Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2010

Halvering overige broeikasgassen binnen bereik

Als het huidige en het voorgenomen beleid wordt uitgevoerd is de kans 50% dat de emissie van overige broeikasgassen tussen 1990 en 2020 worden gehalveerd.

 De emissie van overige broeikasgassen is sinds het einde van de jaren 90 al aanzienlijk gedaald. De onzekerheid in de monitoring van N2O en CH4 emissies in de landbouw resulteert in een grote bandbreedte van verwachte emissies in 2020.

De emissie van overige broeikasgassen is sinds het einde van de jaren 90 al aanzienlijk gedaald. De onzekerheid in de monitoring van N2O en CH4 emissies in de landbouw resulteert in een grote bandbreedte van verwachte emissies in 2020.

Kans op halvering overige broeikasgassen is ongeveer 50%

Met uitvoering van het vastgestelde beleid bedraagt de gezamenlijke emissie van CH4, N2O en de F-gassen (HFK’s, PFK’s en SF6) in 2020 19 tot 35 Mton CO2-equivalenten (ECN en PBL, 2010) (zie bovenstaand figuur). Het doel is om een halvering van deze emissies tussen 1990 en 2020 te realiseren. Dit komt overeen met een emissiedoel van 26 Mton CO2-equivalenten in 2020. Dit emissiedoel ligt halverwege deze bandbreedte. De kans dat dit doel wordt gehaald is daarom ingeschat op 50%. De grote bandbreedte wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door onzekerheden in de monitoring en in de berekeningen van verwachte N2O- en CH4-emissies in de landbouw. In vergelijking met de situatie zonder Schoon en Zuinig beleid draagt vooral de lachgas emissiereductie bij salpeterzuurfabrieken bij aan de emissiedaling. In 2007 zijn bij de twee salpeterzuurfabrieken in Nederland katalysatoren in gebruik genomen die ervoor hebben gezorgd dat de lachgasemissie fors is afgenomen. Deze maatregelen zijn getroffen met het oog op de toetreding tot het Europese emissiehandelssysteem (ETS).

Uitvoering van voorgenomen beleid heeft weinig extra effect

Ook met de uitvoering van het door het kabinet Balkenende IV voorgenomen beleid is de kans op doelbereik 50%. Het voorgenomen beleid zorgt namelijk niet voor een significante extra emissiereductie ten opzichte van de situatie met alleen het vastgestelde beleid. Het geraamde verschil bedraagt minder dan 1 Mton CO2-equivalenten (ECN en PBL, 2010).

Over het voorgenomen beleid is overigens nog geen politiek besluit genomen. Het is onzeker in hoeverre de EU en het kabinet dat Balkenende IV opvolgt deze voornemens zullen uitvoeren.

Forse vermindering emissies overige broeikasgassen

In vergelijking met het basisjaar (1990 voor CH4, N2O; 1995 voor de F-gassen) ligt het huidige emissieniveau van de overige broeikasgassen al fors lager. In het basisjaar bedroeg de gezamenlijke emissie 54 Mton CO2-equivalenten. In 2008 was dit al gedaald tot ruim 31 Mton CO2-equivalenten, wat overeenkomt met een reductie van 42%. Zowel de emissie van CH4, N2O als van de F-gassen zijn tot dusver fors gedaald.

De CH4 emissie is gedaald van 25,5 Mton CO2-equivalenten in 1990 naar 17,1 Mton CO2-equivalenten in 2008. Deze reductie is voornamelijk veroorzaakt door de lagere emissies bij stortplaatsen.

De N2O-emissie is gedaald van 20,2 Mton CO2-equivalenten in 1990 naar 11,8 Mton CO2-equivalenten in 2008. Meer dan de helft van de daling is het gevolg van reductiemaatregelen halverwege 2007 bij de salpeterzuurfabrieken.

De emissie van F-gassen is gedaald van 8,3 Mton CO2-equivalenten in 1995 naar 2,4 Mton CO2-equivalenten in 2008.

  • HFK’s: De emissie van HFK’s is gedaald van 6,0 Mton CO2-equivalenten in 1995 naar 1,9 Mton CO2-equivalenten in 2008. Deze reductie is het gevolg van de installatie van een naverbrander bij de enige producent van HCFK22 in Nederland. Hierdoor is de emissie van HFK23 gedaald van 5,8 Mton CO2-equivalenten in 1995 tot 0,2 Mton CO2-equivalenten in 2008. Een emissiereductie van ruim 96%. Deze daling is voor een deel teniet gedaan door een stijging van het gebruik en daardoor ook de emissies van HFK’s in de koelsector. In de koelsector worden namelijk sinds 1994 HFK’s toegepast als koudemiddel. Doordat koelinstallaties HFK’s ‘lekken’ is de genoemde daling weer gecompenseerd met een extra emissie van bijna 1,1 Mton CO2-equivalenten.
  • PFK’s: De emissie van PFK’s is gedaald van 1,9 Mton CO2-equivalenten in 1995 naar 0,25 Mton CO2-equivalenten in 2008. Deze reductie is het resultaat van verandering in het productieproces van aluminium. Het besparen op de inzet van elektriciteit is een belangrijke overweging geweest bij het treffen van deze maatregel. Een daling van PFK-emissies was een gunstig bijkomend effect.
  • SF6: De emissie van SF6 is gedaald van 0,3 Mton CO2-equivalenten in 1995 naar 0,2 Mton CO2-equivalenten in 2008. Deze reductie is het resultaat van enerzijds de sluiting van de enige sterkstroomfabrikant en anderzijds door de verbeterde lekdichtheid in de hoog- en middenspanningsinstallaties.

Reductieplan Overige Broeikasgassen

Naast het Schoon en Zuinig beleid wordt sinds 1999 het Reductieplan Overige Broeikasgassen (ROB) uitgevoerd. Dit reductieplan heeft zich ten doel gesteld om de emissie van de overige broeikasgassen tussen 1990 en 2020 te halveren. Dit komt overeen met een emissieplafond van 26 Mton CO2-equivalenten in 2020. Door middel van het verstrekken van subsidies bij het toepassen van reducerende maatregelen en het stimuleren van innovaties daarin, zou dit doel moeten worden bereikt. ROB richt zich vooral op afvalstortplaatsen en op bedrijven in de landbouw en in de koel/vriessector.

Referenties

Relevante informatie

Naam van het gegeven

Referentieraming

Omschrijving

Raming niet-ETS emissies in 2020

Verantwoordelijk instituut

ECN en PBL

Berekeningswijze

Zie aanpak beschreven in ECN en PBL (2010)

Geografisch verdeling

Nederland