Balans van de Leefomgeving

Natuur reageert nog niet op verbeterde milieucondities

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Milieucondities natuur
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De milieudruk op natuur is sinds 1990 afgenomen, maar een verbetering in milieucondities uit zich nog niet in de vegetatie.

Beperkte verbetering milieucondities; vegetatie herstelt nog maar weinig

Oorzaken van veranderingen in biodiversiteit en natuurkwaliteit zijn onder andere veranderingen in de milieucondities, zoals voedselrijkdom, vochthuishouding of zuurgraad. In welke mate in een gebied veranderingen in de milieucondities optreden, kan worden vastgesteld door metingen aan bodem- en water. Deze gegevens zijn echter beperkt beschikbaar. Indirect kunnen de milieucondities ook geschat worden aan de hand van de veranderingen in de aanwezigheid van plantensoorten. De aangetroffen vegetatiesamenstelling in een gebied is namelijk indicatief voor de heersende milieucondities. Ook kan uit de veranderingen in de vegetatiesamenstelling worden afgeleid of genomen maatregelen, die de schadelijke milieudruk teniet moeten doen, effect hebben gehad.
Provincies en terreinbeheerders hebben in de ‘Werkwijze monitoring en beoordeling’ (WMBN) vastgelegd hoe de milieucondities kunnen worden bepaald. Vooruitlopend op een eerste meting door de provincies, brengen de hier gepresenteerde indicatoren, op basis van beschikbare landelijke gegevens over vegetatiesamenstelling, de veranderingen in de huidige milieucondities in beeld voor wat betreft stikstofstofbeschikbaarheid, de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG), en zuurgraad bodem. Voor uitspraken over de kwaliteit van de milieucondities is een vergelijking gemaakt met de eisen die de vegetatie in (gevoelige) beheertypen stelt. Zo wijst een te lage GVG op verdroging, en een te lage zuurgraad duidt op verzuring. Om vermesting te indiceren kijken we hier naar de overschrijding van kritische depositiewaarden als een indicatie voor vermesting.
Gemiddeld genomen zijn landelijk de milieucondities in de verschillende typen ecosystemen nauwelijks verbeterd, terwijl de milieudruk op natuur sinds 1990 wel is verminderd.

Vermindering te hoge stikstofbeschikbaarheid niet zichtbaar in de vegetatiesamenstelling

 De beschikbaarheid van stikstof (N-totaal) als maat voor vermesting, is sinds 2000 niet significant afgenomen, behalve in het ecosysteemtype moeras.

De beschikbaarheid van stikstof (N-totaal) als maat voor vermesting, is sinds 2000 niet significant afgenomen, behalve in het ecosysteemtype moeras.

De beschikbaarheid van stikstof (N-totaal), als maat voor vermesting, is sinds 2000 niet significant afgenomen. Alleen in het ecosysteemtype moeras neemt deze in geringe mate af. Een mogelijke verklaring voor het uitblijven van verbetering (dat wil zeggen, afname stikstofbeschikbaarheid) is dat meerjarige plantensoorten met vertraging reageren op veranderingen of dat verdwenen plantensoorten de natuurgebieden met verbeterde kwaliteit nog niet kunnen bereiken. Hierdoor kan de vegetatiesamenstelling min of meer gelijk blijven ondanks verbeteringen in milieucondities, zoals die blijken uit rechtstreekse metingen. Ook is het mogelijk dat het uitblijven van veranderingen in de vegetatiesamenstelling komt doordat de milieudruk de laatste jaren minder verbetering laat zien.

De huidige milieudruk door stikstofdepositie in natuurgebieden is nog te hoog

Teveel stikstof in de bodem is een belangrijke oorzaak voor de achteruitgang van zeldzame soorten. De hoeveelheid stikstof in de bodem neemt onder andere toe door stikstofdepositie uit de lucht. Kwetsbare plantensoorten verdwijnen wanneer de stikstofdepositie het kritisch depositieniveau overschrijdt. Hoe hoger de overschrijding en hoe langer deze duurt, hoe groter de effecten. Ammoniak maakt tweederde deel uit van de stikstof die op de bodem valt, en is hoofdzakelijk afkomstig uit de landbouw. De overige depositie is afkomstig van stikstofoxiden uit onder andere verkeer en industrie.

 Voor alle stikstofgevoelige ecosysteemtypen zijn de condities wat betreft stikstofdepositie (bijna geheel) matig of slecht.

