Balans van de Leefomgeving

Voor de transitie naar een circulaire economie moeten de grondstofkringlopen beter worden gesloten.

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Afvalproductie ligt ruim onder het afvalaanbod plafond

Afvalaanbod (2021 en 2029)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De afvalproductie bevindt zich met 60 Mton in 2014 ruim onder het plafond van 68 Mton in 2015 en 74 Mton in 2021.

Het stimuleren van de preventie van afvalstoffen is een van de doelen die is vastgelegd in de tweede wijziging van het tweede Landelijk afvalbeheerplan (2009-2021). Concreet doel hierbij voor 2015 is om het totale afvalaanbod niet verder te laten groeien dan 68 Mton in 2015. De afvalproductie is tussen 2012 en 2014 afgenomen van 62 naar 60 Mton en blijft daarmee ruim onder het vastgestelde plafond van het afvalaanbod in 2015.

Nuttige toepassing van afval

Nuttige toepassing van afval (2015)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
Het doel voor 2015 is 95% nuttige toepassing van het totaal aan afvalstoffen. In 2014 bedraagt het aandeel nuttige toepassing 93% en daarmee komt het doel binnen bereik.

In Nederland verlaten naar verhouding weinig grondstoffen de keten in de vorm van het storten en (zonder energieterugwinning) verbranden van afval. Ongeveer 93% van al het afval wordt in 2014 inmiddels nuttig toegepast. Hiermee is het doel van 95% in 2015 binnen bereik. Het doel in deze Balans van de Leefomgeving is aangepast ten opzichte van het doel in de Balans 2014. De doelstelling is van 85% opgehoogd naar 95% in 2015. Dit is met name het gevolg van het herdefiniëren van verwerkingstechnieken. Werd verbranden in een Afval VerbrandingsInstallatie (AVI) eerst gezien als verwijderen, in het nieuwe doel geldt verbranden met energieterugwinning als nuttige toepassing.

Huishoudelijk afval: 75% scheiden en 100 kilo per persoon

Reduceren hoeveelheid huishoudelijk restafval (2020)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
Doel is om de hoeveelheid huishoudelijk restafval in 2020 terug te brengen tot 100 kilo per persoon per jaar. Dit doel wordt naar verwachting niet gehaald. In 2015 lag de hoeveelheid huishoudelijk restafval op 230 kilogram per inwoner.
Scheiding van huishoudelijk afval (2020)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
Doel is om 75% van het huishoudelijk afval te scheiden in 2020. In 2015 bedraagt de scheiding aan de bron bij huishoudens 53%. Om het doel te realiseren is de komende jaren een stijging van ongeveer 40 procentpunten ten opzichte van het huidige scheidingspercentage nodig. Dit doel wordt naar verwachting niet gehaald omdat de instrumentering nog onvoldoende aansluit.

Het doel bedraagt het scheiden van 75% van het huishoudelijk afval in 2020. Dit kan zowel door scheiding aan de bron als via nascheiding. Ook dit doel is aangepast ten opzichte van de Balans van de Leefomgeving 2014, waarbij het oude doel was te komen tot 65% recycling van huishoudelijk afval in 2020. Het percentage huishoudelijk afval dat aan de bron wordt gescheiden schommelt al jaren rond de 50%. In 2015 bedraagt het percentage scheiding aan de bron 53% (CBS et al. 2015), door nascheiding van huishoudelijk afval komen daar nog enkele procenten bij. Het scheiden van 75% van het huishoudelijke afval in 2020 vergt een stijging van ongeveer 40% in 5 jaar ten opzichte van het huidige percentage. Het doel om 75% van het huishoudelijk afval gescheiden in te zamelen wordt waarschijnlijk niet gehaald, omdat de instrumentering nog onvoldoende aansluit.

