Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2012

Effecten voedselproductie voor de leefomgeving

De productie van voedsel voorziet in een basisbehoefte, maar legt ook een groot beslag op schaarse hulpbronnen en heeft vaak negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving. Dat geldt in het bijzonder voor de productie van vlees, vis en zuivel.

Schaarse hulpbronnen

Voor de productie van voedsel zijn hulpbronnen nodig. In de eerste plaats is dat landbouwgrond, maar ook water en nutriënten als stikstof en fosfaat om de vruchtbaarheid van het land te verhogen. Daarnaast is fossiele energie binnen het hedendaagse voedselsysteem een belangrijke hulpbron, zowel voor de productie als distributie van voedsel. Daarbij speelt vooral de consumptie van dierlijke eiwitten een grote rol. Voor de productie van 1 kilo dierlijk eiwit is (afhankelijk van het soort dier) 2-20 kilo plantaardig eiwit nodig. Van het mondiale landbouwareaal is dan ook 75% in gebruik voor de productie van veevoer en als grasland.

De consumptie van voedsel zal in de toekomst verder toenemen door een groei van de wereldbevolking naar circa 9 miljard in 2050. Bovendien zal tot 2050 de omvang van de productie en consumptie van dierlijke eiwitten nog verdubbelen door de groeiende welvaart in opkomende landen.

Bij het optimaal benutten van schaarse hulpbronnen in de landbouw speelt het probleem van onderlinge afruilen. Zo is de opbrengst per hectare landbouwgrond in Europa en Noord-Amerika de laatste 100 jaar sterk verhoogd, maar om dit te bereiken was wel een fors hogere inzet nodig van energie, nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Een kenmerk van het landbouwsysteem is dat substitutie tussen schaarse hulpbronnen maar tot op zekere hoogte mogelijk is.

Tabel 3.1 Balans Leefomgeving 2012: Overzicht van de schaarse hulpbronnen die nodig zijn voor voedselproductie

Kwaliteit van de leefomgeving

De landbouwproductie in Nederland is voor een groot deel verantwoordelijk voor de emissies van broeikasgassen zoals lachgas en methaan, de emissie van ammoniak, uitspoeling van nitraat en fosfaat naar grond- en oppervlaktewater en voor verdroging. Vooral de veehouderij heeft hierin een groot aandeel. Per eenheid product zijn de emissies relatief laag, maar door de hoge intensiteit van de veehouderij zijn de emissies en overschotten aan nutriënten zodanig dat het voor Nederland moeilijk is om aan de verschillende Europese doelen te voldoen.

De Europese doelen die de landbouw het meest beïnvloeden gaan over nitraat in grondwater (Nitraatrichtlijn), fosfaat en gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater (ecologische doelen Kaderrichtlijn water), verdroging (Vogel- en Habitatrichtlijn), en ammoniakemissie (NEC-richtlijn en IPPC).