Balans van de Leefomgeving

Hemelsbrede reissnelheid vrij stabiel

De bereikbaarheidsindicator in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) richt zich op de hemelsbrede deur tot deur reissnelheid van gemaakte verplaatsingen naar gebieden. De gemiddelde reissnelheid is in de periode 2004-2009 met bijna 1% afgenomen. De reissnelheid is in de spits 9% lager dan in de daluren. Het verschil tussen spits en dal is voor korte afstanden kleiner dan op langere afstanden. De daling van die reissnelheid heeft plaats gevonden in de drukke uren. Er zijn duidelijke regionale verschillen.

Geïndexeerde hemelsbrede reissnelheid per auto naar bestemmingsregio, gemiddelde 2004-2009

Geïndexeerde hemelsbrede reissnelheid per auto naar bestemmingsregio, gemiddelde 2004-2009
Verandering van de hemelsbrede reissnelheid per auto - per regio en per dagdeel

Verandering van de hemelsbrede reissnelheid per auto – per regio en per dagdeel

Samenstelling bereikbaarheidsindicator

De bereikbaarheidsindicator in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) richt zich op de hemelsbrede deur tot deur reissnelheid van de gemaakte verplaatsingen naar gebieden. De indicator geeft op uniforme wijze per vervoerwijze (auto, openbaar vervoer en eventueel fiets) afzonderlijk een beeld van de reissnelheid. Zo nodig kunnen de afzonderlijke uitkomsten , indien rekening wordt gehouden met de specifieke eigenschappen van de vervoerwijzen, worden opgeteld tot één integrale bereikbaarheidswaarde voor alle vervoerswijzen. In deze nulmeting is de bereikbaarheidsindicator bepaald op basis van gegevens uit het Mobiliteitsonderzoek Nederland (MON) 2004-2009. Vanwege de beperkte omvang van deze dataset is in deze nulmeting vooral een beeld gegeven van de reissnelheid van het autoverkeer. Het monitoren met de bereikbaarheidsindicator is nog in ontwikkeling. Deze nulmeting heeft zich vooral gericht op de bereikbaarheid per auto. Vanaf 2014 zal de bereikbaarheid in de Monitor Infrastructuur en Ruimte en de Mobiliteitsbalans ook voor het openbaar vervoer beter in beeld worden gebracht. Indien mogelijk zal dit ook voor de fiets worden gedaan. Verder zal de komende jaren geprobeerd worden om gebruik te maken van gemeten in plaats van gerapporteerde snelheden.

De hemelsbrede reissnelheid verschilt sterk tussen vervoerwijzen en ook naar afgelegde afstand. Over korte verplaatsingen is de hemelsbrede reissnelheid lager dan voor lange afstanden, zowel door een hogere omrijfactor (men rijdt in een korte rit relatief meer om) als door het lagere aandeel dat over autosnelwegen wordt gereden). Daardoor heeft niet alleen de kwaliteit van de mobiliteitsnetwerken effect op reissnelheid, maar ook de samenstelling van de mobiliteit (veel of weinig korte verplaatsingen). Daarom wordt gebruik gemaakt van een geïndiceerde bereikbaarheidsindicator, waarin voor dit gegeven is gecorrigeerd.

Gemiddelde reissnelheid is licht afgenomen

Op basis van deze geïndiceerde bereikbaarheidsindicator is de hemelsbrede reissnelheid in de periode 2004-2009 met bijna 1% afgenomen.

De reissnelheid is in de spits 9% lager dan in de daluren. Het verschil tussen spits en dal is voor korte afstanden kleiner dan op langere afstanden. De daling van die reissnelheid heeft plaats gevonden in de drukke uren. In de ochtend en avondspits is de reissnelheid bijna 11/2% gedaald. De spits heeft zich ook verbreed: in de ‘schouders’ van de spits, het uur voor en na de spits is de daling van de reissnelheid 21/2%. Buiten de spitsuren is de hemelsbrede reissnelheid met een 1/2% gestegen.

Zoals gezegd, is de reissnelheid voor verplaatsingen over korte afstanden gemiddeld duidelijk lager dan over lange afstanden. Die verschillen worden groter. Juist op de korte afstanden daalt de gemiddelde reissnelheid substantieel (met ruim 2%), terwijl deze op de lange afstanden met een 1/2 % is gestegen.

Vanwege de beperkte omvang van de dataset is in deze nulmeting alleen een ruimtelijke gedifferentieerd beeld gegeven van de reissnelheid van het autoverkeer over de geheel periode 2004-2009. De kaart geeft per Coropgebied de afwijking in reissnelheid over die periode aan ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Er zijn duidelijke regionale verschillen te zien. Rond Amsterdam, Den Haag en Rotterdam is de reissnelheid het laagste. De hoogste snelheden komen voor in Noord-Nederland en Noord-Limburg. De daling van de gemiddelde reissnelheid lijkt in Oost Nederland wat sterker te zijn geweest. In de Noordelijke Randstadprovincies, Noord-Nederland en Zeeland was de reissnelheid nagenoeg stabiel.

De reissnelheid per fiets en per openbaar vervoer is duidelijk lager. De hemelsbrede reissnelheid per fiets gemiddeld 9,6 km/u, per openbaar vervoer 21 kilometer per uur. In Friesland, Overijssel en Gelderland zijn de fietssnelheden het hoogste, in Noord- en Zuid-Holland het laagste. Op het platteland kan harder gefietst worden dan in de stad. Ook het openbaar vervoer is op het platteland sneller dan in de stad. De hogere frequenties in het stedelijk openbaar vervoer komen in de reissnelheid maar beperkt tot uitdrukking.

Beleidsdoelstellingen Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Deze indicator verwijst naar de volgende doelen en nationale belangen:

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland (concurrerend)
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat (bereikbaar)
  • Nationaal Belang 1: Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationaal bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Referenties

Naam van het gegeven

Hemelsbrede reissnelheid

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), auteur: Hans Hilbers, Danielle Snellen

Berekeningswijze

Reistijden uit mon worden vergeleken met verwachte reistijd gezien hemelsbrede afstand tussen herkomst en bestemmingspostcode. Verplaatsingen binnen postcode 4 gebieden worden buiten beschouwing gelaten Spits: is maandag t/m vrijdag 7-9 uur en 16-18 uur, Schouders: is maandag t/m vrijdag 6-7, 9-10, 15-16 en 18-19 uur Het MON is een doorlopend onderzoek naar het verplaatsingsgedrag van de Nederlandse bevolking. Het bevat gegevens over het verplaatsingsgedrag van individuen, zoals de reden van de verplaatsing, de herkomst en bestemming, de vervoerwijze, het tijdstip en de afstand. In dat onderzoek hebben respondenten voor elk gemaakte verplaatsing de reistijd en afstand gerapporteerd. Met behulp van de gegevens uit het MON kan een beeld worden geven van de huidige regionale verschillen in bereikbaarheid en de ontwikkeling daarvan over de afgelopen jaren.

Basistabel

Corop plus

Opmerking

Mon is stopgezet. Er wordt een nieuwe aanpak uitgewerkt