Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2012

Lange termijn visie en strategie nodig van de overheid voor een koolstofarme economie in 2050

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Het kabinet wil op lange termijn een koolstofarme economie bereiken, die nodig is om op kosteneffectieve wijze klimaatverandering te beperken tot 2 graden Celsius. Om dit doel te halen, moet de uitstoot van broeikasgassen in rijke landen, dus ook in Nederland, tussen 1990 en 2050 met 80-95% dalen. De internationale onderhandelingen over dergelijke emissiereducties vorderen uiterst traag. Het huidige beleid bevat weinig stimulansen voor de ontwikkeling van koolstofarme energiesystemen die nu nog duur zijn maar wel op termijn van belang zullen zijn Voor het bereiken van een CO2-arm energiesysteem in 2050, zijn langetermijndoelstellingen en consistent beleid essentieel. Dit vraagt allereerst om het uitwerken van een samenhangende visie op zo’n CO2-arm systeem. Robuuste bouwstenen daarvoor zijn: energiebesparing, het gebruik van biomassa, CO2-arme elektriciteitsproductie en opvang en opslag van CO2.

Prognose hernieuwbare energie tot en met 2030

Prognose hernieuwbare energie tot en met 2030
Prognose uitstoot tot en met 2030

Prognose uitstoot tot en met 2030

Tastend op weg naar een koolstofarme economie

De komende decennia is een ingrijpende hervorming van onze energievoorziening nodig, primair om de mondiale klimaatverandering te helpen beperken maar ook om, zij het met minder urgentie, de toekomstige voorziening van voldoende energie tegen betaalbare prijzen veilig te stellen. Dit is een uitdaging voor alle landen van de wereld, al bestaat die voor ieder land wel uit specifieke elementen. Om de mondiale temperatuurverhoging te beperken tot 2 graden Celsius, moet de mondiale uitstoot van broeikasgassen drastisch omlaag. In rijke landen zou die uitstoot tussen 2010 en 2050 met 80-95% omlaag moeten. Om die reducties te bereiken moeten we energie efficiënter gebruiken; fossiele, koolstof houdende energiebronnen vervangen door hernieuwbare bronnen (biomassa, zon, wind, waterkracht, aardwarmte) en eventueel kernenergie; CO2 afvangen en opslaan; en de uitstoot van niet-CO2-broeikasgassen reduceren. Uit scenariostudies blijkt dat we in 2050 in alle gevallen een zekere inzet nodig hebben van al deze bouwstenen:

  • energiebesparing,
  • duurzame biomassa,
  • koolstofarme elektriciteit,
  • CO2-opslag.

Koolstofarme energie op basis van innovatieve, schone technieken is nu nog aanzienlijk duurder dan de fossiele energie die we gebruiken. Dat komt enerzijds omdat die technieken nog verder ontwikkeld kunnen worden en anderzijds omdat de prijsvorming van fossiele brandstoffen maar ten dele rekening houdt met de milieuschade die het gebruik ervan veroorzaakt. Door de verwachte stijging van de vraag naar energie zal de prijs van fossiele brandstoffen vermoedelijk gaan stijgen. Dat zal de toepassing van schone technieken echter onvoldoende stimuleren om het klimaatprobleem tijdig op te lossen. Overheden zouden die prijsvorming kunnen corrigeren, maar stuiten daarbij zowel op de grote belangen van producenten en gebruikers van fossiele energie als op de noodzaak om economische groei en werkgelegenheid op peil te houden. Door internationale coördinatie van prijscorrecties kunnen sommige economische nadelen worden ondervangen. Dat past echter niet zonder meer bij het huidige streven naar liberalisatie van wereldhandel.

Nieuwe technieken worden alleen goedkoper door ze verder te ontwikkelen en in de praktijk toe te passen. De vraag is nu wat een verstandig tempo is om op die schone technieken over te stappen. Wie te snel overstapt betaalt een hoge prijs, schaadt daarmee zijn concurrentiepositie en verliest omzet, inkomen en werkgelegenheid. Voor individuele bedrijven is het aantrekkelijk om te wachten tot innovatieve, schone technieken goedkoper zijn geworden, maar als iedereen wacht gebeurt dat nooit. Innovatoren kunnen slechts beperkt financiële risico’s nemen en verlangen dus een redelijke kans dat hun schone technieken binnen afzienbare tijd zullen renderen. Zij kunnen hun activiteiten immers niet eeuwig blijven voorfinancieren. Overheden zouden dit dilemma kunnen doorbreken door afzetmarkten voor schone, maar nu nog dure technieken te creëren.

