Balans van de Leefomgeving

Grondwaterkwaliteit onvoldoende in lössregio en in zuidelijk zandgebied

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

In de veen- en kleiregio’s is de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater al vele jaren lager dan de doelstelling van 50 milligram per liter. Voor de lössregio en in het zuidelijk zandgebied is dit nog niet het geval. Met het vierde actieprogramma zal de nitraatconcentratie in grondwater verder afnemen, maar na 2013 resteren nog knelpunten in de lössregio en het zuidelijk zandgebied.

 Ontwikkeling van de gemeten, gemiddelde nitraatconcentraties in grondwater (zand, veen), drainwater (klei) en bodemvocht (löss).

Ontwikkeling van de gemeten, gemiddelde nitraatconcentraties in grondwater (zand, veen), drainwater (klei) en bodemvocht (löss).
Nitraat in bovenste grondwater in de zandregio met maatregelen vierde actieprogramma

Nitraat in bovenste grondwater in de zandregio met maatregelen vierde actieprogramma

Nitraatconcentratie in bovenste grondwater nog boven de norm in de zand- en lössregio’s

In de zandregio en in de lössregio ligt de gemiddelde nitraatconcentratie boven de norm van 50 milligram nitraat per liter. Löss is heel fijn zand dat door de wind vooral in Zuid-Limburg is afgezet. In regio’s met klei- en veengronden ligt de gemiddelde nitraatconcentratie ruim onder het doel. Binnen de zandregio zijn er grote verschillen. In het zuidelijk zandgebied ligt de gemiddelde nitraatconcentratie nog ruim tweemaal zo hoog als het doel, terwijl in het noordelijk en centraal zandgebied gemiddeld het doel wordt bereikt.

Dat de gemiddelde nitraatconcentratie in het zuidelijk zandgebied hoger is dan in de andere zandgebieden, komt onder andere doordat er hier meer gewassen en bodems voorkomen die gevoelig zijn voor uitspoeling van stikstof. Ook na 2010 wordt in het zuidelijk zandgebied en in de lössregio het doel nog niet bereikt.

Vanaf 1992 sterke verbetering in de zandregio, na 2003 afvlakking

Gemiddeld daalt de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater in de zandregio tussen 1992 en 2002 met meer dan 60 procent. Na 2002 treedt er geen duidelijke verbetering meer op. Dit beeld is in overeenstemming met de ontwikkeling van de stikstofbodemoverschotten. Wel lijkt er na 2006 in de lössregio weer een licht dalende trend te zijn.

De grondwaterkwaliteit is bij melkvee- en derogatiebedrijven beter dan bij andere bedrijven

Bij melkveebedrijven ligt de nitraatconcentratie in het grondwater in de zandregio gemiddeld rond het doel. Ook bij bedrijven met meer dan 70 procent gras -veelal melkveebedrijven- die met EU-toestemming meer stikstof via dierlijke mest gebruiken (derogatiebedrijven) is dat het geval. Dit is in overeenstemming met de criteria voor derogatie in de Nitraatrichtlijn. Bij akkerbouw- en hokdierbedrijven liggen de concentraties 1,5 tot 2,5 maal hoger dan bij melkvee- en derogatiebedrijven.

Met het vierde actieprogramma is voor grondwater verbetering in de zandregio mogelijk; maar resteren nog opgaven in de lössregio en het zuidelijk zandgebied

Het vierde actieprogramma, onderdeel van het huidige mestbeleid, wordt in de periode 2010 tot en met 2013 gerealiseerd. Het gaat bij dit actieprogramma vooral om een verdere aanscherping van de stikstofgebruiksnorm voor een aantal gewassen op zandgrond en van de fosfaatgebruiksnormen voor grasland en bouwland. Voor grondwater zal de aanscherping tot en met 2013 de gemiddelde nitraatconcentratie van het grondwater na 2010 overal nog doen afnemen. Voor de gehele zandregio daalt de gemiddelde nitraatconcentratie tot het niveau van 50 milligram per liter.

