Balans van de Leefomgeving

Investeringen in nieuw windvermogen blijven achter bij doelstelling voor 2011

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Door vertragingen in de vergunningverlening wordt er minder geïnvesteerd in nieuw windvermogen op land dan verwacht. Het is daarom onwaarschijnlijk dat het doel voor 2011 (2.000 MW extra) wordt gehaald.

 Naar verwachting wordt het doel om tot en met 2011 subsidieafspraken gemaakt te hebben voor nieuwe investeringen in 2.000 MW windenergie op land, wordt waarschijnlijk niet gehaald. Vertragingen in vergunningverleningprocedures zijn hiervoor de belangrijkste reden.

Naar verwachting wordt het doel om tot en met 2011 subsidieafspraken gemaakt te hebben voor nieuwe investeringen in 2.000 MW windenergie op land, wordt waarschijnlijk niet gehaald. Vertragingen in vergunningverleningprocedures zijn hiervoor de belangrijkste reden.

Onwaarschijnlijk dat er tot en met 2011 subsidieafspraken zijn gemaakt over 2.000 MW windenergie op land

Met het huidige beleid is het onwaarschijnlijk dat het doel om in de periode van 2008 tot en met 2011 subsidieafspraken te maken over de installatie van 2.000 MW windenergie op land zal worden gehaald. Tot en met 2009 zijn er namelijk nog maar over slechts 533 MW afspraken gemaakt (zie bovenstaand figuur). Het is niet de verwachting dat het huidige tempo nog aanmerkelijk zal worden versneld. Dit komt voornamelijk vanwege vertragingen in de vergunningverlening van nieuwe windmolens tot dusver. Om in aanmerking te komen voor een SDE-subsidie is de beschikking over een milieu- en bouwvergunning namelijk noodzakelijk. Procedures om vergunningen te verlenen, worden in 2010 en 2011 naar verwachting niet sneller en/of met meer succes doorlopen. De overheid zelf verwacht dat er een versnelling optreedt door de volgende beleidsaanpassingen:

  • De inzet van zogenoemde windteams en de rijkscoördinatieregeling, van toepassing bij windparken groter dan 100 MW. Er zijn echter niet veel plannen voor windparken met een dergelijke omvang. Bovendien dienen langdurige ruimtelijke procedures evengoed te worden doorlopen.
  • Ook kan de Crisis- en herstelwet een rol spelen bij het bespoedigen van procedures. Gemeenten worden in die wet gemaand om sneller duidelijkheid te geven over ongeschikte locaties voor windmolens vanwege het verstoren van radarstations. Daarbij onderzoekt het Rijk om de radarvoorziening hierop aan te passen. Resultaten van dit onderzoek worden pas eind 2010 verwacht (VROM, 2010).
  • Daarnaast worden provincies in de Crisis- en herstelwet verplicht om een inpassingsplan voor windenergie te maken als een gemeente medewerking weigert en de initiatiefnemer van het windenergieproject de provincie daar om vraagt. Ook worden provincies dan verplicht om een provinciale coördinatieregeling toe te passen wanneer het betreffende windpark een omvang van 5 tot 100 MW heeft. Tot dusver (juli 2010) zijn er echter nog geen inpassingsplannen door provincies vastgesteld. Provincies hoeven hier ook nog niet aan mee te werken zolang er geen besluit is genomen door het Rijk over provinciale doelstellingen. Het besluit hierover overgelaten aan het nieuwe kabinet.
  • Het ontwikkelen van een structuurvisie ‘Nationaal Ruimtelijk Perspectief Wind op Land’, waarin concentratiegebieden voor grootschalige windenergieparken worden aangewezen. Momenteel (juli 2010) is deze structuurvisie nog in ontwikkeling; het vaststellen daarvan zal niet meer door het demissionaire kabinet Balkenende IV worden gedaan, maar mogelijk door een nieuw kabinet.

Of deze maatregelen nog voor 2011 tot een versnelling leiden om subsidieafspraken te maken over nieuwe windparken, is dus onzeker. Op de langere termijn (tot en met 2020) kunnen deze beleidswijzigingen – indien uitgevoerd – mogelijk wél leiden tot het versnellen van investeringen in windenergie op land.

In 2009 bijna 2.000 MW aan windmolens op land opgesteld

Aan het einde van 2009 bedroeg het opgestelde vermogen windenergie op land volgens voorlopige cijfers 1.993 MW (CBS, 2010). In 2009 is de uitbreiding van het opgestelde vermogen aanmerkelijk vertraagd. De toename ten opzichte van 2008 bedraagt slechts 4%, terwijl er in de jaren na 2000 een jaarlijkse toename van 9% tot 39% werd gerealiseerd. Het doel wordt echter niet getoetst aan het feitelijk gerealiseerde vermogen windenergie op land, maar aan het vermogen waarvoor afspraken zijn gedaan voor een SDE-subsidie. Via de SDE-regeling zijn er in de periode van 2008 tot en met 2009 subsidieafspraken gemaakt over in totaal 533 MW (EZ, 2009a).

Verdubbeling windenergie op land tussen 2008 en 2011; verdere toename tot 2020

Om te beoordelen of de uitvoering van het Schoon en Zuinig beleid op koers ligt om de doelen van 2020 te realiseren, heeft het kabinet Balkenende IV tussendoelen voor 2011 gesteld. Ten aanzien van windenergie heeft het kabinet zich ten doel gesteld om het vermogen windenergie op land te verdubbelen. Het kabinet heeft dat vertaald in een doelstelling om subsidieafspraken te maken over de investering in 2.000 MW windvermogen op land tot en met 2011 (VROM, 2007). Daarmee zou het totale (deels opgestelde) vermogen van windenergie op land in 2011 ongeveer 4.000 MW windenergie moeten bedragen. Toetsing van het doel kan pas met zekerheid worden gedaan zodra de SDE-regeling 2011 is gesloten. Dat zal begin 2012 het geval zijn. Ook na 2011 wil het kabinet Balkenende IV dat investeringen in windenergie doorgaan. Daarom wordt voor 2020 beoogd om dan 6.000 MW aan vermogen windenergie op land te hebben gerealiseerd (IPO, 2010). Daarnaast wordt beoogd om 6.000 MW windenergie op zee te realiseren (EZ, 2009b).

Referenties

Relevante informatie

Naam van het gegeven

Benutting SDE-subsidies voor windenergie

Omschrijving

Benutte en onbenutte subsidies in 2008 en 2009 in het kader van de regeling ‘Stimulering Duurzame Energieproductie’

Verantwoordelijk instituut

AgentschapNL (basisgegevens) en PBL (bewerking door M.Verdonk)

Berekeningswijze

Basisgevens (budget en subsidietoezeggingen) afkomstig van AgentschapNL/Ministerie van EZDe eenmalig verstrekte subsidie van 104 tot 116 miljoen euro aan het windpark in de Noordoostpolder is omgezet in een potentieel subsidiabel vermogen volgens de SDE. Hierbij is gebruik gemaakt van de SDE-tarieven en -kentallen voor wind op land (budget: 24 miljoen euro) en ‘wind op meer’ (budget: 86 miljoen euro). De SDE-categorie ‘wind op meer’ is voor windmolens in gemeentelijke binnenwateren bedoeld en (speciaal) naar aanleiding van het windpark Noordoostpolder gecreëerd.

Basistabel

“009g_lb10.xls” (in beheer bij M.Verdonk)

Geografisch verdeling

Nederland

Betrouwbaarheidscodering

A1 (basisgegevens) en B2 (bewerking – zie beschrijving onder berekeningswijze)