Balans van de Leefomgeving

Locatie van verworven gronden cruciaal in herijkte Ecologische Hoofdstructuur

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

In het Onderhandelingsakkoord natuur is tussen Rijk en provincies onder andere een herijkte, kleinere EHS afgesproken. Tevens zijn door het Rijk grote bezuinigingen op het natuurbeleid doorgevoerd, die met het Lente-akkoord zijn teruggebracht tot 30 procent ten opzichte van 2010. Omdat minder grond wordt aangekocht, is het belangrijk de grond op de goede plek aan te kopen om de natuurdoelen te halen. Deze nieuwe natuur is bijvoorbeeld nodig voor de uitbreiding van te kleine leefgebieden of het oplossen van milieuknelpunten als verdroging.
Landelijk is meer dan 75% van de oorspronkelijke taakstelling voor verwerving van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) gerealiseerd. Er bestaan echter verschillen tussen provincies in de mate waarin in 2010 aan de oorspronkelijke taakstelling werd voldaan.

In alle provincies nam tussen 1999 en 2010 de hoeveelheid verworven nieuwe natuur geleidelijk toe.

In alle provincies nam tussen 1999 en 2010 de hoeveelheid verworven nieuwe natuur geleidelijk toe.
Provincies verschillen in de grootte en aard van de knelpunten voor het bereiken van de gewenste natuurkwaliteit in de Ecologische Hoofdstructuur

Provincies verschillen in de grootte en aard van de knelpunten voor het bereiken van de gewenste natuurkwaliteit in de Ecologische Hoofdstructuur
Provincies verschillen in de grootte en aard van de knelpunten voor het bereiken van de gewenste natuurkwaliteit in de Ecologische Hoofdstructuur

Provincies verschillen in de grootte en aard van de knelpunten voor het bereiken van de gewenste natuurkwaliteit in de Ecologische Hoofdstructuur

Ecologische Hoofdstructuur voor driekwart verworven

Een evaluatie van het beleid voor de Ecologische Hoofdstructuur tot nu toe laat zien dat het oppervlak verworven nieuwe natuur sinds 1999 geleidelijk is toegenomen. Landelijk gezien is in 2010 meer dan 75 procent van de oorspronkelijke taakstelling voor verwerving gerealiseerd. Door de onzekerheden die er naar aanleiding van de bezuiniging en herijking zijn ontstaan, liggen de grondaankopen momenteel stil. Op provinciaal niveau zijn er duidelijke verschillen zichtbaar in de mate waarin in 2010 aan de oorspronkelijke taakstelling werd voldaan (figuur 4.4). In Friesland, Drenthe, Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland en Flevoland is meer dan 80 procent van de verwerving gerealiseerd, in Overijssel en Utrecht is dat aandeel ongeveer 60 procent. Dit verschil kan worden verklaard door variatie in de omvang van de taakstelling en in de druk op de grondmarkt.

Omdat het aandeel knelpunten voor het in stand houden van de biodiversiteit per provincie verschilt, verschilt ook de noodzaak om met grondaankopen knelpunten op te lossen. Zo heeft Utrecht nog een grote verwervingsopgave, maar relatief weinig knelpunten. Limburg heeft juist veel knelpunten door de intensieve veehouderij in het noorden en door de versnippering van en het tekort aan leefgebied voor de soorten van het heuvelland. Voor de robuuste verbindingen, die in het Onderhandelingsakkoord natuur zijn opgeheven, was in 2010 15 procent van de hectaren verworven, slechts enkele hectaren zijn ingericht. Het particulier natuurbeheer blijft ver achter bij de taakstelling (Sanders 2012). Tot nu toe is die taakstelling voor circa 15 procent gerealiseerd.

