Balans van de Leefomgeving

Energetische kwaliteit woningvoorraad sinds 2000 verbeterd

De energetische kwaliteit van de woningvoorraad in Nederland is de laatste jaren gestaag verbeterd. In 2012 kende de Nederlandse woningvoorraad een gemiddelde Energie-Index van 1,86 tegenover 2,09 in 2006 en 2,50 in 2000.

Energielabels naar eigendom, 2000-2012

Energielabels naar eigendom, 2000-2012

Tabel 1. energie index (EI)

  Gemiddelde EI index
  2000 2006 2012 2006 2012
koopwoning   1,99 1,82 100 91
sociale huurwoning   2,13 1,87 100 88
particuliere huurwoning   2,59 2,12 100 82
totale voorraad 2,50 2,09 1,86 100 89

Energetische kwaliteit verbeterd

Om de energetische kwaliteit van de woning te bepalen, wordt gebruik gemaakt van de Energie-index. Hoe lager de Energie-index, hoe beter de energetische kwaliteit van de woningen. De welbekende energielabels zijn gebaseerd op deze score.
De energetische kwaliteit van de woningvoorraad in Nederland is de laatste jaren gestaag verbeterd. In 2012 kende de Nederlandse woningvoorraad een gemiddelde Energie-index van 1,86. Dit was in 2006 nog 2,09 en in 2010 2,50. Zowel woningvervanging (herstructurering) als woningverbetering en nieuwbouw hebben hier aan bijgedragen.

Energetische kwaliteit van koopwoningen hoger dan van huurwoningen

Koopwoningen blijken in 2012 met een gemiddelde Ei-score van 1,82 de beste energetische kwaliteit te hebben. Van sociale huurwoningen is de gemiddelde score 1,87. De particuliere huurwoningen beschikken met 2,12 over de slechtste energetische kwaliteit.
De kwalitatieve voorsprong van de koopwoningen in Nederland is sinds 2006 wel kleiner geworden. Vooral in de grote steden is de energetische kwaliteit van woningen toegenomen, al is ook in 2012 de Energie-index daar nog het hoogste.

Relatie tussen Energie-index en Energielabels

Relatie tussen Energie-index en Energielabels

De kwalitatieve voorsprong van de koopwoningen wordt kleiner

In Nederland bestond in 2012 20 procent van de voorraad uit woningen met een energielabel F of G, 37 procent uit woningen met een energielabel D of E en 43 procent van de woningen hadden een energetische kwaliteit die een A-, B- of C-label verdiende. In 2006 viel 35 procent van de voorraad in deze categorie. Kortom, de energetische kwaliteit van de woningvoorraad is verbeterd.
Ook uit de energielabels blijkt dat de huurwoningen sinds 2006 meer verbeterd zijn dan de koop, maar nog steeds achterlopen.

Extra inspanning nodig van corporaties om doelstelling te realiseren

De koepel van woningcorporaties, Aedes, heeft in 2008 (herzien in 2012) een convenant afgesloten met de Woonbond en het Rijk om hun woningvoorraad te verbeteren. In het convenant hebben zij afgesproken dat zij hun woningvoorraad in 2020 verbeterd hebben naar een gemiddelde Energie-index van 1,25 (gemiddeld label B). De Energie-index is verbeterd van 2,50 in 2000 naar 2,09 in 2006 en 1,86 in 2012. Als de verbetering van de Energie-index in hetzelfde tempo doorzet als in de periode 2006-2012, komt deze in 2020 uit op 1,55 (gemiddeld label C). Er lijkt dus een extra inspanning nodig van corporaties om de doelstelling in het convenant te realiseren.

Opvallend verschil tussen het theoretische en werkelijke energieverbruik

Er is een opvallend verschil tussen het theoretische en werkelijke energieverbruik per label. Van de huishoudens in woningen met een A-label komen het werkelijke energieverbruik praktisch overeen met het theoretische energieverbruik. De huishoudens in woningen van mindere energetische kwaliteit blijken echter veel minder te stoken dan theoretisch verwacht. Van de huishoudens in woningen met een G-label blijkt het werkelijke verbruik 42% lager te liggen dan de theorie.

  • Een verklaring hiervoor is dat huishoudens niet willekeurig over de woningvoorraad zijn verdeeld. Zo wonen grote gezinnen gemiddeld in grotere woningen en blijken huishoudens met hogere inkomens vaker in recentere en dus energetisch betere woningen te wonen. Een oververtegenwoordiging van huishoudens die veel van huis zijn, leidt bijvoorbeeld tot een lagere stookfactor.
  • Een tweede verklaring is dat huishoudens het energiegedrag aanpassen aan de kenmerken van de woning. Zo zetten huishoudens in energetisch slechte woningen (met vaak een lager inkomen) bewust de thermostaat lager om de energierekening beperkt te houden. Of andersom: huishoudens in energiezuinige woningen doen dat niet omdat ze denken dat dat niet veel uitmaakt voor de energierekening. Of omdat ze de prijs voor de comfortverbetering laag genoeg vinden. Dit gedrag waarbij mensen minder zuinig worden wanneer de woning energetisch is verbeterd, wordt het ‘rebound-effect’ genoemd.

Referenties

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving, auteurs: Frank van Dam en Joost Wegstapel