Voor alle stikstofgevoelige ecosysteemtypen zijn de condities wat betreft stikstofdepositie (bijna geheel) matig of slecht.

Knelpunten stikstof spelen in alle stikstofgevoelige ecosysteemtypen

Voor alle stikstofgevoelige ecosysteemtypen zijn de condities wat betreft stikstofdepositie (bijna geheel) matig of slecht. In vrijwel het gehele areaal van stikstofgevoelig grasland, heide en moeras wordt de kritische depositie overschreden; nagenoeg het gehele oppervlak valt in de categorieën matig of slecht. Voor bos en duin is de situatie iets beter, hoewel ook hier het grootste deel van het oppervlak binnen de categorieën matig en slecht valt. De meeste knelpunten spelen op de zandgronden, waar natuur erg gevoelig is voor stikstofdepositie en de depositie uit intensieve veehouderij hoog is. Gebieden met voor stikstof gevoelige natuur waar de kritische depositie waarde niet wordt overschreden, komen vooral voor langs de kust in de duinen, op zeeklei (Flevoland) en in de provincies Zuid-Limburg en Drenthe. Veel van de natuur in het noorden en westen van het land is daarnaast ongevoelig voor stikstofdepositie. Het gaat daarbij veelal om wateren en moerassen in (zee/rivier)klei gebieden.

 De meeste knelpunten bevinden zich op de zandgronden, waar natuur erg gevoelig is voor stikstofdepositie en de depositie uit intensieve veehouderij hoog is.

De meeste knelpunten bevinden zich op de zandgronden, waar natuur erg gevoelig is voor stikstofdepositie en de depositie uit intensieve veehouderij hoog is.

In veel gebieden is verdroging nog een probleem

Op veel plaatsen is de grondwaterstand verlaagd ten behoeve van landbouw en bewoning of door waterwinning (zie grondwatersituatie 1950-1990). Daardoor kan ook in natuurgebieden de grondwaterstand zijn gedaald. Veel ecosystemen zijn afhankelijk van een hoge grondwaterstand, met name in het voorjaar. Dat geldt bijvoorbeeld voor natte heide, natte graslanden en vochtige bossen.

Een te lage grondwaterstand is één van de aspecten van verdroging. Een natuurgebied wordt ook als verdroogd aangemerkt als het grondwater niet de juiste kwaliteit heeft, of als – ter compensatie van een te lage grondwaterstand danwel een te geringe kweldruk- (gebiedsvreemd) water van mindere kwaliteit moet worden aangevoerd.

In natuurgebieden waar grondwaterafhankelijke beheertypen voorkomen kan gekeken worden of de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) voldoet aan de eisen van het betreffende beheertype. De grondwaterstand kan dan vervolgens worden getypeerd als goed, matig (grondwaterstand ligt beneden het gewenste niveau maar nog boven het minimale niveau) of slecht (de grondwaterstand ligt beneden het minimale niveau). In het laatste geval is het natuurgebied in termen van GVG sterk verdroogd en kunnen gewenste planten- of diersoorten verdwijnen of al verdwenen zijn. Op basis van een analyse van vegetatie- en grondwaterstandmetingen uit de periode 2004 tot 2015, blijken sterk verdroogde situaties in alle ecosysteemtypen voor te komen. In veel moerassen en natte heide/hoogveen is de GVG te laag.

Plekken met matige of slechte grondwaterstanden komen verspreid voor in het hele land. Clusters van verdroogde beheertypen liggen onder andere in de kop van Overijssel, rond de Dollard en in een aantal hoogvenen (o.a. Peelgebieden, Fochteloërveen, Bargerveen).

 Verdroogde situaties komen voor in alle ecosysteemtypen aar vooral in moerassen en heidegebieden is de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) vaak nog te laag.

Verdroogde situaties komen voor in alle ecosysteemtypen aar vooral in moerassen en heidegebieden is de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) vaak nog te laag.

Verdroging gaat door in heide en moeras

De landelijke trends in de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zijn stabiel, behalve voor heide en moeras. Vooral in moerassen daalt de GVG. De bodem in moerassen is iets minder vochtig geworden. Een mogelijke verklaring voor de afname in vochtbeschikbaarheid in combinatie met een afname in voedselbeschikbaarheid in moeras, is natuurlijke veroudering. Door de stapeling van organisch materiaal neemt na verloop van tijd de regenwaterinvloed toe en de oppervlaktewater-invloed af. Het moeras wordt daarom wat droger, voedselarmer en krijgt een lagere zuurgraad.

