Balans van de Leefomgeving

Emissies luchtverontreinigende stoffen voldoen, op ammoniak na, aan de Europese emissieplafonds voor 2010

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Nederland voldoet in 2014 voor stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2 ) en vluchtige organische stoffen (Niet-Methaan-VOS) aan de Europese emissieplafonds die gelden vanaf 2010. Sinds de herberekening van de ammoniakuitstoot in 2014/2015 ligt de emissie voor ammoniak (NH3) met 134 kton zo’n 6 kton boven het plafond van 128 kton. De emissiedoelen voor luchtverontreinigende stoffen voor 2020 uit het herziene Gotenburg-protocol zijn voor Nederland zeer waarschijnlijk haalbaar.

In de EU is er door de lidstaten overeenstemming bereikt over nieuwe emissiereductiedoelen voor 2030. Het Europees parlement moet hier in november nog over stemmen. Deze nieuwe voorgenomen 2030 doelen zijn in de analyse niet meegenomen.

 Emissies luchtverontreinigende stoffen voldoen, op ammoniak na, aan de Europese emissieplafonds voor 2010. De emissiedoelen voor 2020 zijn voor Nederland zeer waarschijnlijk haalbaar.

Emissies luchtverontreinigende stoffen voldoen, op ammoniak na, aan de Europese emissieplafonds voor 2010. De emissiedoelen voor 2020 zijn voor Nederland zeer waarschijnlijk haalbaar.

Uitstoot stikstofoxiden blijft verder dalen tot 2030

NOx-emissie (vanaf 2010)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
Het emissieplafond voor stikstofoxiden is 260 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 235 Kton.
NOx-emissie (2020)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De reductieverplichting voor stikstofoxiden in 2020 is 45% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 202 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 172 Kton.

In 2014 bedroeg de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) 235 kiloton. Dit ligt ruim onder het emissieplafond (EU-NEC Richtlijn) van 260 kiloton dat geldt voor NOx vanaf 2010 (EC, 2001). Gegeven emissietotalen zijn exclusief de emissies van de zeescheepvaart; deze emissies vallen namelijk buiten de emissieplafonds zoals afgesproken in de NEC-richtlijn en het Gotenburg protocol. Emissies door het wegverkeer zijn verder berekend op basis van de in Nederland verkochte hoeveelheid brandstof. Deze rekenmethodiek is internationaal voorgeschreven.
In de periode 1990-2014 zijn de NOx emissies gedaald met 61%. Dit is vooral het gevolg van het stellen van emissie-eisen aan personenauto’s en vrachtverkeer (Euro-normen) en maatregelen in de industrie, raffinaderijen en energiesector. Ten opzichte van 2013 is de uitstoot in 2014 met 25 kiloton afgenomen. Deze daling in 2014 is vooral het gevolg van lagere emissies in de verkeerssector en het lagere aardgasverbruik door het uitzonderlijke warme weer in 2014 (Jimmink et al. 2016; ER 2016).

Met het vastgesteld en voorgenomen beleid daalt de uitstoot van stikstofoxiden naar verwachting verder tot circa 172 kiloton (163-182) in 2020 (Smeets et al., 2016). Dit is ruim onder het emissieplafond voor 2020 van 202 kiloton; wat overeenkomt met de 45% reductieverplichting ten opzichte van 2005 zoals is vastgelegd in het herziene Gotenburg protocol (IenM 2012). Het herziene Gotenburg protocol moet nog worden geratificeerd.

De grootste absolute daling in uitstoot van stikstofoxiden tussen 2014 en 2020 treedt op bij het verkeer. Dit komt door de vastgestelde Europese normen voor het dieselwegverkeer en mobiele machines. In de elektriciteitsproductie daalt de uitstoot tussen 2014 tot 2020 met enkele kiloton door het uit bedrijf nemen van oude kolencentrales (afspraak Energieakkoord) en door de stimulering van opwekking uit hernieuwbare bronnen (wind en zon). In de industrie wordt een lichte stijging in de emissies verwacht, wat het gevolg is van de veronderstelde economische groei bij onveranderde emissienormen.

