Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2012

Regionaal maatwerk biedt kansen voor een doelmatiger aanpak van complexe problemen

Het Rijk heeft op verschillende terreinen ingezet op decentralisering van taken. Dat is een kansrijke strategie: met regionaal maatwerk in beleid en uitvoering is namelijk in te spelen op de regionale verschillen die binnen Nederland bestaan. Regionale partijen zijn
vaak beter in staat om knelpunten en oplossingen gebiedsgericht te prioriteren. Regionaal maatwerk vereist wel meer aandacht voor de beschikbaarheid van specialistische kennis op regionaal niveau en kost vaak meer tijd. Het leidt in beginsel tot een effectievere en efficiëntere aanpak dan rijksbeleid en tot meer draagvlak omdat partijen meer betrokken zijn.

De Rijksoverheid kan regionaal maatwerk faciliteren en tegelijkertijd zorg dragen voor bovenregionale belangen, onder andere door een coördinerende rol te vervullen (binnen en tussen bestuurslagen, op basis van rijksvisies), door helder te maken welke (inter)nationale kaders gelden, door proceseisen te stellen, door toezicht te houden op de uitvoering, door beleidseffecten snel te monitoren en te delen met regionale partijen, en door regionale overheden adequaat toe te rusten met kennis en geld. Als efficiënte oplossingen een hoger schaalniveau vergen (zoals de aanleg van infrastructuur) of waar bovenregionale dynamiek een rol speelt (zoals bij de verstedelijking in de Randstad), dan heeft de Rijksoverheid een coördinerende taak. Door kaders te stellen kan het Rijk een balans aanbrengen tussen de voordelen van regionaal maatwerk en de voordelen van eenvoud, transparantie en toepassing van het gelijkheidsbeginsel.

Bij de herziening van het omgevingsrecht en bij de nadere uitwerking van de decentralisatie van het ruimtelijk, natuur- en waterbeleid kan het Rijk de voorwaarden creëren voor succesvol regionaal maatwerk. Bij de verschillende onderdelen van het leefomgevingsbeleid gelden daarvoor de volgende aandachtspunten:

  • Het gedecentraliseerde natuurbeleid biedt de provincies kansen om de regie te nemen in de aanpak van milieuknelpunten en ruimtelijkeordeningsvraagstukken. Omdat het Rijk verantwoordelijk blijft voor de naleving van de internationale verplichtingen voor de natuur en de waterkwaliteit, zijn garanties nodig dat het beleid tussen provincies wordt afgestemd.
  • Het realiseren van de doelen van het water- en natuurbeleid wordt ernstig gehinderd door de prioriteit die het Rijk nu geeft aan de landbouw. Om te komen tot een doelmatige inzet van middelen, ligt een ruimtelijk specifieke keuze voor óf landbouw óf natuur en water voor de hand voor die gebieden waar de ambities voor landbouw, water en natuur onverenigbaar zijn.
  • Nu het Rijk het bundelingsbeleid en de Rijksbufferzones loslaat, komt de bescherming van open landschappen mogelijk in gevaar, vooral in gebieden met een hoge verstedelijkingsdruk, zoals de Randstad. Provincies zijn verantwoordelijk gemaakt voor het ruimtelijk beleid, zonder daarbij een expliciete taak te krijgen voor de bescherming van landschappen. Daarnaast introduceerde het Rijk de Ladder Duurzame Verstedelijking, die gemeenten voorschrijft eerst andere verstedelijkingsopties te verkennen voordat ze het bebouwde gebied uitbreiden. Vooral in de Randstad, die in drie provincies ligt, is het onduidelijk of de provincies de bovenregionale belangen van open landschappen (recreatie, behoud cultureel erfgoed, of als internationale vestigingsplaatsfactor) voldoende zullen dienen. Het Rijk zou voor zichzelf de mogelijkheid kunnen creëren om in te grijpen wanneer stedelijke uitbreiding ten koste gaat van waardevolle landschappen.
  • Bij de stedelijke gebiedsontwikkeling zorgt het huidige stelsel van milieunormen ervoor dat het milieubelang wordt gewaarborgd en dat gemeenten efficiënt kunnen werken, met zekerheid over de juridische toetsing van de (bestemmings)plannen. De efficiëntie kan worden vergroot door de mate van detail van de milieutoets af te stemmen op de mate van detail van de plannen. In specifieke gevallen zitten de milieunormen het bereiken van extra leefomgevingskwaliteit in de weg. Het blijkt dat de Interimwet stad en milieu en de (tijdelijke) Crisis- en herstelwet gemeenten voldoende bevoegdheden geven om die knelpunten op te lossen. De Crisis- en herstelwet mist echter nog een juridische waarborg van de benodigde maatregelen om tijdig aan de uitgestelde milieunormen te voldoen.
  • Door de decentralisatie van het verstedelijkingsbeleid kunnen provincies bouwactiviteiten beter afstemmen op de lokale behoeften. Dit kan echter op gespannen voet staan met efficiënte investeringen in de nationale transportinfrastructuur en de verbetering van de bereikbaarheid in Nederland. Voor de bereikbaarheid zijn de bundeling en verdichting van de bebouwing namelijk zeker zo belangrijk als de aanleg van extra infrastructuur. De bovenregionale afstemming die nodig is, ligt nu bij de provincies en de MIRT-overleggen. Garanties dat deze afstemming daadwerkelijk plaatsvindt, zijn er vooralsnog niet.
  • De waterveiligheid kan efficiënter op het gewenste peil worden gebracht. Dit kan door uit te gaan van een risicobenadering die ten opzichte van het huidige stelsel meer rekening houdt met regionale verschillen in de gevolgen – in de vorm van slachtoffers en schade – van overstromingen. De doelmatigheid zal ook toenemen als, op basis van deze regionale verschillen in de kosten en de te bereiken risicoreductie, investeringen meer in tijd en plaats worden gedifferentieerd.