Balans van de Leefomgeving

Sterke daling van het aantal stadswegen met overschrijding van de luchtkwaliteitsnorm voor fijn stof – bij de meest belaste stadswegen blijft echter een risico bestaan op normoverschrijding

Uitvoering van het vastgestelde en voorgenomen beleid zal leiden tot een sterke afname van het aantal wegen met een overschrijding van de luchtkwaliteitsnorm voor fijn stof (PM10). Bij een beperkt aantal stadswegen in de grote steden blijft er echter een risico bestaan dat de norm voor PM10 in 2011 niet wordt gehaald. Ook komen overschrijdingen van de PM10-norm nog voor bij 150 grote pluimvee- en varkensstallen. Het tijdig in 2011 halen van de norm op deze locaties is onzeker. Na 2011 zal het risico op normoverschrijding afnemen omdat de luchtkwaliteit verder zal verbeteren.

Bij uitvoering van het (vastgestelde en voorgenomen) Europese en nationale beleid daalt het aantal wegen met overschrijding van de PM10-norm naar verwachting sterk (Velders et al., 2010). Effecten van lokale maatregelen zijn niet meegenomen in de berekeningen.

Bij uitvoering van het (vastgestelde en voorgenomen) Europese en nationale beleid daalt het aantal wegen met overschrijding van de PM10-norm naar verwachting sterk (Velders et al., 2010). Effecten van lokale maatregelen zijn niet meegenomen in de berekeningen.

Sterke daling van het aantal wegen met overschrijding van de PM10-norm door beleid

Om tijdig aan de normen voor luchtkwaliteit te kunnen voldoen is op 1 augustus 2009 het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgesteld. In dit programma zijn alle vastgestelde en voorgenomen (generieke en lokale) luchtmaatregelen gebundeld. Voor de in het NSL opgenomen maatregelen, vastgesteld en voorgenomen, bestaat een wettelijke uitvoeringsplicht. Vervanging van maatregelen is mogelijk mits de vervangende maatregelen een vergelijkbaar effect hebben. Nederland moet uiterlijk 11 juni 2011 voldoen aan de norm voor PM10.

In 2009 komen zo goed als geen overschrijdingen meer voor van de PM10-norm bij snelwegen (Velders et al., 2010). Bij de drukste stadswegen in grote steden komen wel nog normoverschrijdingen voor. Wanneer geen rekening wordt gehouden met de effecten van lokale maatregelen – met alleen het generieke vastgestelde en voorgenomen beleid – zal het aantal locaties met (meer dan 33% kans op) overschrijdingen van de PM10-norm dalen van circa 110 kilometer stadsweg in 2009 naar 45 kilometer in 2011 (Velders et al., 2010). Dit is een daling van circa 60%. Het merendeel van de daling wordt gerealiseerd met het vastgestelde beleid vooral de Europese emissienormering voor auto’s. Een klein deel wordt verklaard door het voorgenomen beleid.

Na doorvoering van het (vastgestelde en voorgenomen) generieke beleid resteert in 2011 dus nog circa 45 kilometer stadsweg waar de norm met (meer dan 33% kans) wordt overschreden. Langs minder dan 10 kilometer stadsweg komt de concentratie waarschijnlijk boven de PM10-norm uit (kans > 66%, oranje balk in figuur). Daarnaast zal langs circa 40 stadsweg de concentratie rond de PM10-norm uitkomen (kans op normoverschrijding tussen de 33 en 66%, gele balk in de bovenstaande figuur).

De minister van VROM bepaalt in het kader van het NSL welke generieke maatregelen worden meegenomen onder het voorgenomen luchtbeleid. Voorgenomen luchtmaatregelen met een effect op de luchtkwaliteit voor PM10 zijn de invoering van een kilometerheffing en de beperking van de groei van Schiphol (uitvoering advies van de ‘tafel van Alders’) en maatregelen voortvoeiend uit het fijnstofactieplan voor de industrie (inclusief op- en overslag). Naast deze luchtmaatregelen zijn er ook nog specifieke voorgenomen klimaatmaatregelen met positieve neveneffecten voor de luchtkwaliteit zoals de verdere stimulering van windenergie. Deze maatregelen worden niet meegenomen onder het voorgenomen luchtbeleid.

Met lokaal luchtbeleid komt de PM10-concentratie volgens NSL tijdig op of onder de norm

De beleidsopgave die overblijft na de doorwerking van het generieke beleid zal moeten worden opgelost met lokale maatregelen. Het NSL tracht de inzet van lokale maatregelen jaarlijks zodanig te sturen, dat de luchtkwaliteit op hoogbelaste locaties tijdig voldoet aan de grenswaarden.

De effecten van lokale maatregelen (en van lokale ruimtelijke projecten) worden door gemeenten en Rijkswaterstaat jaarlijks zelf berekend, gebruik makend van gedetailleerde lokale informatie. De meest actuele lokale berekeningen dateren van 2009 en vormden de basis voor het kabinetsbesluit NSL (VROM, 2009). Deze berekeningen laten zien dat de PM10-concentratie langs alle snelwegen en stadswegen, in een meteorologisch gemiddeld jaar, tijdig op of onder de norm zal uitkomen. De komende jaren zal moeten blijken in hoeverre de geplande lokale maatregelen ook daadwerkelijk het beoogde effect hebben.

