Balans van de Leefomgeving

Antibioticagebruik in de veehouderij afgenomen, maar onvoldoende voor bereiken van doel voor 2015

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Antibioticagebruik veehouderij (2016)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
Het doel voor 2015 is een reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij met 70% ten opzichte van 2009. De verkoop van antibiotica voor veterinair gebruik is in 2014 met bijna 60% gedaald in vergelijking met 2009. De snelle daling sinds 2009 stokte in 2014, hetgeen het bereiken van 70% reductie in 2015 een aanzienlijke opgave maakt.
 De snelle daling van antibioticagebruik stokte in 2014, hetgeen het bereiken van 70% reductie in 2015 een aanzienlijke opgave maakt.

De snelle daling van antibioticagebruik stokte in 2014, hetgeen het bereiken van 70% reductie in 2015 een aanzienlijke opgave maakt.

Antibioticagebruik veehouderij

Sinds 2009 is de verkoop van antibiotica voor de veehouderij met bijna 60% gedaald. Dit blijkt uit verkoopcijfers van de branchevereniging Veterinaire Farmacie (FIDIN). Het beleidsdoel van 50% reductie van het gebruik in 2013 ten opzichte van 2009 was al in 2012 bereikt. De snelle daling sinds 2009 stokte in 2014. Om het reductiedoel voor 2015 van 70% te halen is nog een eindsprint van ruim 10% reductie nodig.

Het aantal behandelingen met antibiotica in de varkens- en pluimveehouderij was in 2014 de helft lager dan in 2009 (MARAN, 2015). In de vleeskalverhouderij was de daling minder. Vleeskalverhouders behandelden hun dieren in 2014 het vaakst, met gemiddeld ruim 20 behandelingen per jaar. Melkkoeien kregen met ruim 3 behandelingen per jaar het minst vaak antibiotica toegediend.

Grote verschillen tussen bedrijven

De overheid zet in op selectief, beperkt en curatief gebruik van antibiotica en wil het gebruik van voor de humane gezondheidszorg kritische middelen terugbrengen door intensieve controle en door begeleiding door de dierenarts (EZ 2014). De SDa (Stichting Autoriteit Diergeneesmiddelen) voert jaarlijks een vergelijking tussen bedrijven uit en meldt een daling van 25% bij grootgebruikers sinds het begin van registratie (2011-2012) naar 10% in 2014. Ondanks deze daling blijft de variatie in gebruik tussen bedrijven nog groot (SDa 2015). Voor de mens belangrijke zogenaamde derde en vierde generatie middelen worden nauwelijks nog gebruikt in de belangrijkste veesectoren die de SDa monitort (SDa 2015). Gebruik van deze voor de volksgezondheid kritische middelen vindt nog wel plaats bij kleinere veesectoren en gezelschapsdieren waar de SDa geen registratie van heeft.

Bacteriële resistentie tegen antibiotica door gebruik in de veehouderij

Het frequente gebruik van antibiotica in de veehouderij leidt tot bacteriële resistentie (Mevius 2008). Met de daling van het gebruik is sinds 2011 bij vleeskalveren, vleesvarkens en vleeskuikens de resistentie iets afgenomen (MARAN 2015).
Het gebruik van antibiotica in de veehouderij staat in schril contrast met de terughoudendheid waarmee antibiotica worden toegepast in de humane gezondheidszorg. Nederland kent met minder dan 11 standaarddoseringen per 1000 inwoners per dag het laagste gebruik binnen Europa bij mensen (NETHMAP 2015). Ter vergelijking: het aantal standaarddoseringen per 1000 dieren in de intensieve veehouderij in 2014 is 20-60 per dag.

Antibioticaresistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden. Een van de bacteriën die deze resistentie heeft ontwikkeld, is de algemene darmbacterie E. coli. Het hoogste niveau van resistentie doet zich voor bij vleeskuikens. Bij circa 50 procent van de vleeskuikens is resistentie gevonden tegen vier of meer groepen van antibiotica.

Directe risico’s voor de volksgezondheid

Het antibioticagebruik in de veehouderij brengt zowel een direct als een indirect risico voor de volksgezondheid met zich mee. Een direct risico vormen resistente bacteriën die via voedsel, drinkwater, direct contact of het milieu overdraagbaar zijn naar de consument, waarvan deze ziek kan worden. Het risico van voedseloverdraagbare besmetting neemt toe naarmate de hygiëne in de keuken meer te wensen overlaat. Voorbeelden zijn Salmonella en Campylobacter. De MRSA-bacterie (ook wel ziekenhuisbacterie genoemd) veroorzaakt infecties die moeilijk behandelbaar zijn. MRSA is namelijk ongevoelig voor de zogenaamde beta-lactam-antibiotica. Deze antibiotica zijn belangrijk voor de behandeling van ernstige infecties. Ongeveer 10-15% van het aantal humane MRSA-infecties betreft de veegerelateerde variant van MRSA. Dit is duidelijk hoger dan in andere Europese landen (Van Cleef et al, 2011). De besmettelijkheid van deze variant is minder dan van de ‘gewone’ MRSA (Gezondheidsraad 2015) en de besmetting komt vooral voor bij personen die direct contact hebben met besmet vee. Buiten deze groep komt de veegerelateerde MRSA zelden voor.

Indirecte risico’s voor de volksgezondheid

Een indirect risico ontstaat als bij dieren resistentiegenen voorkomen in de darmbacteriën, bijvoorbeeld in E. coli, die overdraagbaar zijn naar de menselijke darmflora. Dit zou kunnen plaatsvinden bij ESBL’s (Extended Spectrum β-lactamases). ESBL’s zijn enzymen in bacteriën die alle beta-lactam-antibiotica kunnen inactiveren. De genen die voor productie van deze enzymen zorgen, zijn relatief gemakkelijk overdraagbaar tussen bacteriën. Dat maakt een snelle verspreiding mogelijk, onder meer van dier naar mens. Het voorkomen van humane besmettingen met ESBL-producerende bacteriën lijkt gecorreleerd met het voorkomen van deze bacteriën in de Nederlandse veestapel (MARAN 2015). Sinds het gebruik van voor de humane gezondheidszorg kritische middelen sterk is afgenomen, is ook het voorkomen van deze ESBL-producerende bacteriën in de intensieve veehouderij afgenomen. Ook gezelschapsdieren (Baede et al. 2015) en wilde dieren kunnen ESBL’s bij zich dragen. In welke mate dieren in de veehouderij een bijdrage leveren aan de humane besmettingen is niet duidelijk (Gezondheidsraad 2015).

Antibioticaresistentie verspreidt zich in het milieu

De overdracht van resistente bacteriën en resistentiegenen via het milieu naar de mens kan plaatsvinden door verspreiding van stof uit stallen en via mest en afvalwater. In oppervlaktewater in gebieden met veel veehouderij zijn hoge percentages bacteriën met resistentie tegen antibiotica aangetroffen (Blaak et al. 2010). Het type resistentie wijst op een relatie met dierlijke mest. Ook afvalwater, al dan niet gezuiverd, kan een bron zijn. Uit bodemmonsters is gebleken dat de hoeveelheid resistente bacteriën in de periode 1940-2008 op 5 Nederlandse locaties is toegenomen (Knapp et al. 2010). Ook werd gevonden dat bemesting de hoeveelheid van bepaalde resistentiegenen in landbouwgronden kan verhogen (Geofox-Lexmond 2009). Een pool van resistentiegenen in het milieu zou door mutaties en kruisingen kunnen leiden tot verspreiding van resistenties. Het is nog niet bekend of het milieu in vergelijking met de bovengenoemde risico’s een relevante route van overdracht van resistentie naar de mens vormt (Huijbers et al. 2015).
Resistentievorming wordt bij de toelating voor diergeneesmiddelen niet meegenomen als factor in de beoordeling van milieurisico’s (EC/2001/83). De toelating maakt wel een beoordeling van de ecologische toxiciteit. In een rapport van Geofox-Lexmond (2009) worden berekeningen gemaakt van gehalten in de bodem (zoals toegepast in de toelating) voor de twee belangrijkste groepen antibiotica die in de veehouderij worden gebruikt. Informatie over de actuele concentraties van antibiotica in het milieu in Nederland is schaars.

Gezondere dieren

De gezondheid van dieren is in de loop van de tijd waarschijnlijk verbeterd. Alhoewel exacte meetgegevens ontbreken, zijn er diverse ontwikkelingen die daarop duiden (Leenstra et al., 2010).
Ook antibiotica dragen bij aan de gezondheid van dieren. Antibiotica zijn effectief, betrouwbaar en goedkoop (PBL 2010). Het antibioticagebruik in gram per kilogram vlees is in Nederland gemiddeld vergeleken met de meeste Europese landen (EMA 2015), maar dit gemiddelde zegt weinig over het risico op resistentieontwikkeling. De grootste deelsector in Nederland is de melkveehouderij waar het antibioticagebruik laag is.

Beleid voor antibioticagebruik in de veehouderij

Betere hygiëne, goed geventileerde stallen en het vermijden van stress voor de dieren kunnen het antibioticagebruik terugdringen. De overheid heeft de verantwoordelijkheid voor het terugdringen van het gebruik van antibiotica voor een deel bij de veehouderijsector gelegd. Inmiddels genomen maatregelen zijn o.a. registratie van het gebruik en van het voorschrijfgedrag, vaste contracten tussen veehouder en veearts, beperking van groepsmedicatie en een verbod op het toedienen van antibiotica door de veehouder zelf als hij geen bedrijfsgezondheid- en behandelplan heeft (EZ 2014).

Referenties

Naam van het gegeven

Antibioticagebruik veehouderij

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteur Sonja Kruitwagen

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks