Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2014

Uitstoot van luchtverontreinigende stoffen daalt onder de 2010-emissieplafonds

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Nederland voldoet in 2014 aan de Europese emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen die gelden vanaf 2010 (NEC Richtlijn 2001/81/EG).

In de afgelopen twee decennia zijn de emissies van luchtverontreinigende stoffen fors gedaald. In de raming tot 2020 met bestaand beleid zet de dalende emissietrend zich verder door voor stikstofoxiden en fijn stof, en in mindere mate voor ammoniak. Emissies van zwaveldioxide stabiliseren tussen 2020 en 2030. De uitstoot van vluchtige organische stoffen laat een licht stijgende trend zien na 2010. De emissies van ammoniak veranderen nagenoeg niet tussen 2020 en 2030.

De emissieraming geeft de ontwikkeling van emissies weer bij doorvoering van vaststaand beleid inclusief de effecten van het SER-akkoord (SER, 2013). Deze ramingen bevatten geen voorgenomen beleid, zoals de Programmatische Aanpak Stikstof en de voorgenomen aanscherping van de testprocedure voor personenauto’s (Real Driving Emissions-regelgeving). Deze laatste maximeert de uitstoot van stikstofoxiden door dieselpersonen- en bestelauto’s onder praktijkomstandigheden.

Uitstoot van luchtverontreinigende stoffen

Uitstoot van luchtverontreinigende stoffen

Uitstoot stikstofoxiden ligt onder het emissieplafond

In 2012 bedroeg de uitstoot van stikstofoxiden 248 kiloton. Dit ligt onder het emissieplafond van 260 kiloton dat geldt vanaf 2010. Met het bestaand beleid is de verwachting dat de uitstoot van stikstofoxiden verder afneemt tot circa 180 kiloton in 2020 en 163 kiloton in 2030 (Velders et al., 2014). De sector verkeer zorgt in 2012 voor de grootste uitstoot van stikstofoxiden (60% van het totaal), gevolgd door de industrie- en energiebedrijven (24%).

De daling in uitstoot tussen 2012 en 2020 treedt op in de sectoren verkeer (54 kiloton) en de kleine stationaire bronnen bij de landbouw, handel, diensten en overheid, bouw en huishoudens (16 kiloton). De daling bij kleine stationaire bronnen wordt verklaard door de emissie-eisen uit het Besluit Emissie-Eisen Middelgrote Stookinstallaties (BEMS). De emissies in de industrie stijgen licht tussen 2012 en 2020 licht met 4 kiloton.
Na 2020 daalt de emissie van stikstofoxiden in Nederland verder. Dit wordt vooral verklaard door het nog schoner wordende autopark . Tussen 2020 en 2030 dalen de emissies bij verkeer met 16 kiloton. Ook is de verwachting dat de emissies in de energiesector tussen 2020 en 2030 nog dalen met 5 kiloton. De emissies in de industrie stijgen verder na 2020.

In de raming met vaststaand beleid wordt geen rekening gehouden met de voorgenomen aanscherping van de testprocedure voor personenauto’s (Real Driving Emissions-regelgeving). Deze maximeert de uitstoot van stikstofoxiden door dieselpersonen- en bestelauto’s onder praktijkomstandigheden. De RDE-regelgeving leidt op basis van de uitgangspunten zoals beschreven in Velders et al (2014), tot een daling van de geraamde stikstofoxidenemissies van dieselauto’s van 3 kiloton in 2020 en 9 miljoen kiloton in 2030.

In de raming is rekening gehouden met de effecten op emissies van het SER-akkoord. De drie belangrijkste invloeden uit het SER-akkoord op de uitstoot van stikstofoxiden zijn de extra energiebesparing (gemiddeld 41 PJ extra besparing in 2020 tot 2030), de verhoging van duurzame energie (13,8% in 2020 en 2030 in plaats van 8%) en het vervroegd sluiten van vijf kolencentrales. Het effect van het SER-akkoord is door het ECN geschat op 4 kiloton in 2020 tot 1 kiloton in 2030 bij stationaire bronnen.