Bij meest belaste stadswegen blijft een risico bestaan op normoverschrijdingen na 2011

Bij de rekenuitkomsten van het NSL past – wetenschappelijk gezien – een kanttekening. Lokale ramingen van de luchtkwaliteit kennen een onzekerheidsmarge van 15 tot 20%. Daarnaast zijn er nog onzekerheden die verband houden met de jaarlijkse fluctuaties in het weer (zie volgende alinea). Dit betekent dat niet met zekerheid kan worden bepaald of op sterk belaste locaties de PM10-norm daadwerkelijk tijdig haalbaar is. De NSL-rekenuitkomsten laten zien dat er een aantal hoogbelaste stadswegen in de grote steden zijn waar de geraamde concentraties van PM10 in 2011 slechts 1 à 2 µg/m3 (marge van 3-6%) onder de norm liggen. Gezien de grote onzekerheid in lokale ramingen blijft op deze locaties het risico bestaan dat de concentratie niet tijdig onder de norm uitkomt, bijvoorbeeld door een ongunstig meteorologisch jaar of door eventueel tegenvallende effecten van maatregelen (Velders et al., 2009; VROM, 2009). Na 2011 neemt dit risico af aangezien de luchtkwaliteit met de uitvoering van vastgestelde generieke maatregelen verder zal verbeteren.

De gegeven marge van 15 tot 20% houdt overigens geen rekening met de invloed van meteorologische variaties op de concentraties PM10. Jaarlijkse fluctuaties in het weer veroorzaken variaties in de jaargemiddelde concentraties van 9%. De NSL-berekeningen gaan uit van een langjarige gemiddelde meteorologie. In een jaar met ongunstige meteorologische condities kunnen de concentraties PM10 dus circa 9% hoger of lager zijn dan in een jaar met gemiddelde weercondities. Bij sterk belaste locaties komt dit overeen met 3 µg/m3 (Velders et al., 2010; Velders en Matthijsen, 2009), meer dus dan bovengenoemde verschillen tot de norm.

Om het beleid robuuster te maken voor deze tegenvallers, kunnen de betrokken overheden voor de sterk belaste locaties extra maatregelen overwegen, bijvoorbeeld door te sturen op een concentratieniveau dat enkele microgrammen onder de norm ligt. Voor PM10 is de resterende tijd van één jaar tot medio 2011 erg beperkt om zo nodig tijdig extra maatregelen te treffen.

PM10-normoverschrijdingen in de landbouw bij grote leghenbedrijven met scharrelhuisvesting, vleeskuikenbedrijven en varkensbedrijven

PM10-normoverschrijdingen in landbouwgebieden komen voor bij grote pluimveebedrijven en bij varkensbedrijven.

Nieuwe metingen aan stalsystemen voor pluimvee geven aan dat de totale emissies uit deze bedrijven lager uitkomen dan eerder gedacht. De emissies voor de landbouwsector vallen daardoor dit jaar 25% lager uit dan vorig jaar (ASG, in voorbereiding). Er zijn wel verschillen tussen verschillende pluimveecategorieën waardoor de berekende lokale concentratieveranderingen niet overal gelijk zijn (Bleeker en Kraai, 2009). De emissies van bedrijven met leghennen in scharrelhuisvesting zijn met 40% naar boven bijgesteld waardoor hier de lokale PM10-concentratie tot wel 2 µg/m3 naar boven is bijgesteld. Bij bedrijven met vleeskuikens en kalkoenen zijn de emissies met 50% verlaagd met als gevolg een neerwaartse bijstelling van lokale concentraties tot wel 12 µg/m3. Als gevolg van deze nieuwe inzichten komen overschrijdingen van de PM10-norm bij pluimveebedrijven nu voor bij zowel grote leghenbedrijven met scharrelhuisvesting als bij vleeskuikenbedrijven.

Tijdig halen van de PM10-norm bij 150 veehouderijbedrijven in 2011 is onzeker

Uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) blijkt dat bij ongeveer 150 bestaande intensieve veehouderijbedrijven – hoofdzakelijk pluimveehouderijen – de norm voor fijn stof niet tijdig (medio 2011) zal worden gehaald (VROM, 2009). Daarnaast is er een grote kans op nieuwe overschrijdingen bij de leghenbedrijven die nog moeten overschakelen van batterij- naar scharrelhuisvesting Het strooisel op de vloeren van scharrelhuisvesting zorgt voor een meer dan tienvoudige verhoging van de emissie van fijn stof ten opzichte van batterijhuisvesting. Deze omschakeling zal uiterlijk in 2011 moeten plaatsvinden als gevolg van Europese wetgeving gericht op dierenwelzijn. Omdat het hier vaak vrij grote bedrijven betreft is het waarschijnlijk dat hier, zonder extra maatregelen, extra knelpunten zullen ontstaan.

