Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2012

Onder gemiddelde omstandigheden krijgen de meeste gebruikers voldoende water

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Het Rijk heeft als doel voor de zoetwatervoorziening gesteld dat er onder normale omstandigheden voldoende water is om de meeste functies te faciliteren. Onder extreem droge omstandigheden worden in het droogtemanagement prioriteiten gesteld, die gericht zijn op het afwegen van belangen. Zo kunnen in normale én in droge jaren de meeste gebruikers van voldoende zoet water worden voorzien en schept het droogtemanagement duidelijkheid voor extreme situaties. Door klimaatverandering en sociaaleconomische ontwikkelingen kan de toekomstige zoetwatervoorziening onder druk komen te staan.

—-foto invoegen-

Zoetwatervoorziening in zowel gemiddelde als extreme periodes goed geregeld

Tijdens periodes van neerslagtekorten, wanneer de verdamping van water groter is dan de neerslag, treden in Nederland watertekorten op: onvoldoende beschikbaarheid van zoet water met de gewenste kwaliteit. Deze periodes kunnen in Nederland in de zomer optreden. Ongeveer drie kwart van Nederland kan dan vanuit het hoofdwatersysteem (onder andere de Rijn, de Maas en het IJsselmeergebied) worden voorzien van extra water. Delen van de hogere zandgronden in het oosten en zuiden en enkele Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden zijn geheel aangewezen op neerslag en op het grondwater in het gebied. In gemiddelde en droge zomers kan hiermee in veel gevallen aan de zoetwatervraag worden voldaan (PBL 2011). Hiermee wordt het beleidsdoel voor de zoetwatervoorziening bereikt: onder normale omstandigheden zoveel mogelijk aan de behoeften van gebruikers voldoen (VenW et al. 2009).

In extreem droge periodes treedt het droogtemanagement in werking. De landelijke en regionale verdringingsreeksen geven in deze situaties de prioriteiten voor de verschillende watervragers en bepalen daarmee de verdeling van het beschikbare zoete water. Door de manier van prioriteren op voorhand duidelijk te maken, kennen alle betrokken watervragers de spelregels bij de verdeling van water in tijden van watertekorten en kunnen daar waar mogelijk op anticiperen.

Toekomstige zoetwatervoorziening kan onder druk komen te staan

Door klimaatverandering en sociaaleconomische ontwikkelingen kan de zoetwatervoorziening onder druk komen te staan: de watervraag zal waarschijnlijk toenemen terwijl de beschikbaarheid van oppervlaktewater kan afnemen omdat droge periodes vaker kunnen voorkomen. Over de verwachte ontwikkelingen rond droogte bestaan nog grote onzekerheden; daarom is het op dit moment nog niet duidelijk in hoeverre structurele aanpassingen in de watervoorziening nodig zijn (PBL, 2012). In het Deltaprogramma wordt dit verder onderzocht.

Mogelijkheden voor meer flexibiliteit in de zoetwatervoorziening

Er zijn verschillende mogelijkheden om de flexibiliteit in de regionale watersystemen te vergroten en daarmee het watertekort in droge tijden terug te dringen. Het gaat vooral om het optimaliseren van de uitvoering van het waterbeheer, bijvoorbeeld doordat de waterbeheerders consistenter omgaan met de zoutnormen voor de zoetwatervoorziening van de landbouw. Uit onderzoek is gebleken dat een tijdelijke verhoging van de zoutgehaltes in delen van de regionale watersystemen geen grote nadelige gevolgen hoeft te hebben voor de landbouw. De watervraag kan zo in droge tijden, door minder door te spoelen met zoet water, worden teruggedrongen zonder schadelijke verhoging van de zoutgehaltes, zelfs in een extreem droog jaar als 2003 (PBL 2011).

Ook kan een effectiever omgaan met verzilting via de Nieuwe Waterweg meer ruimte bieden voor andere functies, zoals de landbouw. Via de Nieuwe Waterweg stroomt – ook in droge jaren – ongeveer 80 procent van het Rijnwater naar zee om de verzilting tegen te gaan en het waterpeil voor de scheepvaart op orde te houden. Door deze verzilting te bestrijden met methodes die gepaard gaan met minder verlies van zoet water, zou meer zoet water voor allerlei watervragende functies beschikbaar komen. De consequenties van een dergelijke keuze voor onder andere de scheepvaart, maar ook voor de zoetwatervoorziening in de rest van Nederland, moeten goed worden bezien; het Deltaprogramma biedt de ruimte om deze mogelijkheid in de breedte te analyseren (PBL 2011).

Referenties

  • PBL (2011), Een delta in beweging. Bouwstenen voor een klimaatbestendige ontwikkeling van Nederland, Den Haag: PBL.
  • PBL (2012), Effecten van klimaatverandering in Nederland: 2012, Den Haag: PBL.
  • VenW , VROM & LNV (2009), Nationaal Waterplan 2009-2015, Den Haag: Ministerie van VenW.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving, auteur: Ron Franken