Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2012

Effecten voetafdruk op biodiversiteit

De effecten van de voetafdruk op biodiversiteit zijn het grootst bij intensief landgebruik, vooral bij de productie van voedsel. Zo kost de productie van dierlijke eiwitten met behulp van veevoer, zoals soja en granen, relatief veel biodiversiteit. Voor vleesproductie wordt ook gebruik gemaakt van kuddes op natuurlijke graslanden (bijvoorbeeld in Zuid-Amerika). Dat kost relatief minder biodiversiteit per hectare door de extensieve manier van produceren, maar wel veel ruimte.

Om een beeld te geven van het biodiversiteitsverlies in de voetafdruk, is het oppervlak van de Nederlandse voetafdruk (links in de figuur) gecombineerd met een index voor verlies aan biodiversiteit (rechts in de figuur). Die MSA-index geeft de mate van natuurlijkheid weer

Om een beeld te geven van het biodiversiteitsverlies in de voetafdruk, is het oppervlak van de Nederlandse voetafdruk (links in de figuur) gecombineerd met een index voor verlies aan biodiversiteit (rechts in de figuur). Die MSA-index geeft de mate van natuurlijkheid weer
Er zijn grote verschillen in landgebruik tussen dierlijke producten en vleesvervangers. De waarde voor extensief rundvlees valt buiten de schaal van de horizontale as. De waarden zijn afgeleid uit een groot aantal literatuurbronnen, en zijn representatief voor de periode 2000-2005.

Er zijn grote verschillen in landgebruik tussen dierlijke producten en vleesvervangers. De waarde voor extensief rundvlees valt buiten de schaal van de horizontale as. De waarden zijn afgeleid uit een groot aantal literatuurbronnen, en zijn representatief voor de periode 2000-2005.
De visvangst met Nederlandse schepen vindt plaats op de Noordzee, de Atlantische Oceaan, en bij West-Afrika en Zuid-Amerika. De vis die in Nederland geconsumeerd wordt komt uit verschillende landen, vooral uit West-Europa. Steeds meer vis uit aquacultuur komt uit Aziatische landen.

De visvangst met Nederlandse schepen vindt plaats op de Noordzee, de Atlantische Oceaan, en bij West-Afrika en Zuid-Amerika. De vis die in Nederland geconsumeerd wordt komt uit verschillende landen, vooral uit West-Europa. Steeds meer vis uit aquacultuur komt uit Aziatische landen.

Verlies van biodiversiteit door consumptie is het grootst bij voedselproductie

De Nederlandse consumptie draagt bij aan het mondiale biodiversiteitsverlies, vooral vanwege de met consumptie gepaard gaande broeikasgasemissies en landgebruik (Rood et al. 2004). De invloed van deze milieudrukken op het mondiale biodiversiteitsverlies is bepaald met de MSA-indicator (zie laatste paragraaf).

Er is veel land nodig voor de productie van papier en pulp, maar productie van voedsel leidt tot meer biodiversiteitverlies (zie eerste figuur). Voor zowel plantaardig voedsel als dierlijke eiwitten wordt veel gebruik gemaakt van intensieve landbouwmethoden, waarbij de oorspronkelijke natuur grotendeels is verdwenen. Daarnaast zorgen intensieve productiemethoden voor milieudruk buiten de productiegebieden zelf, door onder andere stikstofemissies en de benodigde infrastructuur om producten te vervoeren. Het landgebruik voor hout, pulp en papier is iets kleiner dan dat voor voedsel, maar heeft een minder groot effect op het biodiversiteitsverlies. Dat komt omdat de oorspronkelijke bossen bij gebruik voor bosbouw niet helemaal verdwijnen, maar wel veranderen. Ook de emissie van broeikasgassen heeft invloed op biodiversiteit. De effecten van de huidige emissies zullen zich deels pas in de toekomst openbaren, vandaar dat deze in bovenstaande figuur niet zijn opgenomen. Een schatting van de effecten in 2100 van de emissies tot 2000 komt neer op 4.000 MSA vierkante kilometer (Rood & Alkemade 2005). Het landgebruik en de biodiversiteitseffecten voor bio-energie zijn in deze berekening niet opgenomen. De huidige inzet van bio-energie is nog beperkt, maar zou snel kunnen groeien vanwege de ambities van Nederland en de EU voor hernieuwbare energie en biobrandstoffen. De effecten daarvan op biodiversiteit hangen af van het soort teelt, de locatie en het optreden van indirecte landeffecten (Dornburg et al. 2008; van Oorschot et al. 2010).

