Balans van de Leefomgeving

Energetische kwaliteit woningvoorraad sterk toegenomen

Kwaliteit woningvoorraad (energetische kwaliteit)
  • Balans voor de leefomgeving 2016
De bouwkundige kwaliteit van de woningvoorraad is goed te noemen, de tevredenheid onder bewoners over hun woning is hoog. Wel ligt er voor de grote voorraad huurwoningen gebouwd in 1945-1990 een woningverbeteringsopgave, vooral voor het energieverbruik. Het aandeel huurwoningen met minimaal een B-label is tussen 2011 en 2014 toegenomen van 14% naar 24%, maar afspraken over het energiezuiniger maken zijn vertraagd.
 Circa 98 procent van alle woningen verkeert in goede of uitstekende bouwkundige conditie

Circa 98 procent van alle woningen verkeert in goede of uitstekende bouwkundige conditie
 Van recent gebouwde woningen is het aandeel woningen met een uitstekende conditie hoger dan van eerder gebouwde woningen. Van de vooroorlogse woningen is 59 procent in uitstekende conditie, van de woningen gebouwd na 2000 is dit 98 procent.

Van recent gebouwde woningen is het aandeel woningen met een uitstekende conditie hoger dan van eerder gebouwde woningen. Van de vooroorlogse woningen is 59 procent in uitstekende conditie, van de woningen gebouwd na 2000 is dit 98 procent.

Bouwkundige conditie woningvoorraad is goed

Circa 98 procent van alle woningen verkeert in goede of uitstekende bouwkundige conditie. In de particuliere huursector zijn iets meer woningen met een matige tot redelijke conditie te vinden dan in de sociale huur en koopsector en juist minder woningen met een uitstekende conditie. Van recent gebouwde woningen is het aandeel woningen met een uitstekende conditie hoger dan van eerder gebouwde woningen. Van de vooroorlogse woningen is 59 procent in uitstekende conditie, van de woningen gebouwd na 2000 is dit 98 procent.

Een vijfde deel van de Nederlandse woningvoorraad bestaat uit woningen gebouwd vóór 1945. Het betreft hier veelal woningen met een sterke positie op de woningmarkt: ze zijn gewild onder woonconsumenten (Van Dam & Visser 2006). Het gaat hierbij om zo’n 525.000 huurwoningen en 950.000 koopwoningen. De voorraad huurwoningen is gemiddeld ouder dan de koopwoningvoorraad: tweederde van de voorraad huurwoningen bestaat uit woningen gebouwd in de periode 1945-1990. Het gaat hier om bijna 2 miljoen woningen. Meer dan een kwart van de voorraad koopwoningen is gebouwd na 1990 (1,2 miljoen woningen). Voor huurwoningen geldt dat maar voor 15% van de woningen (ruim 400.000 woningen).

Tevredenheid over de staat van onderhoud van de woning blijft hoog

Van alle huishoudens in Nederland was in 2015 79 procent tevreden over de onderhoudsstaat van de woning. Van de eigenaren-bewoners was 89 procent van mening dat de woning goed is onderhouden. Onder de huurders lag dit percentage met 64 procent een stuk lager. Deze mening over de onderhoudsstaat van de woning is in de loop der jaren niet veel veranderd.

Energetische kwaliteit woningvoorraad verbeterd

De energetische kwaliteit van de woningvoorraad in Nederland is de laatste jaren gestaag verbeterd. In 2012 kende de Nederlandse woningvoorraad een gemiddelde Energie-index van 1,86. Dit was in 2006 nog 2,09 en in 2010 2,50. Zowel woningvervanging (herstructurering) als woningverbetering en nieuwbouw hebben hier aan bijgedragen.
Om de energetische kwaliteit van de woning te bepalen, wordt gebruik gemaakt van de Energie-index. Hoe lager de Energie-index (Ei-score), hoe beter de energetische kwaliteit van de woningen. De welbekende energielabels zijn gebaseerd op deze score.

