Balans van de Leefomgeving

Tempo realisatie windvermogen op land is te laag om doel voor 2020 te halen

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Het opgestelde vermogen voor windenergie op land is in 2011 met 79 Megawatt toegenomen. Het totale opgestelde vermogen komt daarmee op 2088 Megawatt (voorlopig cijfer van CBS). Om het nationale doel van 6000 MW in 2020 te halen moet per jaar zo’n 500 MW worden toegevoegd. Dit is een niet eerder vertoond tempo. De trage realisatie is het gevolg van lokale weerstand tegen windmolenparken, te frequente beleidsveranderingen en gebrek aan financiering.

Gerealiseerd windenergievermogen tussen 1990 en 2011

Gerealiseerd windenergievermogen tussen 1990 en 2011
Windvermogen op land en zee in 2011

Windvermogen op land en zee in 2011
Locatie windturbines

Locatie windturbines

Opgesteld vermogen en aandeel in energievoorziening

In 2011 stond bijna 2100 MW windvermogen op land, in dat jaar is 79 MW nieuw geplaatst. Het aandeel windenergie in het totale Nederlandse eindverbruik van energie bedraagt momenteel circa 0,8 procent.

Extra inspanning nodig om doelstelling van 6000 MW windenergievermogen op land in 2020 te halen

Het kabinet heeft zichzelf tot doel gesteld om de komende jaren tot 6000 MW opgesteld vermogen aan windturbines op land te komen, als bijdrage aan het realiseren van het doel van de Europese richtlijn hernieuwbare energie.
Windenergie op land draagt in 2020 dan zo’n 5% bij aan de totale energievoorziening. Het is echter maar de vraag of dit nog gehaald kan worden. Ten eerste is de ruimtelijke capaciteit in theorie wel heel hoog, maar in de praktijk vallen er veel locaties af. Dat komt door wettelijke beperkingen (verbod op turbines bij de Waddenzee, waterkeringen) en door planologisch hinder (bijvoorbeeld radarinstallaties).
Ten tweede ligt het installatietempo te laag. Er is nog acht jaar de tijd (2013 t/m 2020) om netto 4000 MW bij te plaatsen (4500 MW nieuwe windturbines, waarvan 500 MW vervanging van oudere windmolens). Dit betekent een netto installatietempo van zo’n 500 MW per jaar. Dit is een nooit eerder vertoond tempo. En dat acht jaar achtereen. Ter vergelijking, de hoogste groei werd gehaald in 2008, met 280 MW. In 2011 werd netto slechts 7 MW gerealiseerd.

Trage realisatie

De trage realisatie is het gevolg van 1 lokale weerstand tegen windmolenparken, 2 te frequente beleidsveranderingen en 3 gebrek aan financiering.

  • 1. Lokale weerstand – Windenergie is in het algemeen wel geaccepteerd, maar kan lokaal op grote weerstand stuiten. Windturbines kosten weliswaar relatief weinig plaatsingsruimte; de omgevingseffecten zijn juist groot: beeld, geluid, veiligheid. Dit leidt tot (grote) ongerustheid bij bewoners. Het inpassingsproces, waarbij mensen het gevoel hebben voor voldongen feiten te staan, helpt vaak niet mee om betere windparken en meer acceptatie te krijgen. Daardoor lijkt de grens van maatschappelijke acceptatie soms bereikt.
  • 2. Beleidsveranderingen – Het mandaat voor toedeling van grootschalige windparken aan locaties is niet stabiel en de motivatie bij lager overheden niet constant hoog. Ook dit jaar nog zijn er fundamentele wisselingen van aanpak geweest. Het Rijk zou een structuurvisie voor Wind op Land schrijven, althans zo wordt in de SVIR gemeld. Deze visie is echter teruggetrokken. Momenteel ligt het dossier(weer) bij de provincies. Dat is in overeenstemming met de decentralisatie van ruimtelijke ordening. Niet alle provincies zijn echter blij met de opgave en sommige hebben aangekondigd niet verder te willen groeien. Als de provincies niet tijdig slagen om onderling de het resterende vermogen tot 6000 MW te realiseren, neemt het rijk het weer over. Niet alleen de toewijzing van locaties is vaak gewisseld, ook de financiering is niet stabiel. Diverse veranderingen in het stimuleringsbeleid voor hernieuwbare energie (MEP, SDE, SDE+) hebben gezorgd voor onzekerheid bij bedrijven die willen investeren en daardoor tot vertraging.
  • 3 Geldgebrek – Naast die wisselingen is er ook onvoldoende financiering beschikbaar gesteld. Naar schatting moet ongeveer 6 miljard euro beschikbaar komen voor windenergie op land, om de doelstelling tot 2020 te financieren. Op dit moment is te weinig geld beschikbaar. Dat komt door de totale beschikbare budgetten en door de manier waarop die verdeeld worden. In de SDE+ gaan de goedkope regelingen voor, totdat het budget uitgeput is. Hoewel wind op land een goedkope optie is binnen het hele palet aan hernieuwbare energie, is het net duurder dan biomassavergisting en geothermie. Windenergie is in de SDE+ regeling daardoor in 2011 en 2012 nog nauwelijks aan bod gekomen.

Een inventarisatie van de huidige initiatieven laat zien, dat er slechts 4500 MW vermogen in 2020 kan staan. Echter of dat vermogen ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt hangt mede af van bovenstaande problemen. Zonder extra beleidsinspanning kan de 6000 MW niet gehaald worden.

Referenties

Relevante informatie

Naam van het gegeven

Windenergie op land

Omschrijving

Ontwikkeling windenergievermogen op land, totaal en per provincie, locatie en aantal turbines

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving. Auteurs: Anton van Hoorn, Robert Koelemeijer en Mark van Veen