De doelstelling voor afvalscheiding door huishoudens in 2020 is geconcretiseerd in een hoeveelheid huishoudelijk restafval (fijn en grof huishoudelijk restafval tezamen) van maximaal 100 kilogram per inwoner per jaar. Een doelstelling in kilogram restafval is een goede maat om inzichtelijk te maken hoeveel grondstoffen en materialen in de keten blijven. Tevens is het met deze doelstelling mogelijk om de ambities rond afvalpreventie tot uitdrukking te laten komen. Om een hoeveelheid van 100 kilogramrestafval per inwoner per jaar in 2020 te realiseren dient de hoeveelheid afvalscheiding fors toe te nemen (tot zeker 75%) en dient tevens minder afval geproduceerd te worden dan het huidige niveau. In 2015 lag de hoeveelheid huishoudelijk restafval nog op gemiddeld 230 kilogram per inwoner per jaar. Realisatie van dit doel vergt derhalve meer dan een halvering van de hoeveelheid restafval per persoon in vijf jaar. Dit betekent een trendbreuk en aanzienlijke versnelling ten opzichte van de trend in de afname van de hoeveelheid restafval. De huidige trend wordt overigens beïnvloed door de economische crisis. Het is dan ook de verwachting dat dit doel niet zal worden gehaald in 2020. Hiervoor gelden vergelijkbare argumenten als bij het scheiden van huishoudelijk afval. De periode waarin beleid effect moet hebben is 5 jaar, de beleidsopgave is nog groot en nadere uitwerking en instrumentering van beleid lijkt nodig.

Veel gemeenten zijn nadrukkelijk aan de slag met verdergaande afvalscheiding. Diverse voorbeelden uit de praktijk laten zien dat veel mogelijk is en ook gerealiseerd wordt. Met name de invoering van diftar en/of omgekeerd inzamelen leidt tot aanzienlijke afnames in de hoeveelheid restafval (diftar staat voor gedifferentieerde tarieven waarbij per huishouden geregistreerd wordt hoeveel afval aangeboden wordt en hoe meer afval een burger aanbiedt hoe hoger de afvalstoffenheffing). Het is dan ook de verwachting dat in 2020 wel degelijk flinke stappen zijn gezet. In het Publiek Kader voor huishoudelijk afval hebben partijen de uitganspunten vastgelegd om tot 75% gescheiden inzameling en 100 kilogram afval per inwoner te komen, zoals de vervuiler betaalt en het verbreden van de producentenverantwoordelijkheid (IenM, VNG & NVRD, 2014). Nadere uitwerking en instrumentering hiervan blijft echter nodig. Zo is nog niet duidelijk voor welke productstromen de producentenverantwoordelijkheid zal gelden en is er geen sanctie als gemeenten hun doelen niet realiseren. Daarnaast is er weinig andacht voor de gevestigde belangen, zoals AVI’s die geen belang hebben bij meer gescheiden ingezameld afval. Op dit moment leidt de overcapaciteit bij AVI’s voor Nederlands afval tot lage verbrandingstarieven wat recycling kan frustreren (Rood en Hanemaaijer, 2014).

Verbranden en storten van afval halveren

Verbranden en storten van Nederlands afval (2022)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
Het doel om de hoeveelheid te verbranden en storten Nederlands afval te halveren in 10 jaar wordt naar verwachting niet gehaald. De hoeveelheid Nederlands verbrand en gestort afval is tussen 2012 en 2014 met circa 15% afgenomen. Er is 0,5 Mton minder afval verbrand en ongeveer 1 Mton minder gestort. De hoeveelheid gestort afval in 2014 ligt weer rond het niveau van 2010. De piek in 2012 komt door het afschaffen van de belasting op storten per 1 januari 2012.

Het doel om de hoeveelheid te storten en verbranden Nederlands afval te halveren in 10 jaar wordt naar verwachting niet gehaald in 2022. De hoeveelheid Nederlands verbrand en gestort afval is tussen 2012 en 2014 met circa 15% afgenomen. Er is 0,5 Mton minder afval verbrand en ongeveer 1 Mton afval minder gestort. Met het oog op het halveren van de hoeveelheid te storten en te verbranden Nederlands afval, is het van belang dat de hoeveelheid gerecycled huishoudelijk afval nog aanzienlijk toeneemt.

Kijken we afzonderlijk naar de hoeveelheden verbrand en gestort afval dan blijkt dat de hoeveelheid verbrand afval is tussen 2010 en 2014 toegenomen van 6,5 Mton naar 7,6 Mton. De hoeveelheid Nederlands afval die is verbrand is tussen 2012 en 2014 echter afgenomen van 6,5 Mton naar 6 Mton. De totale hoeveelheid gestort afval is tussen 2012 en 2014 met 32 procent afgenomen. Dit kan grotendeels verklaard worden doordat per 1 januari 2012 de belasting op storten is afgeschaft en in afwachting hiervan is geanticipeerd door veel inert materiaal in opslag te nemen tot na 1 januari 2012. Het opgeslagen afval is vervolgens na 1 januari 2012 gestort. De hoeveelheid gestort afval ligt in 2014 op een vergelijkbaar niveau als in 2010.

Kijken we wat verder terug in de tijd dan zien we dat er steeds minder afval op de stort belandt in Nederland; het percentage storten is in ons land een van de laagste binnen de EU. Storten van afval is door het gevoerde beleid (stortverboden en stortbelasting) sinds 2000 verder afgenomen van 6,5 naar circa 2 Mton in 2014.

Op dit moment bestaat nog enige onduidelijkheid over de vraag op welke wijze de totale hoeveelheid verbrand en gestort Nederlands afval exact moet worden bepaald. Uitgaande van de totale hoeveelheid verbrand en gestort afval in Nederland minus de invoer van afval naar onze afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) uit het buitenland gaat het in 2012 om 9,8 Mton en in 2014 om 8,2 Mton. Na verbranding resteren er echter bodemassen, waaruit metalen worden terug gewonnen en bodemassen worden vervolgens ook gestort. Indien hiervoor wordt gecorrigeerd om dubbeltellingen voor afval te voorkomen, dan bedraagt de totale hoeveelheid afval in 2012 9,2 en in 2014 7,9 Mton. Voor storten gaat het afhankelijk van de gehanteerde methode tussen 2012 en 2014 om een afname van 1,1 of 0,9 Mton afval, ofwel 1 Mton. De bovengenoemde uitspraken over doelbereik lijken in die zin dan ook niet gevoelig voor de gehanteerde methode. Wel is het zaak om voor deze doelstelling tot een afgestemde meetmethode te komen.

Doelen opnieuw vastgesteld

In december 2014 is de tweede wijziging van het tweede Landelijk afvalbeheerplan (2009-2021) vastgesteld (IenM, 2014a). LAP2 beschrijft het afvalbeleid voor zes jaar met een doorkijk naar 2021. Hieronder vallen in principe alle afvalstoffen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. In algemene zin richt het afvalstoffenbeleid zich op het beperken van het ontstaan van afvalstoffen, het beperken van de milieudruk van de activiteit ‘afvalbeheer’ en het vanuit ketengericht afvalbeleid beperken van de milieudruk van productketens. Meer specifiek gaat het daarbij onder andere om de volgende doelen en ambities voor de jaren 2012, 2015 en/of 2021:

  • Het stimuleren van preventie van afvalstoffen, zodanig dat het totaal afvalaanbod niet verder groeit dan 68 Mton in 2015 en 74 Mton in 2021;
  • Het verhogen van het aandeel nuttige toepassing van afvalstoffen naar 95% in 2015;
  • Het verhogen van het aandeel nuttige toepassing van huishoudelijk afval naar 99% in 2015;
  • Het tot nul reduceren van het storten van brandbaar afval in 2012;
  • Het reduceren van 20% milieudruk in 2015 voor zeven specifiek geselecteerde afvalstromen.

Zie voor een uitgebreide toelichting de themapagina afvalbeheer van het Compendium van de Leefomgeving (CBS et al. 2015).

Transitie naar een circulaire economie

Het kabinet wil met het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) de transitie naar een circulaire economie bevorderen (IenM 2014b). Het programma VANG richt zich op meer duurzame producten op de markt brengen, duurzamer consumeren, en meer en beter recyclen. Om dit te realiseren zijn in VANG de nodige acties opgenomen en heeft het kabinet de volgende ambities geformuleerd:

  • het benutten van economische kansen via innovatie,
  • het wegnemen van belemmeringen voor ondernemers,
  • het halveren van de hoeveelheid gestort en verbrand afval en
  • het beter scheiden van afval (75 procent van het huishoudelijk afval in 2020).

Bij een circulaire economie gaat het om het sluiten van kringlopen. Sluiten van kringlopen betekent onder andere dat het van belang is om te voorkomen dat grondstoffen de keten verlaten. De hoeveelheid Nederlands afval die wordt gestort en verbrand geeft hier zicht op.

Referenties

Naam van het gegeven

Afvalproductie en afvalverwerking

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteurs: Aldert Hanemaijer en Trudy Rood

Geografisch verdeling

Nederland