Balans van de Leefomgeving

Nederland heeft de grootste druk op biodiversiteit binnen Europa

De druk op biodiversiteit is in geen enkele EU lidstaat groter dan in Nederland. Daarom liggen de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn nog ver buiten bereik en verkeert het grootste deel van de te beschermen soorten en habitats in een ongunstige staat van instandhouding. Daarbij verslechtert de kwaliteit van een aantal kwetsbare habitats verder. Met de huidige beleidsinzet is daarom niet te verwachten dat Nederland de Europese doelen dichterbij brengt. Maar hoe verhoudt deze prestatie zich tot Europese regio’s met een vergelijkbaar intensief landgebruik?

 Nederland heeft een geringe biodiversiteit vergeleken met een vijftal andere Europese delta's met hoge ruimtedruk

Nederland heeft een geringe biodiversiteit vergeleken met een vijftal andere Europese delta’s met hoge ruimtedruk

Biodiversiteitverlies het hoogst in Nederland en het stroomgebied van de Thames

Nederland is een dichtbevolkt en productief land dat een hoge welvaart kent en waar de biodiversiteit sterk is afgenomen. De vraag is hoe de biodiversiteit in Nederland zich laat vergelijken met regio’s in Europa die een min of meer vergelijkbare druk op de biodiversiteit kennen. Hiervoor is gekeken naar een vijftal in rivierdelta’s gelegen gebieden die een intensieve landbouw, een hoge mate van economische ontwikkeling en bevolkingsdichtheid kennen: de Po-vlakte, de stroomgebieden van zowel de Guadalquivir, de Donau als de Rhône en de Thames rondom London werden geselecteerd.

In Nederland neemt de populatieomvang van de oorspronkelijk voorkomende soorten, sterker af dan dat soorten uitsterven. Verklaring is het feit dat een afname in populatieomvang, zoals eerder beschreven, een van de eerste uitingen is van biodiversiteitsverlies. Uiteindelijk leidt een afnemende populatiegrootte tot het uitsterven van soorten. Nederland lijkt hiermee het meest op de Thamesdelta. In andere Europese delta’s is een beperktere achteruitgang van de populaties van de oorspronkelijk voorkomende soorten te zien.

  • In vergelijking met de vijf andere regio’s zijn in Nederland en het stroomgebied van de Thames zowel soorten- als populatieaantallen bovengemiddeld sterk verslechterd. Beiden aspecten zijn belangrijke graadmeters voor de staat van de biodiversiteit en worden daarom gebruikt als indicatoren. In Nederland en het Thames stroomgebied zijn zowel populatie omvang als aantallen soorten fors achteruitgegaan ten opzichte van de natuurlijke situatie. Beide gebieden kennen een lange historie van verstedelijking en een hoge mate van economische ontwikkeling. Zeker in het geval van Nederland is er ook sprake van een zeer intensieve landbouwsector. Zodoende staat de biodiversiteit al lange tijd onder druk, waardoor afnamen in populatieomvang reeds tot uitsterven hebben geleid. Daarbij blijft de impact van drukfactoren hoog, waardoor aantallen nog steeds achteruitgaan.
  • De stroomgebieden van de Rhône en Guadalquivir laten voor beide indicatoren een veel beperkter achteruitgang zien. Hier wonen veel minder mensen en is de mate van economische ontwikkeling lager (Eurostat, 2011). Ook is de landbouwsector nog steeds relatief extensief. Zodoende was en is de druk op biodiversiteit veel lager dan in Nederland, wat geleid heeft tot een veel bescheidener en meer graduele achteruitgang in aantallen.
  • De Po-delta is, net als Nederland en het stroomgebied van de Thames, een regio die gekenmerkt wordt door een lange geschiedenis van sterke economische activiteit en verstedelijking in combinatie met een intensieve landbouwsector. Zodoende wordt ook deze regio gekenmerkt door relatief kleine resterende soortenpopulaties. Het aantal verdwenen soorten is hier echter beduidend lager in vergelijking met Nederland en het stroomgebied van de Thames. Dit kan verklaard worden door het feit dat de Po-delta een grotere verscheidenheid aan verschillende vormen van landgebruik kent, waardoor de kans groter is dat er geschikte en bereikbare habitat aanwezig is voor soorten, waardoor deze niet verdwijnen.
  • De Donau delta, tenslotte, laat een situatie zien waar zowel de resterende populatie- als soortenaantallen relatief laag liggen, maar minder sterk gedaald zijn dan het geval is in Nederland. Een mogelijke verklaring is het gebrek aan (grensoverschrijdend) milieubeleid voorafgaand aan het uiteenvallen van het Warschau pact in 1989 (Jansky, 2004), waardoor de druk op biodiversiteit sterk toegenomen is gedurende de decennia die volgden op de Tweede Wereldoorlog. Het is aannemelijk dat de effecten van deze druk zich met name stroomafwaarts concentreren in de delta, Verwacht wordt dat verdere intensivering van het regionale landgebruik de biodiversiteit in de toekomst verder onder druk zetten.