Uitstoot van zwaveldioxide ligt onder het emissieplafond

In 2012 bedroeg de uitstoot van zwaveldioxide 34 kiloton en lag daarmee ruim onder het emissieplafond van 50 kiloton. De uitstoot van zwaveldioxide stabiliseert met bestaand beleid na 2020 op het niveau van 34 kiloton (Velders et al., 2014). Achter deze stabilisatie tussen 2010 en 2020 gaat een andersoortige temporele ontwikkeling op jaarbasis schuil. De emissies van zwaveldioxide zullen de komende jaren namelijk stijgen tot circa 38 kiloton in 2015. Dit wordt verklaard door de inzet van nieuwe kolencentrales. Daarna zullen geleidelijk echter meer oude kolencentrales worden afgeschakeld, zodat de uitstoot weer daalt. Voor de raffinaderijen is het afgesproken zwaveldioxide-plafond (16 kiloton) als uitgangspunt gebruikt voor de doorkijk met bestaand beleid. In 2012 bedroeg de emissie door raffinaderijen 14 kiloton.

Opvallend is de emissiedaling van zwaveldioxide in de periode 2008-2012. Deze daling is vooral het gevolg van een overschakeling van olie- naar gasstook bij de raffinaderijen en door het verder aanscherpen van normen voor het maximaal zwavelgehalte van rode diesel die werd gebruikt door de binnenvaart, visserij en mobiele werktuigen.

Uitstoot van vluchtige organische stoffen ligt onder het emissieplafond

In 2012 bedroeg de uitstoot van vluchtige organische stoffen 144 kiloton, en ligt daarmee onder het emissieplafond van 185 kiloton. Met bestaand beleid is de verwachting dat de uitstoot van vluchtige organische stoffen stijgt tot circa 150 kiloton in 2020 en 159 kiloton in 2030 (Velders et al., 2014). Dit betekent een stijging met 10 procent in 2030 ten opzichte van 2012. De stijging wordt verklaard door de verwachte toename in het gebruik van oplosmiddelen in huishoudens en in de sectoren handel, diensten, overheid en bouw. Die toename houdt verband met het feit dat het gebruik van oplosmiddelen (in onder andere lijm en verf, cosmetica, deodorant, schoonmaakmiddelen en andere oplosmiddel houdende producten) toeneemt met de economische groei. De uitstoot van vluchtige organische stoffen door huishoudens stijgt van 32 kiloton in 2012 naar 37 kiloton (stijging met 16 procent) in 2020 en 46 kiloton (stijging met 40 procent) in 2030. Hiervoor geldt dat het gebruik van luxeproducten zoals cosmetica meer dan evenredig toeneemt met de economische groei. Oplosmiddelgehalten voor producten zoals verf en lijmproducten zijn gereguleerd met de EU-verfrichtlijn. Voor producten zoals cosmetica en schoonmaakmiddelen is dit beperkt of niet het geval.

De uitstoot van ammoniak ligt onder het Europese emissieplafond

In 2012 bedroeg de uitstoot van ammoniak 120 kiloton, en ligt daarmee onder het emissieplafond van 128 kiloton. Met bestaand beleid is de verwachting dat de uitstoot van ammoniak daalt tot circa 112,4 kiloton in 2020, en daarna met 0,6 kiloton stijgt tot 113,0 kiloton in 2030 (Velders et al., 2014). De sector landbouw heeft verreweg het grootste aandeel (circa 85 procent in 2010) in de Nederlandse uitstoot van ammoniak. Ammoniak komt vooral vrij uit dierlijke mest. Van de overige sectoren hebben de huishoudens met 11 procent het grootste aandeel. De bronnen zijn in dit geval vooral transpiratie en huisdierenmest.

De daling in uitstoot tussen 2012 en 2020 treedt vooral op als gevolg van de invoering van emissiearme stallen voor varkens en pluimvee en de verdere daling van het gebruik van dierlijke mest door aanscherping van de mestgebruiksnormen.

De lichte stijging van de uitstoot tussen 2020 en 2030 met 0,6 kiloton is het gecombineerde effect van een stijging van emissies uit de landbouw en niet-landbouwbronnen. Tussen 2020 en 2030 stijgt de ammoniakuitstoot door de landbouwbronnen met circa 0,3 kiloton. Deze stijging is een combinatie van een aantal ontwikkelingen: een daling van stalemissies door dalende aantallen varkens (-1,6 kton), dalende beweidingsemissies door een toename van het permanent opstallen van melkvee (-0,2 kton) en stijgende emissies door de toename van de co-vergisting van mest (+2,1 kiloton).

