Balans van de Leefomgeving

Doel stikstof- en fosfaatoverschot landbouw binnen bereik

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Het stikstof- en fosfaatoverschot van de landbouwsector neemt af. Het voorgenomen mestbeleid biedt kansen op betere benutting van de mest binnen de milieurandvoorwaarden.

Mineralenuitscheiding van de veestapel

Mineralenuitscheiding van de veestapel
Nutrientenoverschotten van de landbouw per hectare

Nutrientenoverschotten van de landbouw per hectare

De mineralenproductie van dierlijke mest is na 2006 gestegen, het kunstmestgebruik is gedaald

De aanvoer van mineralen naar de landbouwgrond bestaat voornamelijk uit dierlijke mest en kunstmest. De mineralenproductie door de veestapel is sinds 1990 afgenomen, maar vanaf ongeveer 2005 weer gestegen. Deze stijging heeft vooral te maken met de toename van het aantal stuks rundvee, varkens en pluimvee in Nederland.

In 2005 sprak de Nederlandse regering met de Europese Commissie af dat de productie van stikstof en fosfaat door de veestapel niet hoger zou zijn dan het niveau van 2002 (derogatievoorwaarde). Sinds 2008 wordt dit plafond voor fosfaat licht (met 1-3 procent) overschreden (zie eerste figuur). Maar de voorlopige cijfers voor 2011 wijzen uit dat de fosfaatproductie weer onder het niveau van 2002 is gedaald. Dit komt door een afname van de veestapel in combinatie met lagere fosforgehalten in het veevoer.

Dat de totale aanvoer van stikstof en fosfaat naar landbouwgronden na 2006 toch is afgenomen – met respectievelijk 9 en 13 procent -, komt vooral door het lagere kunstmestgebruik. In 2010 werd gemiddeld nog 145 kilogram stikstofkunstmest per hectare gebruikt; voor fosfaat was dit 2 kilogram per hectare. Deze afname is deels toe te schrijven aan het mestbeleid en deels aan het duurder worden van kunstmest.

Mineralenoverschotten voor fosfaat zijn sterker gedaald dan voor stikstof

De mineralenbalans van de landbouwsector als geheel laat sinds 1990 een sterke afname zien van het stikstof- en fosfaatoverschot. De benutting van stikstof en fosfaat (mineralenproductie via plantaardige en dierlijke producten gedeeld door de mineralenaanvoer) is toegenomen van 25 procent in 1990 naar 48 procent in 2009 (stikstof) en van 36 naar 85 procent (fosfaat). Mede door het gevoerde mestbeleid gaat de Nederlandse landbouw steeds efficiënter met de mineralen om.

Stikstofoverschotten op de bodembalans van melkveebedrijven nemen na 2003 nog beperkt af (zandgrond) en soms zelfs weer toe (klei en veengrond). Bij akkerbouwbedrijven zit er na 2002 nauwelijks beweging in het stikstofoverschot van de bodembalans (zie tweede figuur). Fosfaatoverschotten nemen wel sterk af in alle sectoren, met uitzondering van de akkerbouw op zandgrond. De trend in het overschot op de bodembalans hangt vooral samen met de trend in de toevoer van meststoffen naar de bodem. Het is vooral de stikstofaanvoer via kunstmest die is afgenomen. Behalve het mestbeleid speelt hierbij ook het duurder worden van kunstmest een rol.

Het voorgenomen mestbeleid biedt kansen; een afname van de milieubelasting is onzeker

Het mestbeleid zoals voorgenomen in de kabinetsbrief ‘Toekomstig mestbeleid’ van 28 september 2011 zet onder andere in op een driesporenaanpak van de dierlijke mestproductie:

  • Spoor 1 betreft een verplichte verwerking van een nog niet vastgesteld deel van de overschotmest van veehouderijbedrijven. Voor de resterende hoeveelheid overschotmest zullen bedrijven vervolgens mestplaatsingsovereenkomsten moeten afsluiten met verwerkers of andere afnemers (bijvoorbeeld akkerbouwers).
  • Het tweede spoor beoogt via veevoermaatregelen de uitscheiding van mineralen door het vee te verminderen tot in ieder geval onder het 2002-plafond.
  • Met het derde spoor wordt ingezet op de vervanging van kunstmest door verwerkte dierlijke mest.

Met de maatregelen van Spoor 1 moeten veehouders van tevoren de afzet van de geproduceerde mest geregeld hebben. Als dit systeem slaagt kan het volumebeleid, zoals dat nu met productierechten wordt gereguleerd, vervallen. Deze aanpak legt de verantwoordelijkheid in belangrijke mate bij de sector. Hierbij heeft de sector volop de kans zijn innovatiekracht te laten zien. Er zijn wel risico’s verbonden aan de in de Mestbrief voorgestelde aanpak. Er moet bijvoorbeeld rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de voorgestelde aanpak veel complexer en duurder wordt dan nu het geval is, zowel voor boeren als voor de overheid. In het verleden is ervaring opgedaan met het stelsel van mestafzetcontracten dat niet doelmatig en doeltreffend was. Ook de wens tot een meer op de individuele boer toegesneden mestbeleid vraagt veel maatwerk en zal hogere administratieve kosten met zich meebrengen. Dit staat haaks op de inzet van de regering om de lasten voor bedrijven vergaand te verlichten. Het wordt bovendien een lastige opgave om in de komende jaren voldoende verwerkingscapaciteit voor drijfmest te realiseren. Onzeker is ook de werking en (internationale) acceptatie van verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger (Spoor 3). Spoor 2 (het voerspoor) lijkt vooralsnog kansrijk te zijn, gelet op de voorlopige uitkomsten van de mineralenproductie van de veestapel in 2011. Afschaffen van de productierechten en het beëindigen van de melkquotering zal de mest- en milieudruk in het zuiden (Noord-Brabant en Limburg) mogelijk verder doen toenemen. De huidige milieuvergunningen in dit deel van het land bieden nog ruimte voor een flinke groei van de veestapel. Ten opzichte van de maatregelen in het vierde actieprogramma zal het beleid volgens de Mestbrief weinig milieuverbetering te zien geven. Dit komt omdat inzet van het beleid is om gebruiksnormen na 2013 niet verder aan te scherpen.

Relevante informatie

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteur: Jaap Willems