 In 2012 had 20 procent van de woningen een energielabel F of G, 37 procent een energielabel D of E en 43 procent van de woningen hadden een energetische kwaliteit die een A-, B- of C-label

In 2012 had 20 procent van de woningen een energielabel F of G, 37 procent een energielabel D of E en 43 procent van de woningen hadden een energetische kwaliteit die een A-, B- of C-label

Energetische kwaliteit van koopwoningen hoger dan van huurwoningen

Koopwoningen blijken in 2012 met een gemiddelde Ei-score van 1,82 de beste energetische kwaliteit te hebben. Van sociale huurwoningen is de gemiddelde score 1,87. De particuliere huurwoningen beschikken met 2,12 over de slechtste energetische kwaliteit. De kwalitatieve voorsprong van de koopwoningen in Nederland is sinds 2006 wel kleiner geworden. Vooral in de grote steden is, door woningverbetering, herstructurering en nieuwbouw, de energetische kwaliteit van woningen toegenomen, al is ook in 2012 de Energie-index daar nog het hoogste.
In Nederland bestond in 2012 20 procent van de voorraad uit woningen met een energielabel F of G, 37 procent uit woningen met een energielabel D of E en 43 procent van de woningen hadden een energetische kwaliteit die een A-, B- of C-label verdiende. In 2006 viel 35 procent van de voorraad in deze categorie. Kortom, de energetische kwaliteit van de woningvoorraad is verbeterd. Ook uit de energielabels blijkt dat de huurwoningen sinds 2006 meer verbeterd zijn dan de koopwoningen, maar nog steeds achterlopen. Huurwoningen zijn gemiddeld ouder dan koopwoningen.
Verbeteringen in de kwaliteit van koopwoningen vinden vaak plaats na aankoop van de woning door de nieuwe eigenaar. Dat geldt in het bijzonder voor investeringen in de energetische kwaliteit van de woning (isolatie, nieuwe ketel, zonnepanelen). Doorstroming in de koopwoningmarkt heeft dus een positief effect op de (energetische) kwaliteit van de woningvoorraad. De doorstroming in de koopwoningmarkt is evenwel de laatste jaren, als gevolg van de crisis, ingezakt. Dat lijkt momenteel evenwel weer aan te trekken.

Extra inspanning nodig om doelstelling te realiseren

In de recente recessie zijn zowel woningcorporaties als particuliere woningeigenaren geconfronteerd met een teruglopend budget voor woningverbetering. Met betrekking tot de verduurzaming van de woningvoorraad begint dat inmiddels enigszins te knellen. Zowel renovatie als herstructurering van de bestaande woningvoorraad wordt steeds noodzakelijker.
Voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen worden daarom twee mogelijke trajecten bewandeld. Een eerste traject omvat een flinke investeringsopgave in de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. In het Energieakkoord (SER 2013) is als lange termijn ambitie geformuleerd om te komen tot een energie neutrale gebouwde omgeving in 2050. Voor de kortere termijn is in het akkoord afgesproken dat tot 2020 jaarlijks 300.000 bestaande woningen en andere gebouwen minimaal twee stappen in het energie label vooruit gaan. Naast het verbeteren van de bestaande voorraad via (grootschalig) onderhoud en verbeteringen wordt de energieprestatie van de totale woningvoorraad beter door (vervangende) nieuwbouw. Nieuwbouw is immers aan duidelijke en strenge energienormen gehouden. Die vervangende nieuwbouw is de laatste jaren echter enigszins in het slop geraakt en bijna gehalveerd ten opzichte van 10 jaar geleden. Ook de uitbreidingsnieuwbouw is sterk teruggelopen, vooral sinds 2010.
Een tweede, en gezien het bovenstaande wellicht belangrijker traject, is het streven naar een veel duurzamere energieopwekking. Bij een duurzame energieopwekking (hernieuwbare energie) heeft de omvang van het energieverbruik immers geen negatief milieueffect meer, maar alleen nog gevolgen voor de portemonnee van de woonconsument.