Wat voor bedrijven geldt, geldt ook voor landen. Wachten is op korte termijn goedkoper (veroorzaakt minder verlies aan concurrentiekracht) maar lost het klimaatprobleem niet op. Dat gebeurt alleen als landen gaan samenwerken en internationale markten creëren voor die schone technieken. Door die samenwerking verdwijnt het nadeel van verlies aan concurrentiekracht. Daarnaast kunnen landen, net als bedrijven, anticiperen op die samenwerking en alvast investeren in de ontwikkeling van schone technieken, in de hoop daarvan te profiteren zodra die markten ontstaan.

Nederlandse klimaatstrategie zoekt doelmatigheid op korte termijn

De bovengenoemde samenwerking tussen landen heeft in de EU zijn beslag gekregen in het huidige Europese klimaatbeleid. Via het Europese emissiehandelssysteem ETS wordt de uitstoot van ongeveer de helft van de broeikasgasemissies gereguleerd. Daarnaast hebben lidstaten taakstellingen gekregen voor de reductie van de emissies die niet onder het ETS vallen. Bovendien zijn lidstaten verplicht een deel van hun energieverbruik te betrekken van hernieuwbare bronnen.

Nederland ligt op koers om zijn niet-ETS-doel voor 2020 te halen. Dit geldt niet voor het doel voor het aandeel hernieuwbare energie. Het aandeel hernieuwbare energie bedraagt nu 4% en zou moeten groeien tot 14% in 2020. Met het huidige vastgestelde beleid wordt dat aandeel niet hoger dan 7-10%. Tellen we er de beleidsvoornemens bij op dan kan het aandeel toenemen tot een percentage dat ligt tussen 9 en 12%. Daarbij is rekening gehouden met uitvoering van de Green Deals, de bijstook van biomassa in kolencentrales en implementatie van de Structuurvisie windenergie op land. Om het doel van 14% te halen, kan meer werk worden gemaakt van energiebesparing, kan meer budget worden ingezet bijvoorbeeld via de SDE+regeling, kan hernieuwbare energie worden geïmporteerd, of kunnen verplichtingen worden opgelegd aan producenten of leveranciers van energie. In dat laatste geval is wel weer van een stelselwijziging sprake, die aanvankelijk tot onzekerheden zal leiden. Voor de lange-termijn zou de prioriteit echter moeten liggen bij het stimuleren van innovatie.

Onvoldoende stimulans van technieken die rond 2050 noodzakelijk zijn

Het Europese CO2-emissiehandelssysteem zorgt voor een indirecte correctie op de prijsvorming van fossiele brandstoffen, namelijk via de prijs die betaald moet worden voor CO2-emissierechten. Naarmate CO2-rechten duurder worden, worden koolstofarme energiedragers aantrekkelijker. Door de economische recessie is de behoefte aan emissierechten afgenomen, waardoor de prijs is gedaald van meer dan 20 €/ton CO2 naar minder dan 10. Hiermee is een belangrijke stimulans weggevallen voor de ontwikkeling van koolstofarme technologie. Het door de kredietcrisis opdrogen van de kredietverstrekking aan innovatieve bedrijven versterkt dat effect.

Tezamen met de oude regelingen (MEP en SDE) is de komende jaren weliswaar meer geld beschikbaar voor de implementatie van schone technieken, maar het beschikbare geld wordt nu anders over de verschillende technieken verdeeld. Technieken die uiteindelijk nodig maar nu nog duur zijn, komen in de SDE+-regeling niet aan bod, zoals wind op zee, CO2-opslag en de omzetting van houtachtige biomassa. Het SDE+-geld gaat nu vooral naar technieken die per euro meer bijdragen aan het halen van de 2020-doelstelling voor hernieuwbare energie, zoals hernieuwbare warmte en biogas uit vergisting. Deze technieken passen goed bij een schone economie, maar dragen niet bij aan de prijsdaling van een aantal technieken met een groot potentieel die nodig zijn om het emissiedoel voor 2050 te bereiken. Voor de productie van koolstofarme elektriciteit is een deel van het potentieel voor wind op land vooralsnog onbenut door de moeizame ruimtelijke inpassing van windmolens en verzet van omwonenden. Er is ook een groot potentieel voor wind op zee, met bijbehorende kansen voor Nederlandse bedrijven. Maar omdat Nederland op dit gebied geen langetermijnstrategie heeft, kunnen deze bedrijven hunproducten alleen in het buitenland afzetten.