Uitstoot van (zeer) fijn stof (PM2,5) neemt verder af

De uitstoot van fijn stof (PM2,5) bedroeg 12,9 kiloton in 2012. Er is momenteel nog geen emissieplafond voor fijn stof (PM2,5) maar dat gaat met de herziening van de NEC-richtlijn veranderen, zie hierna. Met bestaand beleid is de verwachting dat de uitstoot van fijn stof (PM2,5) daalt tot circa 10,7 kiloton in 2020 en 10,6 kiloton in 2030 (Velders et al., 2014). De sector verkeer zorgt in 2012 voor de grootste uitstoot van fijn stof (46 procent) gevolgd door huishoudens (houtkachels/open haarden, 24 procent), de industrie- en energiesector en raffinaderijen (24 procent) en de intensieve veehouderij (5 procent).

De daling in emissies tot 2020 kan voor het grootste deel worden toegeschreven aan het schoner wordende autopark dat wil zeggen de Europese emissienormering voor wegvoertuigen (o.a. roetfilter nieuwe personenauto’s). De emissies van de hele transportsector dalen van 5,7 kiloton in 2012 naar 3,0 kiloton (daling met 48 procent) in 2020 en 2,7 kiloton (daling met 53 procent) in 2030.

Uitstoot van fijn stof (PM10) stabiliseert

Alhoewel er geen emissieplafond is voor fijn stof (PM10), en ook niet wordt voorzien in Europa, worden de emissies van deze fijnstofractie wel goed gemonitord. De fijnere fractie PM2.5 is namelijk onderdeel van PM10 en er zijn relevante luchtkwaliteitsgrenswaarden voor PM10.

In vergelijking met de dalende PM2.5-emissies blijven de PM10-emissies na 2010 stabiel rond een niveau van circa 27 kiloton. Alhoewel de PM10-emissies uit het wegtransport dalen wordt dit gecompenseerd door stijgende emissies uit de industrie, op- en overslag en de bouw.

Nieuwe Europese richtlijn voor vermindering nationale emissies verwacht

In Europa zijn in 2012 afspraken gemaakt over de herziening van Gotenburg protocol, behorende bij de UNECE Convention on Long Range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Daarbij zijn reductiedoelen vastgelegd voor het jaar 2020. De 2020-doelstellingen uit dit herziene Protocol zijn haalbaar met het huidige luchtbeleid (Smeets et al, 2012). Het herziene Gotenburg Protocol treedt in werking als 17 landen dit hebben geratificeerd. Nederland heeft het protocol nog niet geratificeerd, maar dat kan elk moment gebeuren.

Als onderdeel van de nieuwe Europese strategie voor een schonere lucht heeft de Europese Commissie op 18 december 2013 een voorstel gepubliceerd voor een ‘richtlijn ter vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen’ (EC, 2013). Dit voorstel herziet de bestaande NEC-richtlijn met emissieplafonds (NEC Richtlijn 2001/81/EG). De door de Commissie hierin voorgestelde emissiedoelen zijn een weerslag van de Europese ambitie voor een verdergaande verbetering van de luchtkwaliteit.

De strategie en maatregelen worden gemotiveerd door het feit dat meer dan 400.000 mensen in de EU op dit moment vroegtijdig overlijden door luchtverontreiniging, en dat bijna twee-derde van de ecosystemen wordt blootgesteld aan overmatige stikstofdepositie. De economische gezondheidsschade wordt jaarlijks geschat op tussen de 330 en 940 miljard euro, wat overeenkomt met 3-9 procent van het EU BBP. Ook na doorwerking van het bestaand beleid in de jaren veroorzaakt luchtverontreiniging nog altijd forse schade aan de gezondheid van mensen en het milieu. Dat is de reden dat de Commissie een ambitie in het Commissievoorstel heeft gekozen die verdergaat dat de reducties die tot 2030 haalbaar zijn met vaststaand beleid. De voorgestelde reductieverplichtingen voor 2030 zijn zo vastgesteld dat landen extra maatregelen zullen moeten invoeren (Smeets en Hammingh, 2014). De emissiedoelen in het voorstel zijn gesteld in de vorm van relatieve emissiereductieverplichtingen in 2020, 2025 en 2030 ten opzichte van 2005.In het voorstel wordt het aantal stoffen uitgebreid met fijn stof (PM2,5). Voor 2025 zijn intermediaire doelen geformuleerd die afhangen van het nog onbekende emissieniveau in 2020 en de doelen voor 2030. De doelen voor 2020 zijn door de Commissie overgenomen uit het herziene Gotenburg Protocol.

Referenties

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving, auteurs: Winand Smeets, Pieter Hammingh, Jan Matthijsen