Hindernissen in de particuliere sector

Het zorg dragen voor de energieverbetering van een woning ligt in eerste instantie bij de eigenaar van de woning, dus voornamelijk bij de corporaties (huursector) en – door de toename van het eigenwoningbezit – steeds meer bij particuliere woningeigenaren. Helaas bestaat er nauwelijks recent zicht op de omvang en aard van die particuliere woningverbeteringen (zie ook BZK 2016a).
Afgezien van het reguliere woningonderhoud vinden fundamentele verbeteringen in de kwaliteit van particuliere koopwoningen vaak plaats na aankoop van de woning door de nieuwe eigenaar (Vringer et al. 2014). Dat geldt in het bijzonder voor omvangrijke investeringen in de energetische kwaliteit van de woning (isolatie, verwarmingsketel, zonnepanelen, etc.). Doorstroming in de koopwoningmarkt heeft dus een positief effect op de (energetische) kwaliteit van de woningvoorraad. De doorstroming in de koopwoningmarkt is echter de laatste jaren, als gevolg van de crisis, ingezakt (al trekt die momenteel weer aan). Het is daarbij de laatste jaren, vanwege de strenger geworden hypotheekvoorwaarden (verlaging van de loan to value (LTV): de verhouding tussen hypotheekschuld en woningwaarde), lastiger geworden voor nieuwe woningeigenaren om woningverbeteringen in hun hypotheek mee te financieren. Al gelden er uitzonderingen voor voorgenomen verregaande investeringen in de verduurzaming van de woning (Schilder et al. 2016 in voorbereiding). De onderbenutting van het Nationale Energiebespaarfonds, waar particulieren kunnen aankloppen voor een lening, laat zien dat beschikbare financieringsmogelijkheden niet altijd optimaal worden benut.
Daarnaast speelt nog een ander probleem: energiebesparende maatregelen kennen hoge investeringskosten en hebben over het algemeen een (in elk geval door woningeigenaren ingeschatte) lange terugverdientijd. De financiële prikkel voor woningeigenaren om dergelijke investeringen te plegen is gering (Schilder et al. 2016 in voorbereiding). In de Nationale Energieverkenning 2015 (Schoots & Hamming 2015, p 167-169) worden voor een viertal typen situaties voorbeelden gegeven om een woning naar label B te verbeteren. De terugverdientijd daarvan varieert tussen de 9 en 38 jaar. Over het algemeen overstijgt dat de gemiddelde woonduur en geven woningeigenaren aan een terugverdientijd van 5 a 6 jaar al lang te vinden (Leidelmeijer & Cozijnsen 2011; zie ook Schilder et al. 2016 in voorbereiding).
Ook de vergrijzing zet een rem op de woningverbetering. Omdat ouderen minder verhuizen ontbreekt het logische moment voor grootschalige investeringen in de verduurzaming van woningen. Bovendien: oudere woningeigenaren investeren nauwelijks nog in de verduurzaming van hun eigen woning (De Groot et al. 2013). Het beleid ten aanzien van het langer zelfstandig wonen zit hier in zekere zin het beleid ten aanzien van de energiebesparingsdoelstellingen in de weg (zie ook Van Middelkoop 2014). De verwachting kan worden uitgesproken dat de uitstroom van de omvangrijke babyboomgeneratie en de doorstroming die daarvan het gevolg zal zijn, pas op termijn een flinke impuls zal geven aan de verbetering van de bestaande voorraad (eengezins)koopwoningen.

Hindernissen in de huursector

De koepel van woningcorporaties, Aedes, heeft in 2008 (herzien in 2012) een convenant afgesloten met de Woonbond en het Rijk om hun woningvoorraad te verbeteren. In het convenant hebben zij afgesproken dat zij hun woningvoorraad in 2020 verbeterd hebben naar een gemiddelde Energie-index van 1,25 (gemiddeld label B). De Energie-index is verbeterd van 2,50 in 2000 naar 2,09 in 2006 en 1,86 in 2012. Als de verbetering van de Energie-index in hetzelfde tempo doorzet als in de periode 2006-2012, komt deze in 2020 uit op 1,55 (gemiddeld label C). Er lijkt dus een extra inspanning nodig van corporaties om de doelstelling in het convenant te realiseren.
Wat betreft de grote voorraad huurwoningen (met name het grote aantal huurwoningen gebouwd in de periodes 1945-1970 en 1971-1990) ligt er voor woningcorporaties een aanzienlijke woningverbeteringsopgave (niet alleen wat betreft energieprestatie, ook bouwkundige en op comfort gerichte ingrepen zijn nodig). Bestaande afspraken in het Koepelconvenant (BZK 2012); Energieakkoord (SER 2013) en Stroomversnelling met betrekking tot het energiezuiniger maken van de voorraad huurwoningen dienen te worden nagekomen. Dat proces lijkt te zijn vertraagd (Aedes 2016; BZK 2016a; Schilder et al. 2016; Vringer et al. 2014), al is het aandeel huurwoningen met minimaal een B-label tussen 2011 en 2014 toegenomen van 14 naar 24% (Atrivé 2016; BZK 2016a).

