Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2012

Maatschappelijke schade door stikstofvervuiling in 2008 bedraagt 2,5 – 12,6 miljard

Volgens een eerste schatting was de maatschappelijke schade door stikstofvervuiling in Nederland in 2008 2,5-12,6 miljard. Dit is 0,4-2,1 procent van het bruto nationaal product. Dit bedrag is zo onzeker vanwege de soms grote onzekerheid over de rol van stikstof bij het ontstaan van schadelijke effecten en over de maatschappelijke waardering van die schade. Van de berekende schade is 55 procent gerelateerd aan voortijdige sterfte en gezondheidsverlies door luchtverontreiniging met stikstofoxiden en secundair fijn stof (zwevende nitraat- en ammoniumzoutdeeltjes). De bijdrage via dit secundair fijn stof is 26 procent maar erg onzeker en mogelijk verwaarloosbaar. Door emissiereductie is de maatschappelijke schade door stikstofvervuiling tussen 2000 en 2008 met bijna 20 procent – 0,6-2,6 miljard euro – afgenomen. Tegenover stikstofschade staan er ook maatschappelijk baten van stikstof. Deze zijn het meest evident voor de primaire akker- en tuinbouwopbrengsten.

Maatschappelijke schade door stikstof in Nederland, 2008

Maatschappelijke schade door stikstof in Nederland, 2008
Figuur 1. Maatschappelijke schade

Hoe bepaal je de maatschappelijke schade door stikstofvervuiling?

Hiervoor zijn de schadelijke effecten gewaardeerd op basis van studies naar de betalingsbereidheid van burgers om deze effecten te voorkomen (‘stated preference’; zie Brink et al., 2011). Gegevens over betalingsbereidheid hebben betrekking op de periode rond 2005. De betalingsbereidheid van burgers is afhankelijk van context, opleiding en inkomen, en daardoor niet constant. De benadering is niet onomstreden, maar geeft wel een eerste inzicht in hoe verschillende effecten onderling kunnen worden gewogen en of kosten van maatregelen opwegen tegen de baten van minder vervuiling.

Landbouw en energieopwekking dragen ongeveer de helft bij

Emissies uit de landbouw dragen ongeveer de helft bij aan de totale stikstofschade, maar hier levert, in tegenstelling tot emissies bij verbranding van fossiele brandstoffen, schade aan biodiversiteit een grotere bijdrage (ruim 40 procent). Gezien de grote onzekerheid over gezondheidsschade door ammoniak is die 40 procent waarschijnlijk nog een onderschatting. Mocht dat bevestigd worden dan wordt de maatschappelijke schade door landbouwemissies aan biodiversiteitsschade dominant.

Maatschappelijke schade door stikstofvervuiling hoger dan in de meeste andere EU lidstaten

In 2000 lag de gemiddelde schade door stikstofvervuiling per inwoner van de Europese Unie (EU27) tussen 170 en 750 euro per inwoner. De gemiddelde schade varieerde van rond de 150 euro in de Baltische staten, Spanje en Portugal tot meer dan 700 euro in Nederland, Ierland, België en Denemarken. De onzekerheid is groot en ligt op ongeveer 60 procent rond de gemiddelde waarde (factor 4-5 verschil tussen onder en bovengrens). Voor een Nederlander lag de schade in 2008 tussen de 150 en 770 euro per jaar. Dit bedrag is erg onzeker, maar zelfs de laagste schatting komt overeen met één tot twee procent van het bruto nationaal product en is een aanzienlijk welvaartsverlies. In 2000 lag de stikstofschade nog tussen de 260 en 1150 euro per inwoner of 1 tot 4 procent, van het bruto binnenlands product. De schade door stikstofverontreiniging in Nederland per inwoner is hoog vergeleken met die in andere lidstaten van de Europese Unie.

Maatschappelijke schade door stikstof in Europa

Maatschappelijke schade door stikstof in Europa
Figuur 1. Maatschappelijke schade door stikstofvervuiling in Europa

Gezondheidsschade door secundair fijn stof

De grootste onzekerheid in de berekening van de maatschappelijke schade door stikstof is de gezondheidsschade door secundair fijn stof. Momenteel maakt de normstelling voor fijn stof geen onderscheid naar de chemische samenstelling van de deeltjes. Er is onder wetenschappers steeds meer twijfel dat fijn stof in de vorm van zoutdeeltjes van, bijvoorbeeld, ammonium of nitraat, gezondheidsschade kan veroorzaken. De ondergrens van gezondheidsschade door NH3 en NOx gaat uit van geen schade, de bovengrens gaat uit van een voor alle fracties van fijn stof vergelijkbaar effect (Moldanova et., 2011).

Stikstof en klimaat

De maatschappelijke schade door de bijdrage van stikstof aan klimaatverandering is nog niet goed in beeld. Als we alleen kijken naar lachgas (N2O) en als eerste benadering voor betalingsbereidheid de CO2-prijs in de emissiehandel voor het Kyotobeleid nemen, dan is de bijdrage aan de totale schade ongeveer 5 procent. Dit bedrag is waarschijnlijk nog een overschatting omdat stikstof ook ‘koelend’ werkt door extra vastlegging van koolstof in bossen en door vorming van extra fijn stof dat de zonnestraling tempert. Schattingen voor de Europese Unie geven aan dat het netto effect nu koelend is (16 mW/m2, komt overeen met -4 procent van ‘radiative forcing’). Echter de koelende effecten nemen deze eeuw naar verwachting sterk af, zodat stikstof in 2100 een netto opwarmend effect heeft (Butterbach-Bahl et al., 2011).

Referenties

  • Brink C., Grinsven J.J.M. van, Jacobsen B.H., Rabl A., Gren I.-M., Holland M., Klimont Z, Hicks K., Brouwer R., Dickens R., Willems J., Termansen M., Velthof G., Alkemade R., Oorschot M. van. and Webb J. (2011). Costs and benefits of nitrogen in the environment In: Sutton, Howard et al. (eds.) European Nitrogen Assessment, Cambridge University Press, London, 513-540.
  • Butterbach-Bahl K., Nemitz E., Zaehle S., Billen G., Boeckx P., Erisman J. W., Garnier J., Upstill-Goddard R., Kreuzer M., Oenema O., Reis S., Schaap M., Simpson D., de Vries W., Winiwarter W. and Sutton M. A. . (2011). Nitrogen as a threat to the European greenhouse balance In: Sutton, Howard et al. (eds.) European Nitrogen Assessment, Cambridge University Press, London, 434-463.
  • Moldanova, J., Grennfelt P., Jonsson A., Simpson D., Spranger T., Aas W., Munthe J. and Rabl A. . (2011). Nitrogen as a threat to European air quality. In: Sutton, Howard et al. (eds.) European Nitrogen Assessment, Cambridge University Press, London, 405-434.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteur: Hans van Grinsven