Balans van de Leefomgeving

Voor de transitie naar een circulaire economie moeten de grondstofkringlopen beter worden gesloten.

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Afvalproductie ligt ruim onder het afvalaanbod plafond

Het stimuleren van de preventie van afvalstoffen is een van de doelen die is vastgelegd in de tweede wijziging van het tweede Landelijk afvalbeheerplan (2009-2021). Concreet doel hierbij voor 2015 is om het totale afvalaanbod niet verder te laten groeien dan 68 Mton in 2015. De afvalproductie is tussen 2012 en 2014 afgenomen van 62 naar 60 Mton en blijft daarmee ruim onder het vastgestelde plafond van het afvalaanbod in 2015.

Nuttige toepassing van afval

In Nederland verlaten naar verhouding weinig grondstoffen de keten in de vorm van het storten en (zonder energieterugwinning) verbranden van afval. Ongeveer 93% van al het afval wordt in 2014 inmiddels nuttig toegepast. Hiermee is het doel van 95% in 2015 binnen bereik. Het doel in deze Balans van de Leefomgeving is aangepast ten opzichte van het doel in de Balans 2014. De doelstelling is van 85% opgehoogd naar 95% in 2015. Dit is met name het gevolg van het herdefiniëren van verwerkingstechnieken. Werd verbranden in een Afval VerbrandingsInstallatie (AVI) eerst gezien als verwijderen, in het nieuwe doel geldt verbranden met energieterugwinning als nuttige toepassing.

Huishoudelijk afval: 75% scheiden en 100 kilo per persoon

Het doel bedraagt het scheiden van 75% van het huishoudelijk afval in 2020. Dit kan zowel door scheiding aan de bron als via nascheiding. Ook dit doel is aangepast ten opzichte van de Balans van de Leefomgeving 2014, waarbij het oude doel was te komen tot 65% recycling van huishoudelijk afval in 2020. Het percentage huishoudelijk afval dat aan de bron wordt gescheiden schommelt al jaren rond de 50%. In 2016 bedraagt het percentage scheiding aan de bron 54% (CBS et al. 2016), door nascheiding van huishoudelijk afval komen daar nog enkele procenten bij. Het scheiden van 75% van het huishoudelijke afval in 2020 vergt een stijging van ongeveer 40% in 4 jaar ten opzichte van het huidige percentage. Het doel om 75% van het huishoudelijk afval gescheiden in te zamelen wordt waarschijnlijk niet gehaald, omdat de instrumentering nog onvoldoende aansluit.

De doelstelling voor afvalscheiding door huishoudens in 2020 is geconcretiseerd in een hoeveelheid huishoudelijk restafval (fijn en grof huishoudelijk restafval tezamen) van maximaal 100 kilogram per inwoner per jaar. Een doelstelling in kilogram restafval is een goede maat om inzichtelijk te maken hoeveel grondstoffen en materialen in de keten blijven. Tevens is het met deze doelstelling mogelijk om de ambities rond afvalpreventie tot uitdrukking te laten komen. Om een hoeveelheid van 100 kilogramrestafval per inwoner per jaar in 2020 te realiseren dient de hoeveelheid afvalscheiding fors toe te nemen (tot zeker 75%) en dient tevens minder afval geproduceerd te worden dan het huidige niveau. In 2015 lag de hoeveelheid huishoudelijk restafval nog op gemiddeld 230 kilogram per inwoner per jaar. Realisatie van dit doel vergt derhalve meer dan een halvering van de hoeveelheid restafval per persoon in vijf jaar. Dit betekent een trendbreuk en aanzienlijke versnelling ten opzichte van de trend in de afname van de hoeveelheid restafval. De huidige trend wordt overigens beïnvloed door de economische crisis. Het is dan ook de verwachting dat dit doel niet zal worden gehaald in 2020. Hiervoor gelden vergelijkbare argumenten als bij het scheiden van huishoudelijk afval. De periode waarin beleid effect moet hebben is 5 jaar, de beleidsopgave is nog groot en nadere uitwerking en instrumentering van beleid lijkt nodig.