Na 2020 daalt de emissie van stikstofoxiden in Nederland met vastgesteld en voorgenomen beleid verder tot 125 kiloton in 2030. Dit wordt verklaard door het nog schoner wordende autopark, mede onder invloed van de aanscherping van de testprocedures voor de uitstoot door dieselpersonen- en bestelwagens, en de door Europa voorgenomen aanscherping van de emissie-eisen voor mobiele machines en binnenvaartschepen. Tussen 2020 en 2030 dalen de emissies bij verkeer met 43 kiloton. De verwachting is dat de emissies van stikstofoxiden in de energiesector tussen 2020 en 2030 licht stijgen, hoewel de inzet van wind en zon in deze periode meer dan verdubbelt. De reden hiervoor is dat Nederland volgens de raming tussen 2020 en 2030 een netto exporteur van elektriciteit wordt. De emissies in de industrie (excl. raffinaderijen) stijgen licht verder na 2020.

In de raming met vastgesteld en voorgenomen beleid is rekening gehouden met het effect van de voorgenomen aanscherping van de testprocedure voor de uitstoot door personen- en bestelwagens (Real Driving Emissions regelgeving) en het effect van de voorgenomen aanscherping van de emissie-eisen voor motoren bij mobiele machines en binnenvaartschepen (Fase-V emissienormen) (Smeets et al., 2016).

Uitstoot van zwaveldioxide stabiliseert tot 2030

SO2-emissie (vanaf 2010)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
Het emissieplafond voor zwaveldioxide is 50 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 29 Kton.
SO2-emissie (2020)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De reductieverplichting voor zwaveldioxide in 2020 is 28% ten opzichte van 2005, overeenkomend met een uitstoot van 47 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 30 Kton.

In 2014 bedroeg de uitstoot van zwaveldioxide 29 kiloton. Dit ligt onder het emissieplafond (EU-NEC Richtlijn) van 50 kiloton dat geldt voor SO2 vanaf 2010 (EC 2001).

Opvallend is de emissiedaling van zwaveldioxide in de periode 2008-2012. Deze daling is vooral het gevolg van een overschakeling van olie- naar gasstook bij de raffinaderijen en door het verder aanscherpen van normen voor het maximaal zwavelgehalte van rode diesel die werd gebruikt door de binnenvaart, visserij en mobiele werktuigen.

Met het vastgesteld en voorgenomen beleid stijgt de uitstoot van zwaveldioxide naar verwachting licht tot circa 30 kiloton (28-32) in 2020 (Smeets et al., 2016). Dit is onder het emissieplafond voor 2020 van 47 kiloton wat overeenkomt met de 28% reductieverplichting ten opzichte van 2005 zoals is vastgelegd in het herziene Gotenburg protocol (IenM 2012).

De emissies door de energiesector (kolencentrales) dalen tussen 2014 en 2020 door de in het Energieakkoord afgesproken sluiting van vijf oudere kolencentrales in 2016 en 2017. Daar staat tegenover dat de emissies van de raffinaderijen in de raming naar verwachting stijgen in vergelijking met de uitstoot in 2014. Deze stijgende trend tussen 2014 en 2020 voor raffinaderijen in de raming verdient enige toelichting. De bedrijfsvoering bij raffinaderijen kan namelijk van jaar tot jaar verschillen. Om deze variaties in bedrijfsvoering mee te kunnen nemen in de ramingen is een meerjarig gemiddelde als uitgangspunt genomen voor de projecties. Omdat dit meerjarig gemiddelde gerealiseerde niveau enkele kilotonnen boven het emissieniveau van 2014 ligt, ligt de geraamde uitstoot voor raffinaderijen in 2020 (12,8 kiloton) automatisch ook op een hoger niveau dan de realisatie in 2014 (9,7 kiloton). De emissies vanuit de industrie (o.a. basismetaal, bouwmaterialen en chemie) stijgen licht door de geraamde economische groei terwijl de huidige emissienormen onveranderd blijven.

