Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2014

Hoeveelheid land nodig voor de Nederlandse voedselconsumptie bedraagt twee en een half keer het landbouwareaal van Nederland

Het landgebruik voor de voedselconsumptie van de Nederlandse bevolking besloeg in 2010 ruim vier miljoen hectare, een gebied ter grootte van twee en een half keer het landbouw oppervlak van Nederland. Daarin is het oppervlak dat nodig is voor de consumptie van vlees en zuivel ruim de helft.

Landgebruik door de Nederlandse consumptie van landbouwproducten

Landgebruik door de Nederlandse consumptie van landbouwproducten
Regionale toedeling van het landgebruik voor de Nederlandse consumptie van landbouwproducten

Regionale toedeling van het landgebruik voor de Nederlandse consumptie van landbouwproducten
Landgebruik door de Nederlandse consumptie van landbouwproducten

Landgebruik door de Nederlandse consumptie van landbouwproducten

Landgebruik voor de voedselconsumptie van Nederlanders is twee en een half keer het landbouwareaal van Nederland

De hoeveelheid land die nodig is voor de Nederlandse consumptie van voedselproducten besloeg in 2010 twee en een half keer het landbouwareaal van Nederland. De belangrijkste voedselproducten zijn rundvlees (29%), zuivel (15%) en varkensvlees (13%). Het landgebruik voor de consumptie van voedsel is iets minder dan de helft (45%) van het totale landgebruik van de Nederlandse consumptie. Naast voedsel is er veel land nodig voor het Nederlandse gebruik van papier, hout, textiel en plantaardige olieën (3,7 miljoen hectare). Het landgebruik voor biomassa van landbouwgewassen voor energieopwekking is nu nog beperkt van omvang (0,2 miljoen hectare, 2% totale landgebruik), maar zal stijgen afhankelijk van de ambities en doelen voor een duurzame energievoorziening. Het gebruik van houtpellets voor energieopwekking is hierin nog niet meegerekend.

Per inwoner van Nederland ligt het landgebruik voor de Nederlandse consumptie van voedsel rond de 0,25 hectare. Dit areaal is lager dan dat van de gemiddelde inwoner van de Europese Unie (0,4 hectare) en ook van het wereldgemiddelde (0,7 hectare). De hoeveelheid landbouwgrond die de gemiddelde Nederlandse consument nodig heeft wordt sterk bepaald door het hoge consumptieniveau van vlees en zuivel. Dit betekent namelijk dat er veel landbouwgrond nodig is voor de verbouw van veevoer (zowel grasland als granen). Voor de Nederlandse consumptie is dit veevoer doorgaans afkomstig van landbouwgrond met hoge productieniveaus per hectare, die mogelijk zijn zowel door natuurlijke voordelen als door toepassing van relatief intensieve en hoogwaardige landbouwmethoden. Hierdoor is het hectaregebruik per Nederlander in absolute termen laag in vergelijking met andere landen.

Het merendeel van het landgebruik (circa 75% procent) voor de Nederlandse voedselconsumptie ligt buiten de Nederlandse grenzen, wat betekent dat er vooral internationaal gericht beleid nodig is om de effecten van landgebruik op bijvoorbeeld de mondiale biodiversiteit te verminderen. Het land dat voor de Nederlandse consumptie wordt gebruikt, bevindt zich voor het grootste deel in Europa (ongeveer 31%), voor ongeveer 25% procent in Zuid en Centraal Amerika, voor 5% in Noord Amerika en de rest (15%) in de overige landen. De circa 25% van het landgebruik die in Nederland ligt (ruim een miljoen hectare) komt overeen met circa de helft van het totale Nederlandse landbouwareaal. De andere helft wordt gebruikt voor export van landbouw- en voedselproducten.
Effecten landgebruik op biodiversiteit
Een belangrijk gevolg van landgebruik buiten Nederland voor de Nederlandse voedselconsumptie is het verlies aan biodiversiteit. De biodiversiteit, uitgedrukt als mean species abundance index, van land in gebruik voor intensieve hoogproductieve landbouw is verwaarloosbaar ten opzichte van de biodiversiteit van het land voordat het werd ontgonnen. Bij landgebruik voor productie van hout en papier blijft ruim de helft van de oorspronkelijke biodiversiteit behouden. Hierdoor is de bijdrage van de voedselconsumptie aan het mondiale biodiversiteitsverlies door de totale Nederlandse consumptie wat groter (circa 55%) dan de bijdrage aan het mondiale landgebruik van de Nederlandse consumptie (circa 45%). Anders gezegd, de voetafdruk op de mondiale biodiversiteit is dieper dan de voetafdruk op het mondiale landgebruik.