  • Voor de productie van duurzame biomassa ontbreken in Europa heldere criteria en controlemechanismen die kunnen garanderen dat die productie niet (indirect) leidt tot omzetting van natuurgebieden in landbouwgrond en daarmee tot extra broeikasgasemissies. De huidige inzet van biomassa voor de productie van elektriciteit levert een substantiële bijdrage aan de productie van hernieuwbare energie. Omdat het aanbod van duurzame biomassa beperkt is, kan op termijn een conflict ontstaan met andere toepassingen van biomassa (zoals voertuigbrandstoffen) waarvoor veel minder schone alternatieven bestaan. Door nu kolencentrales te bouwen die anticiperen op substantieel bijstoken van biomassa, creëren we mogelijk een ongewenste lock-in situatie.
  • Om afvang en opslag van CO2 levensvatbaar te maken, zijn pilotprojecten nodig. Via die pilots kunnen de kosten van CO2-afvang en -opslag (nu 80-100 €/ton) dalen, maar voor economische levensvatbaarheid moet de CO2-prijs rond 2025 aanmerkelijk hoger zijn dan het huidige niveau van minder dan 10 €/ton. Nu het vooruitzicht daarop is weggevallen, trekken initiatiefnemers voor pilots zich terug, niet alleen in Nederland maar ook elders in Europa.
  • Voor energiebesparing heeft Nederland nog een groot potentieel, zowel bij bedrijven als bij woningen. De huidige verplichting voor bedrijven om besparingsmaatregelen te nemen die zich binnen 5 jaar terugverdienen wordt onvoldoende gecontroleerd omdat gemeenten daarvoor te weinig capaciteit en kennis hebben. Het besparingspotentieel in bestaande woningen is groot maar gezien de diversiteit van type woningen en eigenaren moeilijk aan te boren. De overheid richt zich nu hoofdzakelijk op informeren, faciliteren en het uitvoeren van pilot-projecten (energielabel, Meer met Minder, Blok-voor-blok-aanpak). Deze aanpak is nuttig, maar zou effectiever worden als het werd aangevuld met krachtiger stimulansen voor energiebesparing, zoals belastingen koppelen aan het energielabel, de financiering van besparingsmaatregelen vergemakkelijken, het aanbod transparanter maken (certificering), en verwerken van energiekosten in de huurprijs, ook voor utiliteitsgebouwen en vrije sector woningen (heft split incentive op). Het recente Europese besluit om energiebedrijven een verplichte rol te geven kan hierin ondersteunend zijn.

Opties voor effectiever klimaatbeleid

De Nederlandse overheid heeft mogelijkheden om de transitie naar een koolstofarme energievoorziening verder te stimuleren, ook in financieel krappe tijden. Dat kan door de EU krachtig te ondersteunen bij het creëren van markten voor schone technieken en door tegelijkertijd nationaal de innovatie-ondersteuning te concentreren op technieken met een groot potentieel op de wat langere termijn en waarin Nederlandse bedrijven een concurrentievoorsprong zouden kunnen opbouwen en vergroten.

Ten aanzien van de EU betekent dat concreet:

  • Stimuleer de EU tot ambitieuze reductiedoelen voor broeikasgassen;
  • Bepleit aanpassingen van ETS zodat bedrijven meer perspectief geboden wordt om te investeren in innovatieve technieken.
  • Neem het voortouw bij de ontwikkeling van een krachtig regime voor duurzame biomassa.

In het nationale innovatieprogramma kan de koppeling tussen CO2-reductie en economische stimulering (op korte en lange termijn) worden versterkt door:

  • Een robuuste strategie te ontwikkelen voor innovatie ten aan zien van wind op zee, vergassing en fermentatie van biomassa, en afvang en opslag van CO2;
    Dit levert in ieder geval een bijdrage aan de kostenreductie van essentiële koolstofarme technieken en biedt op lange termijn kansen voor Nederlandse bedrijven;
  • Stimuleren van energiebesparing in bestaande woningen en utiliteitsgebouwen met krachtiger instrumenten dan met het huidige informeren en faciliteren.