Nieuwe mondiale afspraken en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020

Het is onwaarschijnlijk dat Nederland met de huidige beleidsinzet de Aichi targets gaat halen die in 2010 door de Convention on Biological Diversity zijn afgesproken (CBD, 2011) en die Nederland net als de overige EU lidstaten heeft onderschreven. Hoofddoel van deze targets is er voor te zorgen dat ecosystemen in 2020 veerkrachtig zijn en essentiële diensten blijven leveren aan de samenleving. Zo moeten de onderliggende oorzaken van biodiversiteitsverlies worden aangepakt om de snelheid waarmee natuurlijke habitats in kwaliteit afnemen te halveren, terwijl de drukfactoren in Nederland niet afnemen en beheer onvoldoende is om aan de kwaliteitseisen te voldoen. Daarnaast moet 15% van de gedegradeerde ecosystemen gerestaureerd worden en moet ook een bijdrage worden geleverd aan het tot stand brengen van biodiversiteitsverlies buiten de landsgrenzen. De EU biodiversiteitstrategie stelt hogere ambities, bijvoorbeeld wat betreft Natura 2000, terwijl Nederland de huidige ambities al niet haalt. De biodiversiteitsstrategie verlangt een significante en meetbare verbetering van de biodiversiteit in 2020 ten opzichte van de 2010 baseline (EEA, 2010). Dit doel dient bereikt te worden door een verbetering in de staat van instandhouding van respectievelijk 100% en 50% van de habitats en soorten die onder de Habitatrichtlijn vallen, terwijl de kwaliteit van een aantal kwetsbare habitats in Nederland nog steeds verder verslechtert. Daarnaast is het doel dat 50% van de soorten onder de Vogelrichtlijn een stabiele of verbeterde status heeft in 2020. Tevens is het doel 15% van alle gedegradeerde ecosystemen te herstellen. De nadruk ligt hierbij niet alleen op soorten en habitats, maar ook op ecosysteemdiensten die die van waarde zijn voor de samenleving (EC, 2011a,b).

Hoe is de biodiversiteitverandering bepaald?

Over het algemeen wordt toestand en trend van biodiversiteit beschreven met een waaier aan indicatoren (EEA 2010). Behalve het beschrijven van toestand en trend monitoren deze indicatoren ook de oorzaken van verlies en het succes van gevoerd beleid (doelrealisatie) (EEA 2010). Zeker zo waardevol als een beschrijving van de huidige staat is kennis over het proces van biodiversiteitsverandering, om effectief actie te kunnen overnemen.

Biodiversiteitsverlies uit zich in eerste instantie door een achteruitgang in populatieomvang van de meest kwetsbare soorten, waardoor deze uiteindelijk kunnen uitsterven. Ondertussen kunnen een aantal generalisten juist in aantallen toenemen; dit kan ook nieuwe soorten betreffen. Bij door de mens veranderende vegetaties en landschappen neemt het aantal soorten (soortenrijkdom) daarom mogelijk incidenteel toe (ten Brink, 2000).

Bovenstaande beschrijving van het proces van biodiversiteitsverlies onderstreept andermaal het belang van een set aan samenhangende indicatoren die de informatiewaarde verhogen (EEA, 2010), in dit geval soortenrijkdom en populatieomvang, die een zo volledig mogelijk verhaal vertellen. Zodoende is hier gekozen om op basis van beide typen indicatoren een samenhangend beeld te vormen van verandering van biodiversiteit.

Bij de vergelijking van de toestand van biodiversiteit in de eerder genoemde vijf EU rivierdelta’s is zowel naar de hoeveelheid soorten als de aantallen waarin deze voorkomen gekeken. Voor eerstgenoemde is gebruik gemaakt van de Soorten Rijkdom Index (SRI) (Musters et al. in prep.), voor laatstgenoemde is de gemiddelde populatieomvang van soorten ofwel Mean Species Abundance (MSA) berekend met behulp van het GLOBIO model (Alkemade et al. 2009).

De Soorten Rijkdom Index (SRI) geeft de mate aan waarin de huidige soortenrijkdom afwijkt van de originele soortensamenstelling van terrestrische vertebraten op regionaal niveau. Kort gezegd geeft de indicator de lokale overlevingskans van soorten weer. De SRI is gebaseerd op de MSA indicator, welke verandert door omgevingsfactoren als landgebruik, infrastructuur en klimaat en maakt tevens gebruik van de empirische relatie tussen het aantal voorkomende soorten en de oppervlakte van een gebied (Musters et al., in prep).