Na 2020 blijft de emissie van zwaveldioxide naar verwachting onveranderd. Ondanks de geraamde toename van de totale hoeveelheid elektriciteitsproductie uit wind en zon in Nederland tussen 2020 en 2030 neemt de uitstoot door de energiesector in de raming niet verder af, maar stabiliseert deze. Dit wordt verklaard doordat in de raming wordt verwacht dat Nederland tussen 2020 en 2025 een netto exporteur van elektriciteit wordt. De emissies bij raffinaderijen nemen tussen 2020 en 2030 naar verwachting licht af, terwijl de emissies door de industrie licht stijgen.

Uitstoot van niet-methaan vluchtige organische stoffen stijgt licht tot 2030

NMVOS-emissie (vanaf 2010)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
Het emissieplafond voor niet-methaan vluchtige organische stoffen is 185 Kton vanaf 2010. De gerealiseerde emissie in 2014 is 143 Kton.
NMVOS-emissie (2020)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De reductieverplichting voor niet-methaan vluchtige organische stoffen in 2020 is 8% ten opzichte van 2005 oftewel 164 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 146 Kton.

In 2014 bedroeg de uitstoot van niet-methaan vluchtige organische stoffen (Niet-Methaan-VOS) 143 kiloton. Dit ligt onder het emissieplafond (EU-NEC Richtlijn) van 185 kiloton dat geldt voor NMVOS vanaf 2010 (EC 2001)

In de periode 1990-2014 zijn de emissies vooral gedaald door maatregelen in het kader van het Koolwaterstoffen 2000-programma en het Nationaal Reductieplan NMVOS. Daarnaast zijn de emissies in de verkeerssector gedaald doordat de emissie-eisen voor het wegverkeer (Euro-normen) regelmatig zijn aangescherpt. De emissies in 2014 liggen 5 kiloton lager dan in 2013 wat wordt verklaard door een daling in uitstoot in de sector verkeer

Met het vastgestelde en voorgenomen beleid stijgt de uitstoot van vluchtige organische stoffen naar verwachting licht tot circa 146 kiloton (135-156) in 2020 (Smeets et al. 2016). Dit is minder dan het emissieplafond voor 2020 van 164 kiloton, wat overeenkomt met de 8% reductieverplichting ten opzichte van 2005 zoals is vastgelegd in het herziene Gotenburg protocol (IenM 2012). Tot 2030 stijgt de emissie naar verwachting verder tot circa 149 kiloton.

Achter de geraamde stijging van de emissie met 6 kiloton tussen 2014 en 2030 gaan een aantal verschillende ontwikkelingen schuil; een daling bij het wegverkeer als gevolg van de Europese emissienormen voor wegvoertuigen en mobiele machines; een daling bij de energiesector (on- en offshore winning van gas en olie) en een beperkte daling van de uitstoot bij houtkachels door onder meer enige toename van gecertificeerde en dus schonere kachels. Hier tegenover staat een stijging tot 2030 in de uitstoot van de industrie, op- en overslag van chemische producten en brandstoffen en uit consumentenproducten zoals cosmetica (deo- en haarsprays), autoproducten en schoonmaakmiddelen. Deze toenames hangen samen met de verwachte groei van die activiteiten bij continuering van de huidige product- en emissienormen.

