Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2010

Herziening Gothenburg Protocol en NEC-richtlijn

Start herziening nationale emissieplafonds in het Gothenburg protocol

In 2009 is de herziening gestart van de nationale emissieplafonds uit het Gothenburg-protocol van de Verenigde Naties. Naast alle EU-lidstaten nemen ook de Verenigde Staten, Canada en een aantal landen ten oosten van de EU deel aan deze conventie. De besluitvorming over een nieuw protocol wordt in 2011 verwacht. De Europese commissie heeft begin juli 2010 bekend gemaakt dat ze de herziening van de richtlijn nationale emissieplafonds van de Europese Unie uitstelt tot 2013, het jaar waarin ook de luchtkwaliteitsrichtlijn herzien zal worden. Naar verwachting zal dit beleid zorgen voor een verdere daling van de Europese uitstoot van luchtverontreiniging in de periode tot 2020.

Bij beide herzieningen wordt uitgegaan van het vastgestelde Europese en nationale klimaat, energie en luchtbeleid. Ten opzichte daarvan zullen er verdergaande doelen worden geformuleerd voor de bescherming van de menselijke gezondheid en de natuur tegen luchtverontreiniging. Deze ambities worden vervolgens met behulp van het GAINS-model (IIASA) vertaald in nationale emissieplafonds voor 2020. Indicatieve analyses voor 2020-plafonds wijzen op aanscherpingen van alle Nederlandse emissieplafonds zoals die nu al gelden vanaf 2010.

Implementatie van het al vastgestelde Europese klimaat en luchtbeleid zal bijdragen aan het halen van deze aangescherpte plafonds. Het resterende deel zal met aanvullend nationaal luchtbeleid moeten worden bereikt. De maatschappelijke kosten en baten van dit aanvullende nationale luchtbeleid zullen zowel op Europees als op nationaal niveau worden geanalyseerd. Deze kosten-baten analyse zal vervolgens onderdeel uitmaken van de politieke besluitvorming over de af te spreken nationale emissieplafonds voor 2020.

Klimaatbeleid leidt netto tot minder luchtverontreiniging, maar niet altijd in Nederland

Klimaatbeleid heeft netto gunstige neveneffecten op luchtverontreiniging. Doordat klimaatbeleid de inzet van fossiele brandstoffen beperkt, dalen de luchtverontreinigende emissies vooral voor zwaveldioxide en stikstofoxiden (Daniëls et al. 2008; Hammingh et al. 2008). Dat komt vooral door energiebesparingsbeleid en het stimuleren van wind- en zonne-energie.

Andere klimaatmaatregelen zoals het gebruik van biobrandstoffen in het verkeer en de inzet van CO2-afvang en -opslag lijken maar een beperkt effect te gaan hebben op de uitstoot van luchtverontreiniging (Verbeek et al. 2009; Van Horssen et al., 2009).
De grootschalige inzet van CO2-afvang en -opslag zal leiden tot substantieel lagere emissies van zwaveldioxiden maar tot licht verhoogde emissies van stikstofoxiden (als gevolg van een toenemend energiegebruik) (Van Horssen et al., 2009).
Het gebruik van biobrandstoffen in het verkeer lijkt maar een beperkt effect te gaan hebben op de uitstoot van luchtverontreiniging (Verbeek et al. 2009).
De inzet van biomassa in centrales heeft eveneens een gering effect op emissies.
De stimulering van de inzet van biobrandstoffen als hout en biogas in kleine stationaire bronnen zoals WKK en gasmotoren leidt tot een substantiële verhoging van de uitstoot van stikstofoxiden en fijn stof (Boersma et al. 2009); anderzijds leidt deze maatregel tot een beperkte daling in SO2-emissies. Dit negatief effect is al voor een belangrijk ondervangen door de recente aanscherping van het besluit Emissie-eisen Middelgrote Stookinstallaties.
Inzet van biomassa in houtkachels bij consumenten kan leiden tot een verhoging van de emissies van het gezondheidsrelevante verbrandingsgerelateerde fijn stof.
Het netto positieve synergie-effect van klimaatbeleid binnen Nederland wordt mogelijk beperkt doordat Nederlandse bedrijven naar verwachting veel CO2-rechten in het buitenland zullen gaan aankopen via de Europese CO2-emissiehandel. Dit geldt vooral voor de elektriciteitssector, die er vanwege een relatief gunstige concurrentiepositie baat bij heeft om in Nederland te investeren in productiecapaciteit en elektriciteit te exporteren (ECN en PBL, 2010). Door de aankoop van emissierechten zullen de CO2-reductiemaatregelen worden genomen buiten Nederland. Daardoor treden ook de gunstige neveneffecten voor lucht buiten Nederland op.

Referenties

  • Daniëls, B.W., A.J. Seebregts en P. Kroon (2008) Trendanalyse Luchtverontreiniging – De effecten van het werkprogramma Schoon en Zuinig op de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Rapport nr. ECN-E–08-002, ECN, Petten.
  • ECN en PBL (2010) Referentie emissies en energie 2010-2020. Rapportnummer ECN-E–10-004, ECN/PBL, Petten/Bilthoven.
  • Hammingh, P., K. Smekens, R.B.A. Koelemeijer, B.W. Daniëls en P. Kroon (2008) Effects of Climate Policies on Emissions of Air Pollutants in the Netherlands – First Results of the Dutch Policy Research Programme on Air and Climate. PBL-publicatienummer 500146002, ECN rapport nr. ECN-E-08-064, PBL, Bilthoven.
  • Verbeek, R., B. Kampman, E.L.M. Rabé, X. Rijkee, N. Ligterink, S. Bleuanus (2009) Impact of biofuels on air pollutant emissions from road vehicles, phase 2, TNO report MON-RPT-033-DTS-03967.
  • Horssen van, A., T. Kuramochi, M. Jozwicka, J. Koornneef, T. van Harmelen, A. Ramirez Ramirez (2009) The impacts of CO2 capture technologies in power generation and industry on greenhouse gases and air pollutants in the Netherlands, TNO/Universiteit van Utrecht.
  • Boersma, A.R., P. Lako, R. van der Linden, J. van Doorn, B. Jansen, H.G.J. Kok, D.C. Heslinga (2009) Air pollutant emissions from stationary installations using bioenergy in the Netherlands, BOLK Phase 2, ECN rapport ECN-E–09-067, Petten.

Relevante informatie