Vlees en zuivel zijn producten die een intensief gebruik van de productieruimte vergen

De milieudruk van plantaardige en dierlijke producten verschilt aanzienlijk (tweede tabblad boven de figuur). Het landgebruik van dierlijke producten is gemiddeld een factor vijf hoger dan die van plantaardige alternatieven, zoals bonen en vleesvervangers (Westhoek et al. 2011). Dit komt doordat er aanzienlijke omzettingsverliezen optreden bij de productie van vlees. Dieren kunnen lang niet alle voedingsstoffen opnemen en bovendien is een deel van het dier niet of minder geschikt voor menselijke consumptie. Ongeveer de helft van een dier is vlees en de andere helft levert bijproducten, die minder geld opbrengen.

Visconsumptie Nederlanders neemt gestaag toe

De Nederlandse visserij speelt internationaal met een aandeel van 0,6 procent in de wereldwijde visvangst een bescheiden rol. De Nederlandse visserij omvat niet alleen de visserij ‘dicht bij huis’, zoals op de Noordzee en op de binnenwateren; driekwart van de vangst is afkomstig uit de grote zeevisserij (zie derde figuur). De Nederlandse visserij op de verre zee├źn richt zich op verschillende soorten vis. Zo gaat het in de noordelijke Atlantische Oceaan vooral om horsmakreel, blauwe wijting, haring en makreel. Voor de West-Afrikaanse kust vist de vloot voornamelijk op sardinella en in de Stille Oceaan op horsmakreel. Nederland voert deze producten maar voor een deel in voor eigen consumptie (20 procent van de invoer). Een deel van de vis uit de grote zeevisserij wordt nooit op Nederlandse bodem aangeland. De visverkoop in supermarkten en viswinkels is geleidelijk gestegen van ruim 36.000 ton in 1996 naar bijna 59.000 ton per jaar in 2010 (Nederlands Visbureau 2011). Als de visconsumptie in de horeca wordt meegerekend, is de consumptie naar schatting nog zo’n 30 procent hoger en komt uit op ongeveer 4,5 kilo per persoon per jaar. De Nederlandse consumptie is lager dan het Europees gemiddelde. In Zuid-Europese landen als Portugal en Spanje, en in de niet EU-landen IJsland en Noorwegen is de consumptie van vis, schaal- en schelpdieren het hoogst. De consumptie van vis in Nederland ligt overigens ruim onder de door de gezondheidsraad aanbevolen hoeveelheid (Westhoek et al. 2011).

MSA: indicator voor biodiversiteitseffecten van de voetafdruk

Er bestaan verschillende manieren om biodiversiteit te meten. De meest gebruikte zijn het tellen van de soortenaantallen en/of populatiegroottes, en het meten van het areaal van natuurlijke ecosystemen. De MSA-methode combineert beide benaderingen door het areaal van ecosystemen te vermenigvuldigen met een index die aangeeft in hoeverre deze ecosystemen nog de natuurlijke populaties van soorten herbergen, zoals die voorkomen in ongestoorde situaties (Ten Brink 2000). Het is een maat die vergelijkingen tussen verschillende gebieden mogelijk maakt, en die inzicht geeft in de oorzaken en milieudrukken die leiden tot het verdwijnen van soorten (Alkemade et al. 2009). Landgebruik heeft wereldwijd de grootste invloed gehad op het verlies aan biodiversiteit (Sala et al. 2000; Ten Brink et al. 2010). Andere mondiaal belangrijke oorzaken hangen samen met infrastructuur, zoals verstoring, fragmentatie en oprukkende bewoning (Laurance 2008; UNEP 2002). Door de emissie van broeikasgassen zullen de klimatologische omstandigheden veranderen, met vooral in de toekomst allerlei effecten voor biodiversiteit (Ten Brink et al. 2010). De MSA is veel gebruikt in scenarioanalyses van de Verenigde Naties en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Vanwege de relaties met milieudruk is het ook mogelijk om de MSA te koppelen aan voetafdrukberekeningen (Rood et al. 2004).

Referenties

Relevante informatie

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteur: Mark van Oorschot