Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2010

Landelijk gebied

Het landelijk gebied omvat een groot deel van onze groene leefomgeving en het wordt vaak tegenover de stad gezet, als het gebied buiten de stadsgrenzen. Daarmee is het grofweg synoniem met ‘platteland’. Historisch werd het landelijk gebied sterk vanuit de landbouw benaderd, maar de waardering voor de natuur en het landschap vanuit de bewoners van de stad groeit en het trekt steeds meer bezoekers. Rond de bewoningskernen gaan stad en landelijk gebied geleidelijk in elkaar over.

Beperkte ruimte voor natuur, landschap en cultuurhistorie in landelijk gebied

In het landelijk gebied zijn water, natuur, recreatie, wonen en landbouw ruimtelijk nauw verbonden. Voor het landelijk gebied stelt het rijk zich in de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland de volgende doelen: een vitaal platteland, de borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale natuur- en landschapswaarden, de borging van veiligheid, voorkoming van wateroverlast en watertekorten en verbetering van water- en bodemkwaliteit.

Realisatie van deze doelen vraagt om een ruimtelijke ordening die functies als natuur, landbouw en recreatie met elkaar verenigt en die de kwaliteit van het landelijk gebied waarborgt. Het PBL heeft een evaluatie gemaakt van de afzonderlijke doelen voor achtereenvolgens landbouw, natuur, recreatie, wonen en water in het landelijk gebied en de gevolgen van het beleid voor landschappen van nationaal belang.

De zeven belangrijkste conclusies over het landelijk gebied zijn:

  • Scheiden van het mozaïek van wonen, landbouw en natuur

    De ruimte kan niet tweemaal verdeeld worden. In het landelijk gebied concurreren veel functies met elkaar om de ruimte, zoals landbouw, natuur en water, vaak met onverenigbare eisen aan de omgeving. Daarmee sluiten bijvoorbeeld hoogproductieve landbouw en hoogwaardige natuur elkaar uit. Scheiding en het verminderen van elkaars beïnvloeding zijn middelen om hiermee om te gaan. Succesvolle scheidingsinstrumenten stagneren echter: de Ecologische Hoofdstructuur loopt achter op schema en de Reconstructie van zandgebieden vordert langzaam.

  • Mengen van gebruikfuncties in het landelijk gebied

    Monofunctioneel landgebruik houdt het risico van vervlakking van landschap-, natuur- en recreatiekwaliteit in. Wanneer de kwaliteit van het hele landelijk gebied voorop staat, is ook menging van functies een middel om die kwaliteit te verbeteren. Dit kan door plaatselijk karakteristieke landschapselementen, landbouw en biodiversiteit te combineren en door
    ruimte voor meer extensieve vormen van landbouw te realiseren. Hierdoor krijgen landschap, recreatie en biodiversiteit in het landelijk gebied meer kansen. Bovendien profiteert de landbouw van natuurlijke elementen door bijvoorbeeld plaagbestrijding en bestuiving.

  • Water als verbindende factor sleutelelement bij ruimtelijk planning

    Water dooradert Nederland, maar als verbindende factor in de ruimtelijke ordening speelt het nog een ondergeschikte rol. De klimaatverandering maakt de te maken keuzes scherper maar niet anders. Doordat klimaatadaptatie centraal komt te staan, kunnen verschillen in wensen van bijvoorbeeld verstedelijking, landbouw en natuur ondersneeuwen.

  • Milieudruk in landelijk gebied daalt te langzaam

    Het milieubeleid van de afgelopen 20 jaar heeft geleid tot een daling van de emissies en van de druk op milieu en natuur in het landelijk gebied. De uitzondering is verdroging waar de vordering gering is. De laatste jaren daalt de milieudruk echter langzaam. Om de beoogde doelen te bereiken zijn nog flinke extra stappen nodig. Omdat de relatief makkelijk uit te voeren maatregelen al zijn genomen is een verdergaande milieuverbetering niet eenvoudig te  realiseren.

  • MIRT kansrijk voor afweging integratie ruimtelijke belangen

    Het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) biedt kansen om in gebiedsprocessen verschillende functies te combineren en ruimtelijke belangen te integreren. Het is echter nog relatief nieuw en samenwerking en financiering ervan vergen aandacht.

  • Verwerking van landschapsdoelen door provincies en gemeenten vraagt
    tijd

    De regels voor Nationale Landschappen in (ontwerp) provinciale ruimtelijke verordeningen zijn nog niet conform de ontwerp-AMvB Ruimte en vragen tijd voor aanpassing door provincies.

  • Duidelijkheid over Rijksbufferzones werpt vruchten af

    Continuïteit en duidelijkheid over Rijksbufferzones werpt vruchten af. Wil dit beleid succesvol blijven, dan moet het rijk aandacht schenken aan de veranderingen door de komst van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Met de komst van de Wro werkt dit Rijksbufferzonebeleid namelijk niet meer automatisch door naar bestemmingsplannen.

Evaluatie van het beleid voor het landelijk gebied

Het PBL heeft geëvalueerd wat de effecten zijn van het beleid voor de verschillende gebruiksfuncties in het landelijk gebied: landbouw, natuur, wonen, recreatie, water en het landschap. Hoe staat het met de ontwikkeling van de Ecologische Hoofdstructuur? Hoe kunnen in één gebied al die verschillende en soms botsende functies goed uit de verf komen? En kan beleid voor het een überhaupt wel worden uitgevoerd zonder beleid voor het ander tegen te werken? Antwoorden op deze en andere vragen, en aanvullende informatie, staan op de volgende pagina’s: