder hard heeft gewaaid, is de bijdrage weer verder toegenomen door het in gebruik nemen van nieuwe windmolens.

Nationale beleidsinstrumenten ter bevordering van hernieuwbare energie

De SDE-regeling is het belangrijkste instrument van het kabinet Balkenende IV om hernieuwbare energie te stimuleren. Bij het vastgestelde beleid wordt ervan uitgegaan dat de regeling nog gefinancierd wordt uit de schatkist en dat de bestaande beschikkingen van de MEP-regeling (Milieukwaliteit Elektriciteits Productie) van kracht blijven. Cumulatief zou dan 11 miljard euro beschikbaar zijn in de periode 2009 tot 2020 . Dit is inclusief de extra financiering voor een vermogen van 500 MW (megawatt) windenergie op zee zoals afgesproken in het aanvullende beleidsakkoord van het kabinet Balkenende IV. Bij het voorgenomen beleid wordt er van een hervorming van de financiering van de SDE-regeling uitgegaan. Dit zou betekenen dat de SDE gefinancierd zal gaan worden via een opslag op het energietarief. De huidige SDE-regeling drukt voor een belangrijk deel op de rijksbegroting. Aangezien de verdere invulling van een hervorming momenteel nog onbekend is, mede door de val van het kabinet Balkenende IV, worden er enkele veronderstellingen gedaan om het effect ervan te kunnen analyseren. Zo wordt er verondersteld dat het budget tot circa 3,6 miljard euro per jaar wordt verruimd (tegen een miljard euro per jaar nu). Dit ruimere budget zou nodig zijn om een maximaal aandeel (circa 35%) hernieuwbare elektriciteit te realiseren in 2020.

Europese beleidsinstrumenten ter bevordering van hernieuwbare energie

Daarnaast draagt ook het Europese beleid bij aan het aandeel hernieuwbare energie in Nederland. De Europese richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van hernieuwbare energie verplicht lidstaten dat in 2020 10% van de transportbrandstoffen zijn vervangen door brandstoffen uit duurzame bronnen. Duurzame transportbrandstoffen worden ook gestimuleerd door de Europese richtlijn 2009/30/EG die de kwaliteit van brandstoffen regelt. Hierin wordt geëist dat in 2020 een broeikasgasreductie van 6% in de productieketen van de transportenergiedrager wordt gerealiseerd. Dit kan met de inzet van biobrandstoffen of elektrisch vervoer moeten worden bereikt.

Referenties

Relevante informatie

Naam van het gegeven

Referentieraming

Omschrijving

Raming aandeel hernieuwbare energie in 2020

Verantwoordelijk instituut

ECN en PBL

Berekeningswijze

Zie aanpak beschreven in ECN en PBL (2010)

Geografisch verdeling

Nederland

Achtergrondliteratuur

Detaillering hernieuwbare energie productie & consumptie (hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare energie verkeer & vervoer) afkomstig van Beurskens:Beurskens, L.W.M. en M. Hekkenberg (2010). Renewable Energy Projections as Published in the National Renewable Action Plans of the European Member States. Rapportnummer ECN-E–10-069, Petten.

Opmerking

16 september 2010: link naar ECN-rapport Beurskens toegevoegd.

Betrouwbaarheidscodering

B1