Uit de ontwikkelingen in de Ecologische Hoofdstructuur tot en met 2010 kunnen de volgende lessen worden getrokken (zie onder andere PBL 2009, 2010):

  • Positieve effecten voor natuur optreden als de terreinen daadwerkelijk zijn ingericht. De inrichting loopt achter op de verwerving omdat het effectiever is om een terrein in één keer in te richten; .
  • Door vrijwilligheid van de grondverwerving als uitgangspunt te nemen en volledige schadeloosstelling beperkt toe te staan kunnen knelpunten slechts langzaam opgelost worden. Een knelpunt kan bijvoorbeeld bij verdrogingsbestrijding de verwerving van een cruciaal stuk grond zijn;
  • Ondanks de toename van het oppervlakte nieuwe natuur de versnippering van de Ecologische Hoofdstructuur niet is opgelost.
  • Het oplossen van de milieuknelpunten langzaam tot verbetering leidt, wel blijven er in elke provincie knelpunten over (tweede figuur).

Provincies bezorgd over betaalbaarheid van te realiseren doelen

De provincies zijn tevreden met de grotere zeggenschap over het natuurbeleid als gevolg van de decentralisatie en het Onderhandelingsakkoord. De bezuiniging op het natuurbudget daarentegen, zien ze als een belemmering voor het bereiken van de natuurdoelen, vooral omdat zij al verplichtingen zijn aangegaan (Bouwma & Weebers 2012; Schrijver et al. 2012). In juni 2012 hebben acht provincies ingestemd met het Onderhandelingsakkoord. Drie provincies hebben niet ingestemd, maar werken wel mee aan het uitvoeren van de uitvoeringsafspraken, en één provincie heeft nog geen besluit genomen over de uitvoering van het akkoord.

Beleidsdoelen EHS

De provincies voeren sinds het Onderhandelingsakkoord natuur uit 2011 de regie over de natuur in het landelijk gebied en maken plannen voor de Natura 2000-gebieden, de overige Ecologische Hoofdstructuurgebieden en de natuur daarbuiten, en de Kaderrichtlijn Water. Afgesproken is dat provincies de Natura 2000-gebieden prioriteit geven. Het Rijk voert het agrarisch natuurbeheer uit buiten de Ecologische Hoofdstructuur. Het Rijk houdt wel eindverantwoordelijkheid voor de Europese verplichtingen, in het bijzonder de Vogel- en Habitatrichtlijnen en de Kaderrichtlijn Water. De Ecologische Hoofdstructuur wordt herijkt: de aanvankelijk beoogde omvang van 728.500 hectare wordt teruggebracht tot circa 570.000 hectare. De provincies zullen de grenzen van de herijkte Ecologische Hoofdstructuur medio 2013 op kaart vaststellen.

Voor het beheer van natuurterreinen, de aankoop van grond voor de Ecologische Hoofdstructuur en het oplossen van milieuknelpunten is in het Lenteakkoord een bezuiniging voorgesteld van ongeveer 30 procent ten opzichte van 2010, een te bezuinigen bedrag van 200 miljoen euro per jaar. De bezuiniging heeft vooral consequenties voor de aanpak van milieuknelpunten buiten de Natura 2000-gebieden en de verwerving en inrichting van nieuwe natuur. Wel is de afspraak dat ruilgronden en natuur buiten de Ecologische Hoofdstructuur kunnen worden verkocht om extra budget te genereren. De rijksgelden zijn volgens het Lenteakkoord voornamelijk bedoeld voor milieuknelpunten in de Programmatische Aanpak Stikstof en de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Voor het afronden en inrichten van robuuste natuurgebieden komen extra financiële middelen vrij.

Referenties

  • Bouwma I. en Weeber C. (2012) Het onderhandelingsakkoord: reacties van de provincies toegelicht. Vakblad Bos en Landschap 9(1). p: 21-23
  • PBL (2009) Natuurbalans 2009. Rapportnr. 500402017, Planbureau voor de Leefomgeving, Bilthoven.
  • PBL (2010) Balans van de Leefomgeving 2010. Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven.
  • Sanders, M.E. (2012) Bijdrage particuliere grondeigenaren aan de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. De Levende Natuur. September 2012.
  • Schrijver R., Gaaff A. en Bouwma I. (2012) Provinciale budgetten bepalen toekomst terreinbeheer. Vakblad Bos en Landschap 9(1), p: 24-28.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving, auteur: Wim Damen