 De landelijke trends in de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand zijn stabiel, behalve voor heide en moeras. Vooral in moerassen daalt de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand.

De landelijke trends in de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand zijn stabiel, behalve voor heide en moeras. Vooral in moerassen daalt de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand.

Effecten verdrogingsbestrijding nog niet zichtbaar in vegetatie

Uit eerdere inventarisaties van verdroging door IPO/RIZA bleek dat de voortgang van verdrogingsbestrijding traag verliep. Redenen waren o.a. dat er eerst gronden aangekocht moesten worden voordat het waterpeil kan worden verhoogd. Daarnaast is er bij de boeren weinig draagvlak gebleken voor uitvoering van de maatregelen omdat de consequenties van de watermaatregelen voor het landgebruik (bijv. natschade door peilverhoging) groot kunnen zijn. Binnen het Natuurpact zetten provincies sterk in op antiverdrogingsmaatregelen.

De zuurgraad is in veel natuurgebieden goed maar neemt wel in geringe mate af

De zuurgraad van de bodem kan veranderen door druk van buiten af, bijvoorbeeld door verlaging van de grondwaterstand of door een te hoge toevoer van verzurende stoffen. Als gevolg van depositie van verzurende stoffen uit de lucht kan bijvoorbeeld de bodem in natuurgebieden verzuren en kunnen plantensoorten uit dat gebied verdwijnen. De zuurgraad kan ook beïnvloed worden door veranderingen in de waterhuishouding, bijvoorbeeld als de toevoer van baserijke kwel wegvalt of door ophoping van organische stof in de humuslaag.

Het blijkt dat verzuring nog in een beperkt areaal natuurgebied speelt. Locaties waar de zuurgraad momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in graslanden en moerassen. In de duinen en de heide zijn de milieucondities in termen van zuurgraad goed. De zuurgraad daalt landelijk wel in alle ecosystemen, maar deze daling is gering.

 Locaties waar de zuurgraad momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in graslanden en moerassen.

Locaties waar de zuurgraad momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in graslanden en moerassen.
 De zuurgraad is in veel natuurgebieden goed, maar neemt wel in geringe mate af, met verzuring tot gevolg.

De zuurgraad is in veel natuurgebieden goed, maar neemt wel in geringe mate af, met verzuring tot gevolg.

Beleid gericht op verbeteren milieucondities heeft tot nu toe onvoldoende resultaat

Door nationaal en internationaal milieubeleid is de lucht de laatste decennia schoner geworden, waardoor minder zuur en stikstof terecht komt op natuur (Buijsman et al. 2010). Desondanks is de lucht nog te verontreinigd voor duurzaam behoud van natuur. Onderzoek laat wel zien dat dankzij de verlaging van de zuurdepositie de bodemverzuring in verzuringsgevoelige zandgronden veel trager gaat dan vroeger. Op deze verzuringsgevoelige zandgronden veroorzaakt momenteel met name de depositie van vermestende stoffen risico’s voor natuurkwaliteit (zie kaart met de Kwaliteit milieucondities ten aanzien van stikstofdepositie hierboven).

Om de effecten van vermesting en verzuring te voorkomen, richt het Nederlandse milieubeleid zich op vermindering van de emissie van vermestende en verzurende stoffen in Nederland en de omringende landen. De depositie van verzurende stoffen is vooral in de jaren ’80 sterk afgenomen door maatregelen aan de bron. Er treedt nog wel verzuring op door ammoniak maar deze is van een veel geringere orde. Sinds 1990 is de milieudruk door stikstofdepositie afgenomen. Die afname was vooral zichtbaar in het begin van de jaren negentig. Meer recent lijken de trends onveranderd.

Provincies en het Rijk bekijken momenteel in het kader van Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) hoe een combinatie van generiek en gebiedsgericht beleid verzuring en vermesting kan terugdringen. Daarnaast worden er middelen verstrekt voor herstelmaatregelen in bestaande natuurgebieden. Veel van deze maatregelen zijn ook gericht op bestrijding van verdroging. De beschikbaarheid van voedingsstoffen is immers niet alleen afhankelijk van de huidige depositie van vermestende stoffen maar ook van de verdroging en van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater.

