Balans van de Leefomgeving

Koolstofvoetafdruk

De Nederlandse consumptie resulteert in een relatief groot aandeel in de mondiale broeikasgasemissies ten opzichte van het wereldgemiddelde. De emissies van de zogenoemde ‘carbon footprint’ komen bovendien voornamelijk van het binnenlands energiegebruik in huishoudens (40 procent, thuis en voor mobiliteit). Anders dan bij het landgebruik is het via binnenlands beleid mogelijk om deze voetafdruk te veranderen.

Emissie broeikasgassen door de Nederlandse consumptie

Emissie broeikasgassen door de Nederlandse consumptie
Emissie broeikasgassen door de Nederlandse consumptie

Emissie broeikasgassen door de Nederlandse consumptie
Emissie broeikasgassen en landgebruik door mondiale consumptie

Emissie broeikasgassen en landgebruik door mondiale consumptie

Helft uitstoot broeikasgassen door Nederlandse consumptie vindt plaats in het buitenland

Ongeveer de helft van de broeikasgasemissies door consumptie vindt plaats in het buitenland, en ontstaat tijdens de productie en distributie van geïmporteerde goederen en diensten. Deze emissies vinden vooral plaats in de Europese OESO-landen. Maar ook in Oost-Azië, de voormalige Sovjet-Unie en Noord- Amerika vinden substantiële emissies plaats voor de Nederlandse consumptie. Er vindt nauwelijks emissie plaats in ontwikkelingslanden.

De energiesector (exclusief raffinaderijen) heeft de grootste bijdrage in de carbon footprint, aangezien elektriciteit essentieel is voor zowel de directe energiebehoefte van Nederlandse consumenten, als voor de productie van goederen hier en elders (zie tweede figuur). De elektriciteitsbedrijven in Nederland, OESO-Europa, Oost-Azië, de voormalige Sovjet-Unie en Noord-Amerika hebben in 2001 de grootste bijdrage (samen ruim 20 procent van de broeikasgasvoetafdruk). Ook de basisindustrie, de transportsector en de landbouw hebben een belangrijk aandeel in de Nederlandse carbon footprint. Van de emissies in de basisindustrie, inclusief de raffinaderijen, vindt meer dan 85 procent buiten Nederland plaats (vooral in China, de voormalige Sovjet-Unie en West-Europa).

Ongeveer 60 procent van de uitstoot binnen Nederland vindt plaats bij economische sectoren, zoals landbouw, industrie, handel en dienstverlening. De overige 40 procent betreft emissies door huishoudens (thuis en bij vervoer) en methaanemissies uit afval op stortplaatsen.

De broeikasgasemissies door consumptie in rijke landen zijn relatief hoog

Per wereldburger was in 2001 de gemiddelde broeikasgasemissie door consumptie 5,5 ton CO2-equivalenten (zie derde tabblad boven de figuur). De hoogte van de emissies verschillen tussen wereldregio’s, wat sterk samenhangt met de welvaart. Zo hebben rijkere landen een hogere emissie van broeikasgassen door consumptie dan armere landen. Per Nederlander was de gemiddelde broeikasgasemissie door consumptie 12 ton CO2-equivalenten (peiljaar 2004).

Mondiale grenzen zijn onzeker

De kritische grenswaarde voor emissies op basis van bijvoorbeeld tipping points (Scheffer et al. 2009) is niet eenduidig wetenschappelijk onderbouwd aan te geven. De door Rockstrom opgestelde Planetary Boundaries zijn dan ook deels voorstellen, mede opgesteld op basis van normatieve oordelen over het omgaan met risico’s en het al of niet toepassen van het voorzorgsbeginsel bij het omgaan met onzekerheden (zie supplement bij Rockstrom et al. 2009). Bij klimaatverandering kan bijvoorbeeld gekozen worden voor het relateren van de gemiddelde emissies aan het breed geaccepteerde beleidsdoel van maximaal 2oC stijging in 2100 (ten opzichte van 1900), en de emissiepaden die daarbij horen. In een zogenoemd mitigatiescenario waarin het 2oC-klimaatdoel voor 2100 wordt gehaald, ligt de gemiddelde emissie in 2040 rond de 3,5 ton CO2-equivalenten per wereldburger (uitgaande van een wereldbevolking van 9 miljard (MNP,2007).

Referenties

Relevante informatie

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteur: Mark van Oorschot