Opvallend verschil tussen het theoretische en werkelijke energieverbruik

Er is een opvallend verschil tussen het theoretische en werkelijke energieverbruik per label. Van de huishoudens in woningen met een A-label komen het werkelijke energieverbruik praktisch overeen met het theoretische energieverbruik. De huishoudens in woningen van mindere energetische kwaliteit blijken echter veel minder te stoken dan theoretisch verwacht. Van de huishoudens in woningen met een G-label blijkt het werkelijke verbruik 42% lager te liggen dan de theorie. Een verklaring hiervoor is dat huishoudens niet willekeurig over de woningvoorraad zijn verdeeld. Zo wonen grote gezinnen gemiddeld in grotere woningen en blijken huishoudens met hogere inkomens vaker in recentere en dus energetisch betere woningen te wonen. Een oververtegenwoordiging van huishoudens die veel van huis zijn, leidt bijvoorbeeld tot een lagere stookfactor. Een tweede verklaring is dat huishoudens het energiegedrag aanpassen aan de kenmerken van de woning. Zo zetten huishoudens in energetisch slechte woningen (met vaak een lager inkomen) bewust de thermostaat lager om de energierekening beperkt te houden. Of andersom: huishoudens in energiezuinige woningen doen dat niet omdat ze denken dat dat niet veel uitmaakt voor de energierekening. Of omdat ze de prijs voor de comfortverbetering laag genoeg vinden. Dit gedrag waarbij mensen minder zuinig worden wanneer de woning energetisch is verbeterd, wordt het ‘rebound-effect’ genoemd.

Bijna 90 procent van de huishoudens is tevreden over de woning

 In 2015 was 87 procent van alle huishoudens tevreden over hun woning.

In 2015 was 87 procent van alle huishoudens tevreden over hun woning.

Het gros van de Nederlanders is tevreden tot zeer tevreden over hun woning; in 2015 gold dat voor maar liefst 87 procent van alle huishoudens. Vooral eigenaren-bewoners zijn (zeer) tevreden over hun woning; in 2015 gold dat voor 94 procent van hen. Wel geldt dat eigenaren-bewoners vandaag de dag vaker ‘gewoon’ tevreden zijn over hun koopwoning en minder vaak zeer tevreden dan een aantal jaar geleden. Het aandeel dat zeer tevreden is, is afgenomen van 63 procent in 2006 tot 50 procent in 2015. Hoewel huurders vaker (zeer) ontevreden zijn over hun woning en minder vaak (zeer) tevreden, is het gros van de huurders positief over hun huurwoning. In 2015 gold dat voor ruim driekwart van alle huurders.

Vooruitzicht en opgave

Hoewel de kwaliteit van de woningvoorraad over het algemeen goed te noemen is, heeft de recente recessie die kwaliteit flink onder druk gezet. Zowel woningcorporaties als particuliere woningeigenaren zijn geconfronteerd met een teruglopend budget voor woningverbetering. De herstructurering van wijken en buurten is in de crisis sterk stilgevallen. Dat begint inmiddels te knellen. Zowel renovatie als herstructurering van de bestaande woningvoorraad wordt steeds noodzakelijker.

Referenties

Naam van het gegeven

Kwaliteit woningvoorraad

Omschrijving

Energetische kwaliteit, bouwkundige kwaliteit en tevredenheid over woningen

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving, auteur: Frank van Dam

Basistabel

WBO/WoON

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Eens per twee jaar