Veel gemeenten zijn nadrukkelijk aan de slag met verdergaande afvalscheiding. Diverse voorbeelden uit de praktijk laten zien dat veel mogelijk is en ook gerealiseerd wordt. Met name de invoering van diftar en/of omgekeerd inzamelen leidt tot aanzienlijke afnames in de hoeveelheid restafval (diftar staat voor gedifferentieerde tarieven waarbij per huishouden geregistreerd wordt hoeveel afval aangeboden wordt en hoe meer afval een burger aanbiedt hoe hoger de afvalstoffenheffing). Het is dan ook de verwachting dat in 2020 wel degelijk flinke stappen zijn gezet. In het Publiek Kader voor huishoudelijk afval hebben partijen de uitganspunten vastgelegd om tot 75% gescheiden inzameling en 100 kilogram afval per inwoner te komen, zoals de vervuiler betaalt en het verbreden van de producentenverantwoordelijkheid (IenM, VNG & NVRD, 2014). Nadere uitwerking en instrumentering hiervan blijft echter nodig. Zo is nog niet duidelijk voor welke productstromen de producentenverantwoordelijkheid zal gelden en is er geen sanctie als gemeenten hun doelen niet realiseren. Daarnaast is er weinig aandacht voor de gevestigde belangen, zoals AVI’s die geen belang hebben bij meer gescheiden ingezameld afval. Op dit moment leidt de overcapaciteit bij AVI’s voor Nederlands afval tot lage verbrandingstarieven wat recycling kan frustreren (Rood en Hanemaaijer, 2014).

Verbranden en storten van afval halveren

Het doel om de hoeveelheid te storten en verbranden Nederlands afval te halveren in 10 jaar wordt naar verwachting niet gehaald in 2022. De hoeveelheid Nederlands verbrand en gestort afval is tussen 2012 en 2014 met circa 15% afgenomen. Er is 0,5 Mton minder afval verbrand en ongeveer 1 Mton afval minder gestort. Met het oog op het halveren van de hoeveelheid te storten en te verbranden Nederlands afval, is het van belang dat de hoeveelheid gerecycled huishoudelijk afval nog aanzienlijk toeneemt.

Kijken we afzonderlijk naar de hoeveelheden verbrand en gestort afval dan blijkt dat de hoeveelheid verbrand afval is tussen 2010 en 2014 toegenomen van 6,5 Mton naar 7,6 Mton. De hoeveelheid Nederlands afval die is verbrand is tussen 2012 en 2014 echter afgenomen van 6,5 Mton naar 6 Mton. De totale hoeveelheid gestort afval is tussen 2012 en 2014 met 32 procent afgenomen. Dit kan grotendeels verklaard worden doordat per 1 januari 2012 de belasting op storten is afgeschaft en in afwachting hiervan is geanticipeerd door veel inert materiaal in opslag te nemen tot na 1 januari 2012. Het opgeslagen afval is vervolgens na 1 januari 2012 gestort. De hoeveelheid gestort afval ligt in 2014 op een vergelijkbaar niveau als in 2010.

Kijken we wat verder terug in de tijd dan zien we dat er steeds minder afval op de stort belandt in Nederland; het percentage storten is in ons land een van de laagste binnen de EU. Storten van afval is door het gevoerde beleid (stortverboden en stortbelasting) sinds 2000 verder afgenomen van 6,5 naar circa 2 Mton in 2014.

Op dit moment bestaat nog enige onduidelijkheid over de vraag op welke wijze de totale hoeveelheid verbrand en gestort Nederlands afval exact moet worden bepaald. Uitgaande van de totale hoeveelheid verbrand en gestort afval in Nederland minus de invoer van afval naar onze afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) uit het buitenland gaat het in 2012 om 9,8 Mton en in 2014 om 8,2 Mton. Na verbranding resteren er echter bodemassen, waaruit metalen worden terug gewonnen en bodemassen worden vervolgens ook gestort. Indien hiervoor wordt gecorrigeerd om dubbeltellingen voor afval te voorkomen, dan bedraagt de totale hoeveelheid afval in 2012 9,2 en in 2014 7,9 Mton. Voor storten gaat het afhankelijk van de gehanteerde methode tussen 2012 en 2014 om een afname van 1,1 of 0,9 Mton afval, ofwel 1 Mton. De bovengenoemde uitspraken over doelbereik lijken in die zin dan ook niet gevoelig voor de gehanteerde methode. Wel is het zaak om voor deze doelstelling tot een afgestemde meetmethode te komen.