Mondiaal biodiversiteitsverlies door de Nederlandse consumptie

Mondiaal biodiversiteitsverlies door de Nederlandse consumptie
Landgebruik door de Nederlandse consumptie van voedsel, hout, kleding en andere producten

Landgebruik door de Nederlandse consumptie van voedsel, hout, kleding en andere producten

Handel in grondstoffen

De voetafdruk geeft niet het complete beeld van de milieueffecten elders van de Nederlandse economie. In Nederland wordt namelijk niet alleen veel geconsumeerd, maar ook veel geïmporteerd, verwerkt en geëxporteerd: Nederland is een belangrijk handels- en doorvoerland. De belangrijkste agrarische grondstoffen die Nederland importeert zijn (in waarde uitgedrukt) soja, cacao en palmolie. De handel in deze grondstoffen en hun halffabricaten groeit harder dan de binnenlandse consumptie en het binnenlandse verbruik door de industrie. De milieueffecten van deze handelsstroom zijn voor sommige grondstoffen dan ook groter dan de effecten van de consumptie alleen. Zo is de import en verwerking van soja in Nederland voor een groot deel bestemd voor de productie van vlees voor de export.

Handelingsopties voor het verkleinen van de voetafdruk zijn te vinden langs de gehele handelsketen

Bij het verkleinen van de voetafdruk gaat het zowel om het beperken van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen tot een duurzaam (hernieuwbaar) niveau (‘minder groot’), als om het verminderen van de ecologische effecten die met productie en verwerking van goederen samenhangen (‘minder diep’). Mogelijkheden om de voetafdruk van de Nederlandse consumptie te verkleinen liggen bij verschillende actoren in de hele handelsketen: bij de primaire producenten, bij de tussenhandelaars en verwerkende industrie, en bij de uiteindelijke consumenten. We onderscheiden drie categorieën van opties voor deze actoren om bij te dragen aan een kleinere voetafdruk. Deze zijn: het verkleinen van de lokale milieueffecten bij productie, het efficiënter produceren waarbij minder land nodig is, of waarbij minder of andere grondstoffen worden gebruikt, en het maken van andere keuzes in het consumptiepatroon.

Zo kan het landgebruik kleiner worden door de landbouwproductie te verhogen met behulp van meststoffen. De lokale milieueffecten kunnen verkleind worden door bijvoorbeeld het inzetten van natuurlijke bestrijding met insecten in plaats van met pesticiden. Bij irrigatie kan zuiniger met water worden omgegaan door zogenoemde druppelirrigatie toe te passen. Een voorbeeld van een verandering in het consumptiepatroon, waardoor die minder belastend wordt voor het milieu, is het minder eten van dierlijke eiwitten.

Opties om de voetafdruk te verkleinen staan niet op zich, maar kunnen ook andere soms onbedoelde neveneffecten creëren. Die neveneffecten kunnen zowel positief (synergie) of negatief van aard zijn (trade-off). Het verminderen van de consumptie van dierlijke producten kan bijvoorbeeld aan gezondheid bijdragen. Het toenemende gebruik van bio-energie betekent enerzijds minder broeikasgasemissie, maar anderzijds juist meer landgebruik. Ook kunnen er ‘rebound’-effecten optreden die de verwachte milieuwinst voor een deel weer tenietdoen. Het simpelweg verkleinen kan dus leiden tot eenzijdige oplossingen, en daarom is het zaak om deze neveneffecten te analyseren en mee te nemen bij het maken van beleidskeuzes.

Referenties

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteur: Mark van Oorschot