Het is onzeker of het probleem van de PM10-normoverschrijdingen bij de bestaande veehouderijbedrijven overal tijdig (medio 2011) op te lossen is. Allereerst wil de overheid de betreffende bedrijven vragen om op vrijwillige basis maatregelen te treffen (LNV, 2010). Hiervoor is een subsidieregeling beschikbaar. Omdat de subsidie echter slechts maximaal 60% van de investeringskosten dekt is het onzeker of veel bedrijven dit zullen doen. Als dit vrijwillige spoor niet mocht werken wil de overheid de maatregelen juridisch gaan afdwingen via het actualiseren van de milieuvergunning of het gedeeltelijk intrekken daarvan (LNV, 2010). Ook de resultaten van dit spoor zijn onzeker. Voor uitbreidende en nieuw vestigende bedrijven is het mogelijk om op grond van lokale luchtkwaliteitsnormen eisen te stellen voor de beperking van emissies. Het is de vraag in hoeverre dit kan bij bestaande bedrijven die een lopende vergunning hebben. Tenslotte is de resterende tijd van één jaar tot medio 2011, het moment dat de PM10-norm van kracht wordt, beperkt. De voorbereiding en invoering van maatregelen zoals de plaatsing van luchtwassers vraagt tijd.

Tempo daling PM10-concentraties is na 2000 afgenomen

De gemeten PM10 concentraties op regionale meetstations in het landelijk gebied (representatief voor de grootschalige achtergrondconcentratie) zijn in de periode 1994 tot en met 2009 met circa 0,9 µg/m3 per jaar gedaald (zie onderstaande figuur). De waargenomen concentratiedaling is hierbij in lijn met de antropogene emissieontwikkelingen (Matthijsen en Koelemeijer, 2010). De daling komt voor ongeveer tweederde door afnemende emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak (secundair anorganisch aerosol). De rest van de daling (een derde) komt door minder primaire deeltjes, secundair koolstof en water op deeltjes.

Gerealiseerde en geraamde grootschalige PM10-concentratie (gemiddeld over Nederland)

Gerealiseerde en geraamde grootschalige PM10-concentratie (gemiddeld over Nederland)

Door de jaarlijkse variaties in het weer en de grote meetonzekerheid, vooral de metingen van vóór 2003, is lastig te duiden hoe het tempo van concentratiedaling zich na 2000 heeft ontwikkeld (tweede figuur). Op grond van het dalende tempo van emissiereductie na 2000 wordt verwacht dat ook het tempo van PM10-concentratiedaling na 2000 is afgenomen (Matthijsen en Koelemeijer, 2010).

Uitgaande van de meest actuele inzichten zal de grootschalige concentratie met het vastgestelde en voorgenomen beleid tussen 2010 en 2020 licht verder dalen, met circa 0,2 µg/m3 per jaar (tweede figuur) (Velders et al., 2010). Het gaat hier uitsluitend om het jaarlijkse effect van beleid. Hoe de grootschalige PM10-concentratie zich daadwerkelijk van jaar tot jaar zal ontwikkelen hangt mede af van de fluctuaties in weersomstandigheden.

Referenties

  • ASG (in voorbereiding). Rapporten metingen aan pluimveestallen.
  • Bleeker A., A. Kraai (2009). Actualisatie Fijn Stof in de landbouw – Vervolg verfijningsslag, ECN-E–09-036, ECN, Petten
  • LNV (2010). Lijst van vragen en antwoorden – Vastgesteld 25 maart 2010 – Vragen door de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake fijn stof en de regeling ammoniak en veehouderij en antwoorden van de minister van LNV bij brief van 24 maart 2010, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, kamerstuk 30 654 nr. 81.
  • Matthijsen, J. en Koelemeijer, R.B.A., 2010. Beleidsgericht onderzoeksprogramma fijn stof – Resultaten op hoofdlijnen, PBL-rapport 500099013/2009
  • Mooibroek, D., R. Beijk, R. Hoogerbrugge (2010). Jaaroverzicht luchtkwaliteit 2009. RIVM-rapport 680704011/2010
  • Velders, G.J.M. en J. Matthijsen (2009). Meteorological variability in NO2 and PM10 concentrations in the Netherlands and its relation with EU limit values. Atmospheric Environment 43, 3858-3866.
  • Velders, G.J.M., J.M.M. Aben, W.F.Blom, H.S.M.A. Diederen, G.P. Geilenkirchen, B.A. Jimmink, A.F. Koekoek, R.B.A. Koelemeijer, J. Matthijsen, C.J. Peek, F.J.A. van Rijn, M.W. van Schijndel, O.C. van der Sluis en W.J. de Vries (2009). Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland – Rapportage 2009. Publicatienummer 500088005/2010, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven.
  • Velders, G.J.M., J.M.M. Aben, H.S.M.A. Diederen, E. Drissen, G.P. Geilenkirchen, B.A. Jimmink, A.F. Koekoek, R.B.A. Koelemeijer, J. Matthijsen, C.J. Peek, F.J.A. van Rijn en W.J. de Vries (2010). Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland – Rapportage 2010. Publicatienummer 500088006/2010, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven
  • VROM (2009). Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Ministerie van VROM, Den Haag.

Relevante informatie