Afvaldoelen opnieuw vastgesteld

In december 2014 is de tweede wijziging van het tweede Landelijk afvalbeheerplan (2009-2021) vastgesteld (IenM, 2014a). LAP2 beschrijft het afvalbeleid voor zes jaar met een doorkijk naar 2021. Hieronder vallen in principe alle afvalstoffen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. In algemene zin richt het afvalstoffenbeleid zich op het beperken van het ontstaan van afvalstoffen, het beperken van de milieudruk van de activiteit ‘afvalbeheer’ en het vanuit ketengericht afvalbeleid beperken van de milieudruk van productketens. Meer specifiek gaat het daarbij onder andere om de volgende doelen en ambities voor de jaren 2012, 2015 en/of 2021:

  • Het stimuleren van preventie van afvalstoffen, zodanig dat het totaal afvalaanbod niet verder groeit dan 68 Mton in 2015 en 74 Mton in 2021;
  • Het verhogen van het aandeel nuttige toepassing van afvalstoffen naar 95% in 2015;
  • Het verhogen van het aandeel nuttige toepassing van huishoudelijk afval naar 99% in 2015;
  • Het tot nul reduceren van het storten van brandbaar afval in 2012;
  • Het reduceren van 20% milieudruk in 2015 voor zeven specifiek geselecteerde afvalstromen.

Zie voor een uitgebreide toelichting de themapagina afvalbeheer van het Compendium van de Leefomgeving (CBS et al. 2015).

Transitie naar een circulaire economie

Bij een circulaire economie gaat het om het sluiten van kringlopen. Sluiten van kringlopen betekent onder andere dat het van belang is om te voorkomen dat grondstoffen de keten verlaten. De hoeveelheid Nederlands afval die wordt gestort en verbrand geeft hier zicht op.
In 2014 is het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) vastgesteld. Dit programma heeft tot doel de transitie naar een circulaire economie te bevorderen (IenM 2014b). Het programma VANG richt zich op meer duurzame producten op de markt brengen, duurzamer consumeren, en meer en beter recyclen. Om dit te realiseren zijn in VANG de nodige acties opgenomen en heeft het kabinet Rutte II de volgende ambities geformuleerd:

  • het benutten van economische kansen via innovatie,
  • het wegnemen van belemmeringen voor ondernemers,
  • het halveren van de hoeveelheid gestort en verbrand afval en
  • het beter scheiden van afval (75 procent van het huishoudelijk afval in 2020).

Na het verschijnen van de vorige Balans van de Leefomgeving is in september 2016 het Rijksbrede programma circulaire economie gepubliceerd. In dit programma schetst het kabinet Rutte II haar ambitie en aanpak voor wat betreft de inzet van grondstoffen om te komen tot een toekomstbestendige en duurzame economie (IenM en EZ 2016 a en b). De eerder geformuleerde ambities en doelen in Van Afval Naar Grondstof blijven gelden.
Het Rijksbrede programma circulaire economie gaat echter verder en richt zich op het realiseren van een volledig circulaire economie vóór 2050. De ambitie is om samen met maatschappelijke partners in 2030 een (tussen)doelstelling te realiseren van 50% minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen) (IenM en EZ 2016 a en b). De ambitie om te komen tot een Circulaire Economie is inmiddels onderschreven door een brede coalitie van maatschappelijke van meer dan 300 partijen in het Grondstoffenakkoord en wordt nader uitgewerkt in transitieagenda’s voor de prioritaire thema’s die in het Rijksbreed Programma CE worden benoemd (IenM en EZ 2017). Deze vijf thema’s zijn Biomassa en voedsel; Kunststoffen; Maakindustrie; Bouw; en Consumptiegoederen.

Referenties

Naam van het gegeven

Afvalproductie en afvalverwerking

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteurs: Aldert Hanemaaijer en Trudy Rood

Geografisch verdeling

Nederland