Balans van de Leefomgeving

Druk op biodiversiteit in Nederland is hoogste van de EU

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Verlies aan habitat door landbouw en verstedelijking is de belangrijkste oorzaak voor het historisch opgebouwde verlies aan biodiversiteit. De in Nederland resterende biodiversiteit is het laagste van alle EU lidstaten.

In Europa zijn areaal gerelateerde biodiversiteitverliezen dominant veroorzaakt door vermesting, klimaatverandering en versnippering. Ook in Nederland heeft de ontginning van natuur, de intensieve agrarische productie en verstedelijking tot een verlies van meer dan 50% van de populatieomvang van soorten geleid. Omdat de druk op biodiversiteit door deze drukfactoren hoog is en blijft, ligt verbetering niet voor de hand en is het aannemelijk dat dit verlies de komende decennia doorzet (PBL, 2012).

In Europa zijn areaal gerelateerde biodiversiteitverliezen dominant veroorzaakt door vermesting, klimaatverandering en versnippering. Ook in Nederland heeft de ontginning van natuur, de intensieve agrarische productie en verstedelijking tot een verlies van meer dan 50% van de populatieomvang van soorten geleid. Omdat de druk op biodiversiteit door deze drukfactoren hoog is en blijft, ligt verbetering niet voor de hand en is het aannemelijk dat dit verlies de komende decennia doorzet (PBL, 2012).

Intensief landgebruik veroorzaakt verlies Nederlandse biodiversiteit

Menselijk landgebruik heeft wereldwijd de grootste invloed op het verlies aan biodiversiteit (Sala et al.., 2000; Ten Brink et al., 2010). Andere mondiaal belangrijke oorzaken hangen samen met infrastructuur, verstoring, fragmentatie en oprukkende bewoning (Laurance, 2008; UNEP, 2002). Door de emissie van broeikasgassen zullen de klimatologische omstandigheden veranderen, met vooral op de langere termijn negatieve effecten voor biodiversiteit (ten Brink et al., 2010).

Het verlies aan biodiversiteit in Nederland is grotendeels veroorzaakt door landbouw en verstedelijking, zowel door areaalverlies als door milieudruk en versnippering. 70% van het Nederlands landoppervlak wordt dan ook agrarisch gebruikt. Verwacht wordt dat de nu nog bescheiden druk van klimaatverandering op de Nederlandse biodiversiteit in de toekomst zal toenemen (Verboom et al., 2010).

EU landen met een minder intensief landgebruik

Finland en Zweden hebben een relatief bescheiden areaal landbouwgrond. De bosbouwsector is in deze landen wel sterk ontwikkelt, maar de impact op biodiversiteit is hier laag, omdat bosbouw een minder intensieve grondbewerking vraagt en er nauwelijks waterbeheer en gewasbescherming wordt toegepast. Ook Spanje en Itali├ź hebben relatief veel van de oorspronkelijke biodiversiteit behouden. In deze Mediterrane landen zorgen een slechte bodemkwaliteit, een gebrek aan water en een grote afstand tot afzetmarkten voor een weinig intensief gebruik van grote delen van het land.

Nederland ligt niet op koers wat betreft de Europese verplichtingen en mondiale afspraken

In Nederland blijven de drukfactoren op biodiversiteit hoog door met name de hoge bevolkingsdichtheid en een intensief landgebruik. Zodoende voorspellen modelstudies (PBL, 2012) een verdere achteruitgang en wordt herstel moeilijker. De aanwijzing van Natura 2000 gebieden voor biodiversiteitsbescherming van Europees waardevolle natuur en daar voorkomende soorten evenals de aanleg van ruimere ecologische netwerken zijn daarom in staat de neergaande trend te remmen, maar niet om deze te keren (PBL, 2011). Nederland scoort overigens met een beschermd natuurareaal van 14% van het territorium (inclusief mariene gebieden) onder het EU gemiddelde.

MSA: indicator voor biodiversiteitseffecten

Biodiversiteit kent vele facetten en is moeilijk uit te drukken met 1 indicator (EEA, 2010).De meest gebruikte zijn het tellen van soortenaantallen of -populaties en het meten van het areaal van natuurlijke ecosystemen(ten Brink, 2000). De Mean Species Abundance (MSA) indicator bepaalt de areaalgrootte van ecosystemen en vermenigvuldigt deze met een index die aangeeft in hoeverre dergelijke gebieden nog populaties van oorspronkelijke soorten kunnen herbergen (Alkemade et al. 2009). Deze index berekent op basis van dominante drukfactoren met het GLOBIO biodiversiteitsmodel (Alkemade et al., 2009) de overgebleven biodiversiteit. MSA is een relatieve maat, waardoor het mogelijk is om gebieden te vergelijken, projecties naar de toekomst te maken (PBL, 2010) en oorzaken van veranderingen in te schatten (www.globio.info). Ook kan op basis van het modelmatig verlagen van drukfactoren inzicht gegeven worden hoe de kwaliteit van ecosystemen verbetert kan worden.

Omdat MSA uitgaat van oorspronkelijk aanwezige soortenrijkdom dekt de indicator niet het complete concept biodiversiteit zoals geformuleerd tijdens de biodiversiteitsconventie (CBD, 2010). Zo worden agro-biodiversiteit en andere relatief recent geïntroduceerde soorten niet meegewogen. Een gebied met een MSA score van100% heeft een soortenrijkdom die gelijk is aan het oorspronkelijke ecosysteem. 0% betekent dat alle originele plant- en diersoorten niet meer voorkomen in een ecosysteem (Alkemade et al., 2009). Zodoende is het referentiepunt een natuurlijk ecosysteem vrij van menselijk handelen. Daarmee is MSA vergelijkbaar met de Living Planet Index (LPI).

Referenties

  • Alkemade R., M. van Oorschot, el al. (2009). GLOBIO3: A Framework to investigate Options for Reducing Global Terrestrial Biodiversity Loss. Ecosystems 12(3): 374.
  • CBD 2010. Global Biodiversity Outlook 3. CBD-UNEP, Montreal, Canada.
  • CBD 2011. Strategic Plan for Biodiversity 2011-2020 and the Aichi Targets: Living in Harmony with Nature, http://www.cbd.int/doc/strategic-plan/2011-2020/Aichi-Targets-EN.pdf (ed CBD), Nagoya.
  • EEA (2010). Interlinkages between the European biodiversity indicators, improving their information power. Report of the working group on Interlinkages of the Streamlining European Biodiversity Indicators Project (SEBI), Copenhagen, Denmark
  • Laurance, William F. “Theory Meets Reality: How Habitat Fragmentation Research Has Transcended Island Biogeographic Theory.” Biological Conservation 141, no. 7 (2008): 1731-44.
  • Leemans, R., K.J. gaston, A.S. van Jaarsveld, J. Dixon, J. Harrison, M.E. Cheatle 2007. International review of the GLOBIO model version 3. Netherlands Environmental Assessment Agency, Bilthoven, The Netherlands
  • PBL 2010. Rethinking Global Biodiversity Strategies: Exploring structural changes in production and consumption to reduce biodiversity loss. Netherlands Environmental Assessment Agency (PBL), The Hague/Bilthoven
  • Sala, O. E., III Stuart Chapin , F., J.J. Armesto, E. Berlow, J. Bloomfield, R. Dirzo, E. Huber-Sanwald, et al. “Global Biodiversity Scenarios for the Year 2100.” Science 287 (2000): 1770-74.
  • Ten Brink (2000). Biodiversity indicators for the OECD Environmental Outlook and strategy, a feasibility study. RIVM report 402001014, RIVM, Bilthoven
  • UNEP. “Geo-3. Pasty, Present and Future Perspectives.”, 446 p. London: Earthscan, 2002.

Relevante informatie

Naam van het gegeven

Gemiddelde populatieomvang van soorten (MSA met GLOBIO)

Omschrijving

MSA is een indicator voor natuurlijkheid of intactheid van de biodiversiteit met als referentie het natuurlijke ecosysteem zonder invloed van menselijk handelen.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving. Auteur: Rob Alkemade.

Berekeningswijze

De indicator MSA wordt berekend op basis van drukfactoren op biodiversiteit in het GLOBIO biodiversiteitsmodel www.globio.info; Alkemade 2009)

Basistabel

Cijfers in beheer bij PBL: Michel Jeuken.

Geografisch verdeling

De output resolutie is afhankelijk van de inputkaarten. Voor mondiale analyses wordt de resolutie van 0,5 x 0,5 graden gehanteerd. Voor nationale toepassingen van het model worden meestal 1 x 1 km resoluties genomen.

Andere variabelen

Oorzaken van biodiversiteitverlies: areaal landgebruik, landgebruiksintensiteit, versnippering, vermesting, klimaatverandering en infrastructuur.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks als bijdrage aan diverse mondiale assessments(GEO en Biodiversity assessments)

Achtergrondliteratuur

Alkemade 2009; diverse PBL publicaties (o.a. PBL 2010)

Betrouwbaarheid

Internationale review van het model: MNP report 555050002/2007 Leemans et al. 2007)