Balans van de Leefomgeving

Kwaliteit van ecosystemen in natuurgebieden op het land lijkt laatste jaren iets toe te nemen

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Ecosysteemkwaliteit land en water
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De gemiddelde ecosysteemkwaliteit, in natuurgebieden op het land, lijkt de laatste jaren iets toe te nemen. In gebieden met een hoge ecosysteemkwaliteit treedt nog achteruitgang op.
 Metingen laten zien dat vanaf 1994 de gemiddelde kwaliteit van landnatuur is afgenomen, maar de laatste jaren lijkt de achteruitgang te stabiliseren en sinds 2008 de kwaliteit weer enigszins toe te nemen.

Metingen laten zien dat vanaf 1994 de gemiddelde kwaliteit van landnatuur is afgenomen, maar de laatste jaren lijkt de achteruitgang te stabiliseren en sinds 2008 de kwaliteit weer enigszins toe te nemen.

Ecosysteemkwaliteit landnatuur

Metingen laten zien dat vanaf 1994 de gemiddelde kwaliteit van landnatuur is afgenomen, maar de laatste jaren lijkt de achteruitgang te stabiliseren en de kwaliteit sinds 2008 weer enigszins toe te nemen. Deze trend komt overeen met het beeld uit andere biodiversiteitindicatoren zoals de Rode Lijst en de Trend fauna in natuurgebieden.

Bovenstaande figuur laat verder zien dat de ecosysteemkwaliteit van landnatuur lager is dan in ongestoorde ecosystemen het geval zou zijn. Met intacte ecosystemen wordt gerefereerd aan natuurlijke situaties waarin de invloed van de mens (vrijwel) afwezig is. Gemiddeld over de ecosysteemtypen ligt de huidige ecosysteemkwaliteit rond de 40%.

De ecosysteemkwaliteit van oppervlaktewater is in de periode 1990-2010 ook licht verbeterd, vooral in beken en meren terwijl in sloten de kwaliteit gedurende de periode gelijk is gebleven. Dit is gebaseerd op indicatoren van het voorkomen van macrofauna en waterplanten soorten waarbij de kwaliteitsbeoordeling is gebaseerd op de KRW maatlatten.

Zie ook het hoofdstuk Water in de Balans en het doelbereik KRW beoordeling van de biologische kwaliteit van oppervlaktewateren.

Hoge kwaliteit vooral in duingebieden , grootste verandering in heide

Naast de algemene landelijke trend van de kwaliteit van ecosystemen (zie Compendium voor (trend per ecosysteemtype) is inzichtelijk gemaakt in welke mate het natuurareaal (hoge) ecosysteemkwaliteit bezit. Deze kwaliteit is bepaald aan de hand van de mate waarin kwalificerende soorten (vlinders, planten en vogels) in natuurgebieden voorkomen.

 In ongeveer dertig procent van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit bovengemiddeld hoog. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden.

In ongeveer dertig procent van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit bovengemiddeld hoog. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden.
 Het areaal met (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit is sinds 2000 afgenomen, vooral bij heide.

Het areaal met (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit is sinds 2000 afgenomen, vooral bij heide.

In ongeveer dertig procent van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit bovengemiddeld hoog. Dat wil zeggen, hier komen in alle beheertypen meer dan 50% van het maximum aantal aangetroffen kwalificerende soorten voor. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden. De ecosysteemtypen halfnatuurlijk grasland en moeras hebben veel areaal met weinig kwalificerende soorten en dus een relatief lage kwaliteit.

Wanneer de afgelopen periode (2006-2012) wordt vergeleken met de periode daarvoor (2000-2005), blijkt het areaal met een hoog aantal kwalificerende soorten tot 2012 afgenomen. Vooral in de heide nam het areaal met een hoog aantal kwalificerende soorten af, en het areaal met een laag aantal toe. Dit is lijn met de relatief grote afname in open natuurgebieden.

Hoge ecosysteemkwaliteit te vinden in grotere gebieden met goede milieu- en ruimtelijke condities

Ontginningen, landbouwintensiveringen en het verminderen van de dynamische invloed van de zee en rivieren hebben geleid tot nivellering van de fysische verscheidenheid in ruimte en tijd, en daarmee van de biodiversiteit van ecosystemen. Plekken met een bovengemiddeld aantal kwalificerende soorten vinden we vooral in de grotere natuurgebieden, zoals de duingebieden, de Veluwe en enkele grotere moeras- en heidegebieden. De hoge natuurkwaliteit in deze gebieden is vooral het gevolg van de hier aanwezige variatie in water, milieu- en ruimtelijke condities, bijvoorbeeld door het voorkomen van reliëf en dynamische landschapsvormende processen. Ook een grotere mate van ruimtelijke samenhang en betere milieucondities doordat verstorende invloeden zich op grotere afstand bevinden, dragen bij aan de ecosysteemkwaliteit. Ook zijn er regionale verschillen in milieudruk en is de natuur op arme zandgronden veel gevoeliger voor bijvoorbeeld vermesting en verzuring dan de natuur op kleigrond. Al deze factoren bepalen samen het voorkomen van kwalificerende soorten en dus de verschillen in natuurkwaliteit. De verwachting is dat door beheermaatregelen het areaal waarin een hoog aantal kwalificerende soorten voorkomt, en daarmee een bovengemiddelde natuurkwaliteit kent, zal toenemen.