De gemiddelde populatieomvang van soorten (MSA) is een indicator voor natuurlijkheid of intactheid van de biodiversiteit met als referentie natuurlijke ecosystemen die niet beïnvloed zijn door menselijk handelen. Het referentiebeeld is ‘ongestoorde’ natuur. Een vergelijking tussen verschillende gebieden is mogelijk, omdat MSA een relatieve maat is. Daarnaast verschaft de MSA indicator inzicht in de oorzaken van biodiversiteitsverlies door het kwantificeren van drukfactoren. Ook kan op basis van verlaagde drukfactoren inzicht gegeven worden hoe de kwaliteit van het ecosysteem verbetert. MSA gaat zoals gezegd uit van oorspronkelijke soortrijkdom en dekt zodoende niet het complete concept biodiversiteit (bijvoorbeeld niet over agrobiodiversiteit en toegang en gelijk profijt van biodiversiteit), zoals geformuleerd door de mondiale biodiversiteitconventie (CBD, 2010). Een gebied met een MSA score van 100% heeft een soortenrijkdom die gelijk is aan het oorspronkelijke ecosysteem. 0% betekent een compleet verdwenen ecosysteem, waarin originele plant- en diersoorten niet meer voorkomen (Alkemade et al., 2009). MSA is een proxy voor de CBD indicator Soortgroep Trend Index (STI) en vergelijkbaar met de Living Planet Index (LPI).

Referenties

  • Alkemade R., M. van Oorschot, el al. (2009). GLOBIO3: A Framework to investigate Options for Reducing Global Terrestrial Biodiversity Loss. Ecosystems 12(3): 374.
  • CBD 2010. Global Biodiversity Outlook 3. CBD-UNEP, Montreal, Canada.
  • CBD 2011. Strategic Plan for Biodiversity 2011-2020 and the Aichi Targets: Living in Harmony with Nature, http://www.cbd.int/doc/strategic-plan/2011-2020/Aichi-Targets-EN.pdf (ed CBD), Nagoya.
  • EC (2011a) Our life insurance, our natural capital: an EU biodiversity strategy to 2020, COM(2011) 244 final (ed EU), pp. 17, Brussels.
  • EC (2011b) A resource-efficient Europe – Flagship initiative under the Europe 2020 Strategy, Vol. COM(2011) pp. 17, Brussels.
  • EEA (2010). Interlinkages between the European biodiversity indicators, improving their information power. Report of the working group on Interlinkages of the Streamlining European Biodiversity Indicators Project (SEBI), Copenhagen, Denmark
  • Leemans, R., K.J. gaston, A.S. van Jaarsveld, J. Dixon, J. Harrison, M.E. Cheatle 2007. International review of the GLOBIO model version 3. Netherlands Environmental Assessment Agency, Bilthoven, The Netherlands
  • Musters, C.J.M , R.J.T. Verweij, M. Bakkenes, D.P. Faith, S. Ferrier, R. Alkemade in prep. Present and future global species survival
  • PBL 2010. Rethinking Global Biodiversity Strategies: Exploring structural changes in production and consumption to reduce biodiversity loss. Netherlands Environmental Assessment Agency (PBL), The Hague/Bilthoven
  • Ten Brink (2000). Biodiversity indicators for the OECD Environmental Outlook and strategy, a feasibility study. RIVM report 402001014, RIVM, Bilthoven

Relevante informatie

  • www.globio.info

Naam van het gegeven

Gemiddelde populatieomvang van soorten (MSA met GLOBIO) en Soortenrijkdom Index (SRI)

Omschrijving

MSA is een indicator voor natuurlijkheid of intactheid van de biodiversiteit met als referentie het natuurlijke ecosysteem zonder invloed van menselijk handelen. De soortenrijkdom index (SRI) geeft de mate aan waarin de originele soortensamenstelling van terrestrische vertebraten van een bepaalde regio is aangetast door verandering van omgevingsfactoren als landgebruik, infrastructuur en klimaat

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving. Auteurs: Rob Alkemade en: Richard Verweij

Berekeningswijze

De indicator MSA wordt berekend op basis van drukfactoren op biodiversiteit in het GLOBIO biodiversiteitsmodel www.globio.info; Alkemade 2009) De SRI is gebaseerd op de MSA (wat scenario studies mogelijk maakt), en maakt tevens gebruik van de empirische relatie tussen het aantal voorkomende soorten en de oppervlakte van een gebied

Basistabel

MSA Cijfers in beheer bij PBL: Michel Jeuke. SRI Cijfers in beheer bij PBL Richard Verweij

Geografisch verdeling

MSA De output resolutie is afhankelijk van de inputkaarten. Voor mondiale analyses wordt de resolutie van 0,5 x 0,5 graden gehanteerd. Voor nationale toepassingen van het model worden meestal 1 x 1 km resoluties genomen. SRI variabel van gridcel 0,5 x 0,5 graden tot mondiale biomen

Andere variabelen

Oorzaken van biodiversiteitverlies: areaal landgebruik, landgebruiksintensiteit, versnippering, vermesting, klimaatverandering en infrastructuur.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks als bijdrage aan diverse mondiale assessments(GEO en Biodiversity assessments)

Achtergrondliteratuur

MSA: Alkemade et al. 2009; diverse PBL publicaties (o.a. PBL 2010) SRI: Musters R. et al. In prep

Betrouwbaarheid

MSA: Internationale review van het model: MNP report 555050002/2007 Leemans et al. 2007) SRI: Musters R. et al. In prep