Referenties

  • Buijsman, E., Aben, J.J.M., Hettelingh, J.-P., Van Hinsberg, H., Koelemeijer, R.B.A., Maas, R.J.M. (2010) Zure regen. Een analyse van dertig jaar Nederlandse verzuringsproblematiek. Rapport 500093007, Planbureau voor de Leefomgeving, Bilthoven/Den Haag.
  • Sanders, M.E., G.W.W Wamelink, R.M.A. Wegman, J. Clement (in prep). Indicatoren realisatie beleidsdoelen voor natuur; Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-technical report
  • Van Beek, J.G, R.F. van Rosmalen, B.F. van Tooren & P.C.van der Molen (2014), Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS. Utrecht: BIJ12

Naam van het gegeven

1.Kwaliteit milieucondities ten aanzien van stikstofdepositie, 2.Kwaliteit milieucondities ten aanzien van zuurgraad 3. Kwaliteit milieucondities ten aanzien van gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand 4.Trends in milieucondities

Omschrijving

1. Kwaliteit stikstofgevoelige beheertypen ten aanzien van stikstofdepositie, 20152.Kwaliteit verzuringsgevoelige beheertypen ten aanzien van de zuurgraad bodem, periode 1990-2015.3. Kwaliteit grondwaterafhankelijke beheertypen ten aanzien van de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand, periode 2004-2015.4.Beschikbaarheid van stikstof, gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand en zuurgraad bodem afgeleid van vegetatieopnamen

Verantwoordelijk instituut

Alterra Wageningen UR, auteurs: Wieger Wamelink en Ruut Wegman

Berekeningswijze

1.In de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS is aangegeven welke beheertypen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De milieukwaliteit ten aanzien van stikstofdepositie wordt beschreven in drie categorieën; goed matig en slecht. Deze situatie hangt af van de afstand tussen de hoogte van de stikstofdepositie en de randvoorwaarden die elk beheertype stelt. De grenzen tussen de categorieën zijn gebaseerd op de kritische depositiewaarden van de plantenassociaties die behoren tot de beheertypen. Kwetsbare plantensoorten verdwijnen wanneer de hoeveelheid stikstof die op de bodem valt de kritisch depositiewaarde overschrijdt. Hoe hoger de overschrijding en hoe langer deze duurt, hoe groter de effecten. De milieukwaliteit qua stikstofdepositie wordt in de werkwijze als goed aangemerkt als deze lager is dan de kritische depositiewaarde van de meest gevoelige associatie. De grens tussen ‘matig’ en ‘slecht’ is gebaseerd op de kritische depositiewaarde van de minst gevoelige associatie (associatie met de hoogste kritische depositiewaarde). De beheertypen zijn gelokaliseerd met de beheertypenkaart van IPO. Delen van grootschalige beheertypen die gevoelig zijn voor teveel stikstofdepositie (waarvoor geen randvoorwaarden beschreven zijn), zijn nader gelokaliseerd op basis van onder andere bodem- en vegetatiekaarten (Wamelink, Pouwels et al. in prep). Voor elke locatie met een gevoelig beheertype is de depositie vergeleken met de grenswaarden uit de werkwijze. 2.In de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS is voor een aantal gevoelige beheertypen aangegeven hoe de milieucondities qua bodem-pH beschreven kan worden. Daarnaast is door Wamelink et al. (2007) voor de in de Werkwijze als niet gevoelig omschreven typen randvoorwaarden geschat. Ook deze laatste zijn in de analyse meegenomen, daar waar er geen randvoorwaarden in de Werkwijze worden gegeven. Hierdoor ontstaat er een vrijwel landsdekkend beeld. Er worden drie categorieën onderscheiden; een goede, matige en slechte kwaliteit. Deze situatie hangt af van de afstand van de bodem-pH tot de randvoorwaarden die elk beheertype stelt aan de bodem-pH. Voor elke locatie met een beheertype, zijn daartoe de randvoorwaarden voor de bodem-pH vergeleken met schattingen voor de bodem-pH (Wamelink et al. in prep).De beheertypen zijn gelokaliseerd met de beheertypenkaart van IPO. Grootschalige beheertypen (waarvoor geen randvoorwaarden beschreven zijn), zijn nader gespecificeerd in termen van beheertypen waarvoor wel randvoorwaarden beschikbaar zijn. Dit is gebeurt op basis van onder andere bodem- en vegetatiekaarten (Wamelink, Pouwels et al. in prep). De bodem-pH is geschat op basis van vegetatieopnamen uit de periode 1990 tot 2015, dit omdat een meetnet van directe pH-metingen ontbreekt. De geschatte niveaus zijn vervolgens gecombineerd met de bodemkaart, de grondwatertrappenkaart en de neergeschaalde beheertypenkaart. 3.In de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS is voor grondwaterstandafhankelijke beheertypen aangegeven hoe de grondwatersituatie beschreven kan worden. Er worden drie categorieën onderscheiden; goed, matig en slecht. Deze situatie hangt af van de afstand van de voorjaarsgrondwaterstand tot de randvoorwaarden die elk beheertype stelt. Voor elke locatie met een grondwaterafhankelijk beheertype, zijn daartoe de randvoorwaarden voor de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand vergeleken met schattingen voor de grondwaterstand (Wamelink et al. in prep).De beheertypen zijn gelokaliseerd met de beheertypenkaart van IPO. Grondwaterafhankelijke delen van grootschalige beheertypen (waarvoor geen randvoorwaarden beschreven zijn), zijn nader gelokaliseerd op basis van onder andere bodem en vegetatiekaarten (Wamelink, Pouwels et al. in prep).De grondwaterstanden zijn geschat op basis van vegetatieopnamen uit de periode 2004 tot 2015. Deze geschatte niveaus zijn vervolgens gecombineerd met de bodemkaart, de grondwatertrappenkaart en de neergeschaalde beheertypenkaart. Vervolgens is deze kaart gecombineerd met een grondwaterstandenkaart opgesteld op basis van peilbuisgegevens (pers. med. Tom Hoogland) en is het gemiddelde van beide gvg’s berekend. 4.Met het landelijk Meetnet Flora (LMF) worden de milieuontwikkelingen in de vegetatie gevolgd. Dit meetnet omvat ruim 8600 vaste meetpunten in de terrestrische natuur en nog enkele duizenden in natuurlijke landschapselementen in het agrarisch gebied. Op deze meetpunten worden alle plantensoorten en de aantallen of bedekking per soort genoteerd. Deze plantensoorten verschillen in de eisen die ze stellen aan hun milieu. Aan de hand van toe of afname van deze soorten en hun samenstelling kan worden vastgesteld of het gebied onderhevig is aan veranderingen in milieuomstandigheden zoals vochttoestand en voedselbeschikbaarheid. Ook kan uit veranderingen in de plantensoortsamenstellingen worden afgeleid of maatregelen genomen om die milieu-invloeden teniet te doen, effect hebben. Met behulp van milieu-indicatiewaarden per plantensoort is voor de verschillende milieuomstandigheden (GVG, voedselrijkdom stikstof, zuurgraad) een trend per ecosysteem berekend aan de hand van gemiddelde milieu-indicatievoorwaarden van de aanwezige plantensoorten in de vegetatieopnamen. De gebruikte indicatiewaarden zijn afkomstig uit Wamelink et al., 2005, 2007 en 2012. Voor stikstof(beschikbaarheid zijn de N-totaal indicatiewaarden per soort gebruikt.

Basiskaarten

Neergeschaalde beheertypenkaart (in prep)GDN 2015, RIVM pH-kaart 1990-2014 (Wamelink et al. in prep). GVG-kaart op basis van vegetatieopnamen (Wamelink et al. in prep).GVG-kaart op basis van peilbuizen (pers. med. Tom Hoogland)

Basistabel

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Achtergrondliteratuur

Wamelink, G.W.W., P.W. Goedhart, J.Y. Frissel, R.M.A. Wegman, P.A. Slim & H.F. van Dobben. 2007. Response curves for plant species and vegetation types. Report 1489, Alterra, Wageningen, the Netherlands. Wamelink, G.W.W., Adrichem, M.H.C. van, Dobben, H.F. van, Frissel, J.Y., Held, M. den, Joosten, V., Malinowska, A.H., Slim, P.A. & Wegman, R.J.M. 2012. Vegetation relevés and soil measurements in the Netherlands; a database. Biodiversity and Ecology 4:125-132.Wamelink, G.W.W, Goedhart, P.W., Dobben, H.F van & Berendse, F. 2005. Plant species as predictors of soil pH: replacing expert judgement by measurements. Journal of vegetation science 16:461-470.Indicatorwaarden plantensoorten: http://www.abiotic.wur.nl/

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd