Balans van de Leefomgeving

Ammoniakemissie van de landbouw neemt toe

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

NH3-emissie (vanaf 2010)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland.
In de Balans 2012 en 2014 was het beeld dat het 2010-plafond voor ammoniakemissie (128 kton) binnen bereik was. Echter, sinds de herberekening van de ammoniakemissie in 2014/2015 ligt de emissie boven het doel. Zo is voor 2012 de herberekende ammoniakemissies met 15 kton naar boven bijgesteld. De gerealiseerde emissie in 2014 is 134 kton. De overschrijding van het plafond betekent niet automatisch dat Nederland in gebreke wordt gesteld. Er is namelijk consensus in Europa dat landen niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor wijzigingen in de geregistreerde emissiecijfers die niet bekend waren bij het afspreken van de reductiedoelen.
NH3-emissie (2020)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De landbouw is verantwoordelijk voor ruim 85% van de ammoniakemissie in Nederland.
De reductieverplichting voor ammoniak in 2020 is 13 % t.o.v. 2005. Dit komt overeen met een uitstoot van 139 kton (nieuw Gotenburg protocol, is nog niet geratificeerd). De geraamde emissie in 2020 bij voorgenomen beleid is 127 kton en valt daarmee binnen het 2020 plafond. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan voor 2010. Dit verschil hangt samen met de manier waarop beide doelen zijn geformuleerd: als absoluut plafond (2010) dan wel als procentuele reductie (2020 tov 2005). Hierdoor is bij een recente herberekening van historische emissiecijfers voor ammoniak het 2020-plafond automatisch naar boven bijgesteld terwijl het absoluut geformuleerde 2010-plafond onveranderd is gebleven.
De ammoniakemissie van de landbouw neemt in 2014 toe, terwijl de emissies sinds 1990 met ruim 60% zijn afgenomen.

De ammoniakemissie van de landbouw neemt in 2014 toe, terwijl de emissies sinds 1990 met ruim 60% zijn afgenomen.

Toename ammoniakemissie landbouw in 2014

Ammoniak komt vrij uit stallen, mestopslagen, tijdens beweiding en bij het aanwenden van mest. De toename van ammoniakemissie in 2014 is onder andere het gevolg van de groei van de melkveestapel en van de goede kwaliteit ruwvoer. Het laatste resulteerde in een hogere emissie per dier. Door de introductie van fosfaatrechten in de melkveehouderij per 1 januari 2017, zit er een rem op de groei van de melkveestapel.

In de periode 1990-2014 zijn de emissies van NH3 uit de landbouw met ruim 60% afgenomen; in de periode 1990-2000 was de afname het sterkst. Deze afname is het gevolg van krimp van de veestapel, eiwitarm voer, afdekken van mestopslagen, emissiearm bemesten en emissiearme stallen. De grootste bijdrage levert emissiearme bemesting (De Haan et al. 2009). Bij emissiearm bemesten vervluchtigt er weinig ammoniak, waardoor er meer stikstof in de bodem beschikbaar komt voor het gewas en er minder kunstmest nodig is. Ondanks dat de Nederlandse landbouwsector de emissies sinds 1990 heeft gehalveerd is de intensiteit van ammoniakemissie per hectare landbouwgrond nog 60 kg NH3 en daarmee de hoogste in de EU.

Het 2010-doel voor de ammoniakemissie is geformuleerd als een absoluut emissieplafond. Enkele jaren geleden was het beeld dat dit 2010-emissieplafond voor ammoniakemissie binnen bereik was. Echter, sinds de herberekening van de historische emissiereeks ligt de emissie boven het plafond. Ter illustratie: voor 2005 en 2012 betekent de herberekening dat de ammoniakemissie met respectievelijk 17 en 15 kiloton NH3 naar boven zijn bijgesteld. De overschrijding van het plafond betekent niet automatisch dat Nederland in gebreke wordt gesteld. Er is namelijk consensus in Europa dat landen niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor wijzigingen in de geregistreerde emissiecijfers die niet bekend waren bij het afspreken van reductiedoelen.

De in EU verband afgesproken reductie van ammoniakemissie uit alle bronnen, van 13% in 2020 ten opzichte van 2005 (overeenkomend met een plafond van 139 kton) is wel binnen bereik. De verwachting is namelijk dat de ammoniakemissie in 2020 zal afnemen tot 127 kiloton. Die afname ontstaat enerzijds door toepassing van vergaande emissiearme stallen bij varkens (als gevolg van schaalvergroting) en anderzijds door het toepassen van emissiearme bemestingstechnieken. Opvallend is dat het emissieplafond voor 2020 hoger ligt dan dat voor 2010. Dit hangt samen met de hierboven genoemde herberekening van de emissiecijfers waardoor de emissies in 2005 nu hoger zijn dan voorheen werden aangenomen. Aangezien het 2020-plafond geformuleerd is als een reductiepercentage, ligt het plafond in absolute termen automatisch ook hoger.

Concentraties van ammoniak dalen sinds 2000 niet

In tegenstelling tot de emissies, dalen de concentraties van ammoniak in de lucht sinds 2000 niet meer. Deze trend wordt ook gevonden in het sinds 2005 operationele Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (RIVM 2016) ) en is een indicatie dat de ammoniakbelasting op natuur (Natura 2000 gebieden) niet meer afneemt terwijl dat wel nodig is voor een duurzame instandhouding van die natuur. Het verschil in de trends van de (berekende) emissies en (gemeten) concentraties roept vragen op bij de landbouwsector over de effectiviteit van het ammoniakbeleid. Het is onwaarschijnlijk dat het verschil in trends alleen het gevolg is van een overschatting van de effectiviteit van het ammoniakbeleid. Een mogelijke oorzaak voor een trendverschil is dat de emissies bij aanwending van mest (per kg emissie) minder bijdragen aan de gemeten luchtconcentraties dan stalemissies, omdat aanwendingsemissies geconcentreerd zijn in een beperkte periode van het jaar en vooral overdag optreden. Ook is het mogelijk dat het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML)van het RIVM niet helemaal representatief is in de zin dat door de locatiekeuze van de meetpunten de aanwendingsemissies minder goed worden gedetecteerd dan stalemissies. Deze twee oorzaken zouden in theorie al een flink deel van het verschil kunnen verklaren in trend tussen emissies en concentraties in de periode 2007-2014. Daarnaast spelen de lager geworden concentraties van vooral zwaveldioxide (SO2) een rol.

Andere mogelijke oorzaken van het trendverschil zijn trendmatige onderschatting van emissies uit bepaalde bronnen (bijvoorbeeld mestdroging) en het effect van toevallige en trendmatige variatie van het weer op de emissies. Zo is de gemiddelde lentetemperatuur door klimaatopwarming sinds 1980 met twee graden gestegen. Verder zijn emissietrends berekend onder de veronderstelling dat het beleid voor emissiearme aanwending 100% wordt nageleefd. Voor niet volledige naleving van voorschriften voor emissiereductie met luchtwassers wordt sinds kort overigens wel rekening gehouden bij de berekening van de emissies.

Nader onderzoek zal uitsluitsel moeten geven over het trendverschil. Hoewel er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de ammoniakemissies in het verleden zijn onderschat kan het ook nog niet worden uitgesloten, en is dit onderdeel van de onzekerheid over of de eerdergenoemde EU doelen tijdig worden bereikt.

Referenties

Naam van het gegeven

Mest en ammoniak

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving: auteurs: Sonja Kruitwagen, Marian van Schijndel en Sietske van der Sluis