Balans van de Leefomgeving

Gemiddelde jaarlijkse energiebesparingstempo neemt toe

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Energiebesparingstempo

Tussen 2000 en 2010 bedroeg het energiebesparingstempo in Nederland gemiddeld 1,1 procent per jaar. Dit besparingstempo is bepaald op basis van het Protocol Monitoring Energiebesparing. Bij vastgesteld beleid zal het besparingstempo in de periode 2013 – 2020 naar verwachting rond de 1,4 procent per jaar liggen. Deze toename ten opzichte van het al gerealiseerde aandeel komt voornamelijk door de afspraken die in het Energieakkoord zijn gemaakt. Van de totale stijging, 0,4 procent per jaar in de periode van 2013 tot en met 2020, komt circa 0,3 procent voor rekening van de extra finale besparingen door de Energieakkoord-maatregelen. De sluiting van de oudere – minder efficiënte – kolencentrales draagt circa 0,1 procent bij. (NEV 2016).

Sinds 2016 zijn verschillende maatregelen mbt energiebesparing aangekondigd. Als onderdeel van het energieakkoord heeft de industriële sector een toezegging gedaan voor 9 PJ additionele finale energiebesparing in 2020. Dit is vastgelegd in addendum op het MEE-convenant (Meerjarenafspraak Energie-efficiëntie ETS-ondernemingen) (Rijksoverheid, 24 april 2017).

Tevens is er overeenstemming bereikt met energieleveranciers, netbeheerders en aanbieders van besparingsproducten en -diensten over een convenant voor 10 PJ energiebesparing in de gebouwde omgeving in 2020. (Rijksoverheid 23 mei 2017).
Resultaten van deze nieuwe afspraken zullen in de NEV van 2017 nader worden geanalyseerd.
Het wordt vooral in de gebouwde omgeving steeds lastiger om energie te besparen. Maatregelen zoals HR-ketels en dubbel glas zorgden in het verleden voor veel energiebesparing, maar zijn nu in veel woningen al toegepast. Voor verdere verlaging van het fossiele energiegebruik wordt de aandacht deels verlegd naar hernieuwbare energie zoals zoninstraling (pv) en omgevingswarmte (warmtepompen). Dit leidt weliswaar tot lager elektriciteits- of gasverbruik op de energierekening, maar verlaagt het energieverbruik zelf niet. (NEV 2015).

Energiebesparing is Nederland via drie methodieken gedefinieerd:

  • het Protocol Monitoring energiebesparing (PME)
  • volgens de Europese richtlijn energie-efficiëntie (EER)
  • besparingsdoel uit het Energieakkoord (EA)

Daarnaast wordt ook over energie-efficiëntie gesproken in specifieke definities. Hiermee is energiebesparing een complex en moeilijk meetbaar begrip.
Daarnaast wordt ook over energie-efficiëntie gesproken in specifieke definities. Hiermee is energiebesparing een complex en moeilijk meetbaar begrip.

Vergelijkingstabel verschillende energiebesparing definities
  Protocol Monitoring energiebesparing (PME) Besparingsdoel Energieakkoord (EA) Europese richtlijn energie-efficiëntie (EER)
Formeel doel Nee 100 PJ in 2020 482 PJ 2014-2020
Primair of finaal Primair Finaal Finaal
Aanbod Warmte Kracht Koppeling Ja Nee Nee
Vraagreductie Ja Ja Ja
Hernieuwbaar achter de meter Nee Ja Ja

Protocol Monitoring energiebesparing

Het PME protocol (Gerdes & Boonekamp 2012) is als enige van de hierboven genoemde definities geschikt om trends in het verleden, heden en toekomst in kaart te brengen. In tegenstelling tot de andere twee methoden wordt in dit protocol wel rekening gehouden met warmte kracht koppeling (WKK) en kijkt het naar besparing van primaire energie, dus ook de besparing van vermeden energieverbruik bij de elektriciteitsopwekking en raffinaderijen. Hernieuwbare energie achter de meter telt hier niet mee als energiebesparing, terwijl dit wel een rol speelt bij bijvoorbeeld energieprestatienormen en energielabels bij gebouwen.

Europese richtlijn energie-efficiëntie

Nederland heeft in het kader van de Europese richtlijn energie-efficiëntie een doelstelling van 482 PJ in 2020. Bij vastgesteld beleid ligt de verwachte realisatie cumulatief op 473 petajoule (bandbreedte 428-587 petajoule) en bij voorgenomen beleid cumulatief op 520 petajoule (bandbreedte 474-636 petajoule) Bij voorgenomen beleid wordt dit doel behaald (NEV 2016).

Binnen Europa is afgesproken dat landen 1,5% energie per jaar besparen in de periode 2013-2020. Evenals bij het Energieakkoord, maar anders dan bij het Protocol Monitoring Energiebesparing kan het EER behalve echte efficiëntiemaatregelen ook volume- en structuureffecten (omvang en gedrag) behelzen. Energiebesparing door aanbodtechnieken – WKK en efficiëntere elektriciteitscentrales – telt in richtlijn EER niet mee. Dit is dus anders dan bij het Protocol Monitoring Energiebesparing. Kleinschalig hernieuwbaar achter de meter, zoals zon-PV, warmtepompen en zonneboilers, telt wel mee als besparing in de EER. Inzet van biomassa telt echter niet mee. Verder tellen alleen de besparingseffecten mee die aan nationaal beleid zijn toe te rekenen. Dit is een belangrijk verschil met het Energieakkoord (NEV 2015).

Besparingsdoel uit het Energieakkoord

De deelnemers aan het Energieakkoord (SER 2013) hebben afgesproken 100 PJ extra in 2020 te besparen als gevolg van de afspraken die zijn vastgelegd in het akkoord. Deze besparing richt zich voornamelijk op het eindgebruik van energie, ook wel finaal energiegebruik genoemd.

Het in het Energieakkoord gestelde doel om 100 petajoule extra aan energie te besparen wordt, bij een verwachting van 68 petajoule, waarschijnlijk niet gehaald. De bandbreedte rond deze projectie is 37-99 petajoule en bestaat deels uit de onzekerheid over de exacte uitvoering van bepaalde maatregelen, en deels uit beleidsonafhankelijke factoren (NEV 2016).

Het vergelijken van de drie definities, die onderling van elkaar verschillen op meer details is complex en in dit kader niet uitgewerkt.

Naam van het gegeven

Energiebesparing

Omschrijving

Energiebesparing in Nederland

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteur Jeroen Peters

Geografisch verdeling

Nederland