Beleid streeft naar verbeteren ecosysteemkwaliteit

Het Rijk en de provincies hebben in het Natuurpact de ambitie afgesproken de kwaliteit van de natuur te verhogen door extra inspanningen te richten op (herstel)beheer en maatregelen ter verbetering van water- en milieucondities. De Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) is bedoeld voor het behoud en de verbetering van de natuur- en landschapskwaliteit in Nederland. De methode voor het meten en beoordelen van de kwaliteit van de natuur is vastgelegd in de ‘Werkwijze monitoring en beoordeling’ (WMBN). Eén van de gekozen indicatoren voor natuurkwaliteit binnen WMBN is het voorkomen van specifieke planten- en diersoorten; de kwalificerende soorten. Momenteel wordt hiertoe data verzameld volgens de WMBN werkwijze. Er zijn echter nog geen gegevens voorhanden om de natuurkwaliteit volgens deze werkwijze te presenteren. De hier gepresenteerde methode is daarom een benadering van de WMBN werkwijze.

Referenties

Naam van het gegeven

1.Trend in kwaliteit van natuur2.Areaal natuurkwaliteit

Omschrijving

1.Trend in de mate van voorkomen van kenmerkende soorten als proxy voor de gemiddelde kwaliteit van bos, heide, moeras, open duin en halfnatuurlijke graslanden. 2. Natuurkwaliteit op basis van aantallen kwalificerende soorten ingedeeld in 4 klassen ten opzichte van het maximaal aantal aangetroffen kwalificerende soorten.

Verantwoordelijk instituut

1.Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) & Alterra; auteur: Arjen van Hinsberg & Janien van der Greft-van Rossum 2.Alterra Wageningen UR, auteurs: Marlies Sanders, Bart de Knegt