De berekeningen geven verder aan dat de nitraatdoelstelling in het noordelijk en centrale zandgebied gemiddeld ruim wordt gehaald. In het zuidelijk zandgebied en in de lössregio verbetert de grondwaterkwaliteit na correctie voor het weer tot respectievelijk gemiddeld 70 en 60 milligram per liter, maar de nitraatdoelstelling wordt nog niet bereikt. Bij enkele scherpere varianten van de stikstofgebruiksnormen, specifiek gericht op uitspoelings-gevoelige akker- en tuinbouwgewassen, daalt de gemiddelde nitraatconcentratie in het zuidelijk zandgebied maar in beperkte mate. Dat komt omdat deze gewassen slechts 8 procent van het landbouwareaal betreffen.

De modeluitkomsten zijn echter onzeker, omdat de modelaanname over nalevering van nitraat uit de bodem hierop een grote invloed heeft, evenals de wijze waarop weerseffecten worden gemodelleerd. De berekende concentraties in de zandregio zijn iets hoger dan de metingen. Een goede vergelijking tussen metingen en modelberekeningen is echter lastig omdat niet alle typen bedrijven in alle delen van het land gemonitord worden, terwijl aan de andere kant de landbouwgrond van heel intensieve of extensieve bedrijven niet apart in het model wordt meegenomen, maar gemiddeld wordt doorgerekend.

Het voorgenomen mestbeleid biedt kansen; een afname van de milieubelasting is onzeker

Het mestbeleid zoals voorgenomen in de kabinetsbrief ‘Toekomstig mestbeleid’ van 28 september 2011 zet onder andere in op een driesporenaanpak van de dierlijke mestproductie:

  • Spoor 1 betreft een verplichte verwerking van een nog niet vastgesteld deel van de overschotmest van veehouderijbedrijven. Voor de resterende hoeveelheid overschotmest zullen bedrijven vervolgens mestplaatsingsovereenkomsten moeten afsluiten met verwerkers of andere afnemers (bijvoorbeeld akkerbouwers).
  • Het tweede spoor beoogt via veevoermaatregelen de uitscheiding van mineralen door het vee te verminderen tot in ieder geval onder het 2002-plafond.
  • Met het derde spoor wordt ingezet op de vervanging van kunstmest door verwerkte dierlijke mest.

Met de maatregelen van Spoor 1 moeten veehouders van tevoren de afzet van de geproduceerde mest geregeld hebben. Als dit systeem slaagt, kan het volumebeleid, zoals dat nu met productierechten wordt gereguleerd, vervallen. Deze aanpak legt de verantwoordelijkheid in belangrijke mate bij de sector. Hierbij heeft de sector volop de kans zijn innovatiekracht te laten zien. Er zijn wel risico’s verbonden aan de in de Mestbrief voorgestelde aanpak. Er moet bijvoorbeeld rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de voorgestelde aanpak veel complexer en duurder wordt dan nu het geval is, zowel voor boeren als voor de overheid. In het verleden is ervaring opgedaan met het stelsel van mestafzetcontracten dat niet doelmatig en doeltreffend was. Ook de wens tot een meer op de individuele boer toegesneden mestbeleid vraagt veel maatwerk en zal hogere administratieve kosten met zich meebrengen. Dit staat haaks op de inzet van de regering om de lasten voor bedrijven vergaand te verlichten. Het wordt bovendien een lastige opgave om in de komende jaren voldoende verwerkingscapaciteit voor drijfmest te realiseren. Onzeker is ook de werking en (internationale) acceptatie van verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger (Spoor 3). Spoor 2 (het voerspoor) lijkt vooralsnog kansrijk te zijn, gelet op de voorlopige uitkomsten van de mineralenproductie van de veestapel in 2011. Afschaffen van de productierechten en het beëindigen van de melkquotering zal de mest- en milieudruk in het zuiden (Noord-Brabant en Limburg) mogelijk verder doen toenemen. De huidige milieuvergunningen in dit deel van het land bieden nog ruimte voor een flinke groei van de veestapel. Ten opzichte van de maatregelen in het vierde actieprogramma zal het beleid volgens de Mestbrief weinig milieuverbetering te zien geven. Dit komt omdat inzet van het beleid is om gebruiksnormen na 2013 niet verder aan te scherpen.

Referenties

Relevante informatie

Omschrijving

Concentratie nitraat in het bovenste grondwater onder landbouwgrond

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteur: Jaap Willems

Verschijningsfrequentie

jaarlijks