Uitstoot van ammoniak daalt licht tot 2030

NH3-emissie (vanaf 2010)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
In de Balans 2012 en 2014 was het beeld dat het 2010-plafond voor ammoniakemissie (128 Kton) binnen bereik was. Echter, sinds de herberekening van de ammoniakemissie in 2014/2015 ligt de emissie boven het doel. Zo is voor 2012 de herberekende ammoniakemissie met 15 Kton naar boven bijgesteld. De gerealiseerde emissie in 2014 is 134 Kton. De overschrijding van het plafond betekent niet automatisch dat Nederland in gebreke wordt gesteld. Er is namelijk consensus in Europa dat landen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor wijzigingen in de geregistreerde emissiecijfers die niet bekend waren bij het afspreken van de reductiedoelen.
NH3-emissie (2020)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De reductieverplichting voor ammoniak in 2020 is 13% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 139 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 127 Kton. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 ten opzichte van 2005). Hierdoor is bij een recente herberekening van historische emissiecijfers voor ammoniak het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld, terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.

In 2014 bedroeg de uitstoot van ammoniak 134 kiloton. Dit ligt 6 kiloton boven het emissieplafond (EU-NEC Richtlijn) van 128 kiloton dat geldt voor NH3 vanaf 2010 (EC 2001)
In de Balans voor de Leefomgeving van 2012 en 2014 was het beeld dat het 2010-plafond voor ammoniakemissie (128 kiloton) binnen bereik was. Echter, bij een herberekening van de emissies van ammoniak in 2014 en 2015 zijn diverse nieuwe inzichten verwerkt met betrekking tot de ammoniakuitstoot. Zo is voor 2012 de herberekende ammoniakemissie met 15 kton naar boven bijgesteld. Sinds de herberekening van de ammoniakemissie ligt de gerealiseerde emissie boven het doel.

De sector landbouw heeft verreweg het grootste aandeel (circa 85 procent in 2014) in de Nederlandse uitstoot van ammoniak. Ammoniak komt vooral vrij uit dierlijke mest. Sinds 1990 zijn de emissies met 64% gedaald van 372 kiloton naar 134 kiloton in 2014. De afname sinds 1990 is het gevolg van krimp van de veestapel, eiwitarm voer, afdekken van mestopslagen, emissiearm bemesten en emissiearme stallen. Na een afname in de voorgaande jaren is de uitstoot van ammoniak (NH3) in 2014 (voor het eerst in jaren) weer toegenomen. Ten opzichte van 2013 is de emissie met ruim 3 kiloton gestegen naar 134 kiloton in 2014. De stijging in 2014 is gedeeltelijk veroorzaakt door de veranderde voedselsamenstelling voor het vee. Het kuilgras dat in 2014 is gevoerd zorgde voor een hogere ammoniakproductie per dier. In combinatie met een stijging van het aantal koeien steeg zodoende de totale ammoniak uitstoot.

Met het vastgestelde en voorgenomen beleid is de verwachting dat de uitstoot van ammoniak afneemt tot circa 127 kiloton (117-130) in 2020 (Smeets et al., 2016). Dit is minder dan het emissieplafond van 139 kiloton, wat overeenkomt met de 13% reductieverplichting ten opzichte van 2005 zoals is vastgelegd in het herziene Gotenburg protocol (IenM, 2012). Tot 2030 daalt de emissie naar verwachting verder tot circa 118 kiloton.

Het emissieplafond voor 2020 ligt hoger dan dat voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 tov 2005). Hierdoor is bij een recente herberekening van historische emissiecijfers voor ammoniak het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.

Dat de ammoniakemissie tussen 2014 en 2030 naar verwachting daalt komt vooral door het ammoniakbeleid. Het meest relevante vastgestelde beleid betreft naast de aanscherping van eisen voor het emissiearm bemesten vooral het Besluit huisvesting dat de invoering regelde van emissiearme stallen voor melkkoeien, varkens en pluimvee. Het Besluit huisvesting is sinds 1 augustus 2015 vervallen en op die datum vervangen door een nieuw Besluit emissiearme huisvesting. Daarnaast zullen door een combinatie van schaalvergroting (meer dieren per bedrijf) en strenge (lokale) milieuvoorschriften bij nieuwbouw en verbouw van varkens- en pluimveestallen in heel Nederland vergaand emissiearme stallen toegepast moeten worden. Het gaat daarbij om stallen die emissiearmer zijn dan vereist volgens het Besluit emissiearme huisvesting, bijvoorbeeld door de toepassing van combiluchtwassers bij varkensstallen. Ook bij melkvee zal onder het vastgesteld beleid het aandeel emissiearme stallen stijgen door nieuwbouw en verbouw van de melkveestallen. Dit geldt vooral voor de stallen waarin melkkoeien permanent op stal staan.