Berekeningswijze

1.AlgemeenDe indicator Trend in natuurkwaliteit geeft de gemiddelde kwaliteit van Nederlandse terrestrische ecosystemen aan sinds 1994, ten opzichte van intacte ecosystemen. De kwaliteit van ecosystemen wordt analoog aan CBD en SEBI 2010 weergegeven op basis van de mate van voorkomen van kenmerkende soorten in ecosystemen (Reijnen et.al., 2010). 1.Ecosystemen en soortenDe trend ecosysteemkwaliteit is berekend op basis van gegevens voor 5 terrestrische ecosysteemtypen: Bos, Heide, Moeras, Open Duin en Half natuurlijk grasland. Deze ecosystemen zijn met behulp van de Fysisch Geografische Regiokaart onderverdeeld in 18 enkelvoudige strata, de kleinste ruimtelijke eenheden voor de indicator Trend in natuurkwaliteit. Voor alle strata is een selectie gemaakt van kenmerkende soorten, gebaseerd op de doelsoorten uit Bal et al (2001) en aangevuld met typische soorten waarvoor soortdata beschikbaar zijn. In totaal omvat de indicator 457 soorten uit 4 soortgroepen: broedvogels, dagvlinders, reptielen en vaatplanten. Deze soorten zijn opgenomen in het NEM-meetnet (Netwerk Ecologische Monitoring).1.ReferentieKarakteristiek voor de indicator Trend in natuurkwaliteit is de weergave van de huidige kwaliteit gerelateerd aan een relatief intact ecosysteem. Voor de invulling van de referentiebeelden hebben SOVON, de Vlinderstichting, RAVON, FLORON en Alterra per stratum de mate van voorkomen van de kenmerkende soorten in de referentiesituatie bepaald.1.SoortdataJaarlijks komen nieuwe soortdata beschikbaar via de NEM-monitoring. Deze monitoring wordt verzorgd door SOVON (broedvogels), De Vlinderstichting (dagvlinders), RAVON (reptielen) en LMF (flora). Het CBS bewerkt de monitoringsdata voor fauna tot soortindexen per stratum. Alterra bewerkt de monitoringsdata voor flora tot soortindexen.1.TrendberekeningBeschikbare populatietrends van soorten geven aan hoe de populatieomvang verandert ten opzichte van de start van de monitoring van die soort. Deze populatietrends kunnen we relateren aan het voorkomen van deze soort in een (nagenoeg) intact ecosysteem; de dichtheid van voorkomen van een soort in de intacte situatie krijgt de indexwaarde 100, en de indexwaarden tussen 1994 en heden geven aan in welke mate de soort in hogere (waarde > 100) of lagere (waarde 0-100) dichtheid voorkomt ten opzichte van deze intacte situatie. Als soorten in hogere dichtheid voorkomen dan in een intacte situatie wordt de indexwaarde op 100 gemaximaliseerd. Het aandeel boven 100 wordt gezien als gezonde ecologische bandbreedte, en telt zo ook niet mee om soorten met lagere dichtheid te compenseren. De ecosysteemkwaliteit wordt tenslotte bepaald door rekenkundig middelen van de soortindexen van de soorten binnen het ecosysteem. Hierbij tellen alle doelsoorten even zwaar mee, immers al deze soorten zijn van belang voor het goed functioneren van dit ecosysteem. De kwaliteit voor de gezamenlijke Nederlandse terrestrische ecosystemen wordt bepaald door rekenkundig middelen van de natuurkwaliteit van de 5 ecosystemen.De resultaten van de indicator ‘Trend in kwaliteit van natuur’ worden in grafiekvorm weergegeven, hier voor de gezamenlijke Nederlandse terrestrische natuur. De indicator geeft zo de trend in de recente natuurkwaliteit weer en de veranderingen ten opzichte van een ongestoorde situatie.1.SamenhangDe provincies zijn bezig om een monitoringssysteem voor natuurgebieden te ontwikkelen. Dit systeem zal de kwaliteit van de natuur- en/of beheertypen beoordelen aan de hand van het voorkomen van onder andere soorten. Dit zal aanvullende informatie geven op deze indicator. De LPI, waaronder de uitsnede ‘Trend fauna in natuurgebieden‘, is eveneens een trendindicator gebaseerd op soorten en geeft de aantalsontwikkeling van faunasoorten weer. 2.Momenteel wordt data verzameld voor de nieuwe -door de TBO’s ontwikkelde- systematiek voor de beheertypen van Index NL volgens de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk (WMBN)”. Er zijn echter nog geen gegevens voorhanden om de natuurkwaliteit volgens de werkwijze van WMBN te presenteren.Kwaliteit is een subjectief begrip. De aanname is dat een heideveld bijvoorbeeld een ‘betere’ kwaliteit heeft als er meer kwalificerende of doelsoorten aanwezig zijn. Hoeveel soorten dat er maximaal kunnen zijn, verschilt per natuurtype (doeltype, beheertype etc). Op basis van verspreidingsgegevens vogels, vlinders, planten zijn aantallen kwalificerende soorten berekend per 250*250 meter gridcellen voor 2 perioden: 2000-2005 en 2006-2012. De aanwezigheid van soorten in gridcellen zonder waarnemingen zijn geschat. De methoden zijn beschreven voor planten(Sierdsema et al 2014), vogels(Sierdsema & Kampichler 2014) en dagvlinders(Van Swaay 2013).Van elke gridcel wordt het kwaliteitsniveau bepaald door het aantal aanwezige soorten te delen door het maximum aantal aangetroffen soorten in dat beheertype. De gridcellen met de meeste kwalificerende soorten vallen in de hoogste kwaliteitsklasse (75%-100% percentiel). In totaal zijn er vier ecosysteemkwaliteitsklassen gedefinieerd (0-25%, 25-50%, 50-75%, 75-100%). Het areaal wordt per kwaliteitsklasse en per ecosysteemtype gesommeerd. De ecosysteemtypen zijn moeras (N05; N06.01; N06.02); heide (N06.03-06; N07) open duin (N08), halfnatuurlijk grasland (N09-N13) en bos (N14-N17).

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

1.Twee jaarlijks 2.Om de 5 jaar

Achtergrondliteratuur

1.Bal, D., Beije, H. M., Fellinger, M., Haveman, R., Van Opstal, A. J. F. M., & Van Zadelhoff, F. J. (2001). Handboek natuurdoeltypen; 2e geheel herziene druk. IKC Natuurbeheer.1.Reijnen, M.J.S.M. ,A. van Hinsberg, M.L.P. van Esbroek, B. de Knegt, R. Pouwels, S. van Tol & J. Wiertz (2010). Natuurwaarde 2.0 land. Graadmeter natuurkwaliteit landecosystemen voor nationale beleidsdoelen. WOt-rapport 110. 2.Sierdsema H., C. Kampichler C. & L. Sparrius (2014). Verspreidingskaarten van hogere planten ten behoeve van de kwaliteitsbepaling SNL. Sovon-rapport 2014/20. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.2.Sierdsema H. & C. Kampichler (2014). Verspreidingskaarten van broedvogels ten behoeve van de kwaliteitsbepaling SNL. Sovon-rapport 2014/xx. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.2.Van Swaay, C.A.M. (2013). Natuurkwaliteit voor dagvlinders van de SNL beheertypen. Rapport VS2013.014, De Vlinderstichting, Wageningen.

Opmerking

Betrouwbaarheidscodering

1.C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.Een eenvoudige trendanalyse op de trend in terrestrische natuurkwaliteit laat zien dat de trend van 1994-2008 dalend verloopt (-0.5, p=8.4E-08) en de trend van 2008-2014 licht stijgend (+0.2, p=0.013). 2. C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.