Uitstoot van (zeer) fijn stof (PM2,5) daalt licht tot 2030

Fijn stof (PM2,5)-emissie (2020)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De reductieverplichting voor fijnstof (PM2,5) in 2020 is 37% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 13,4 Kton (nieuw Gotenburg-protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 10,4 Kton.

De uitstoot van (zeer) fijn stof (PM2,5) bedroeg 12,7 kiloton in 2014. Voor (zeer) fijn stof (PM2,5) is er geen emissieplafond voor 2010 opgenomen in de EU-NEC-richtlijn; een emissiedoel voor PM2,5 is voor het eerst vastgelegd in het herziene Gotenburg protocol (IenM 2012). Dit emissieplafond voor 2020 bedraagt 13,4 kiloton, wat overeenkomt met de 37% reductieverplichting ten opzichte van 2005 zoals is vastgelegd in het herziene Gotenburg protocol.

Met vastgesteld en voorgenomen beleid neemt de uitstoot van (zeer) fijn stof (PM2,5) naar verwachting af tot circa 10,4 kiloton (10,0-10,7) in 2020 (Smeets et al. 2016). Dit is onder het emissieplafond voor 2020 van 13,4 kiloton. Tot 2030 daalt de emissie naar verwachting verder tot circa 9,6 kiloton. De geraamde jaarlijkse daling na 2020 neemt duidelijk af vergeleken met de voorafgaande jaren.

In de periode 1990-2014 zijn de emissies vooral gedaald bij de bedrijven en het (weg)verkeer. De afname bij de bedrijven (industrie, energiesector en raffinaderijen) is vooral te danken aan milieuregelgeving, waaronder het Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties (BEES) en de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (NER). Dit heeft geleid tot maatregelen zoals procesaanpassingen en een toename van het gebruik van filters. De daling bij het wegverkeer is het gevolg van de Europese emissie-eisen aan nieuwe auto’s.

De daling in emissies met 3,4 kiloton bij vastgesteld en voorgenomen beleid tussen 2014 en 2030 wordt met name verklaard door de reducties bij het wegverkeer als gevolg van de Europese emissienormen voor wegvoertuigen en mobiele machines en binnenvaartschepen. In de industrie voorzien we een lichte stijging van de emissies door de veronderstelde economische groei bij handhaving van de huidige emissienormen. Bij houtkachels ramen we een geringe daling van de uitstoot door een lichte toename van gecertificeerde en dus schonere kachels bij een onveranderde houtinzet.

Voor de blootstelling van de bevolking aan fijn stof wordt verwezen naar het doelbereik Lokale luchtkwaliteit (thema gezonde leefomgeving). Voor een analyse van het doelbereik van de voorgenomen 2030 doelen wordt verwezen naar het achtergronddocument bij de Nationale Energieverkenning dat nader ingaat op de achtergronden bij de raming voor luchtverontreinigende stoffen (Smeets et al., 2015).

Referenties

Naam van het gegeven

Emissies luchtverontreinigende stoffen

Omschrijving

Emissies luchtverontreinigende stoffen in Nederland

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving

Geografisch verdeling

Nederland

Achtergrondliteratuur

Smeets, W.; H. ten Broeke; E. Drissen; G. Geilenkirchen; P. Hammingh; D. Nijdam; M. van Schijndel; S. van der Sluis; K. Smekens, A. Plomp; C. Kraan & K. Peek (2016), Luchtverontreinigende stoffen in de Nationale Energieverkenning 2015 – Achtergronden van de NEV-raming luchtverontreinigende stoffen. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving