Balans van de Leefomgeving

Aandeel hernieuwbare energie in zicht al wordt het doel voor 2020 waarschijnlijk niet gehaald.

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Aandeel hernieuwbare energie in Nederland neemt licht toe maar 2020 doelstelling is niet binnen bereik

Aandeel hernieuwbare energie in Nederland neemt licht toe maar 2020 doelstelling is niet binnen bereik

Aandeel hernieuwbare energie

In de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 is vastgelegd dat 14 procent van het bruto energetisch eindverbruik van energie in 2020 afkomstig moet zijn van hernieuwbare energiebronnen (Europese Commissie 2009). In het Energieakkoord voor duurzame groei (SER 2013) is een doel gesteld van 16% hernieuwbare energie in 2023. In 2016 is het aandeel hernieuwbare energie licht toegenomen naar 5,9% ten opzichte van 2015.

Naast deze doelstellingen voor hernieuwbare energie in het algemeen is er een doelstelling om te komen tot een aandeel van 10% hernieuwbare energie in het wegtransport in 2020 (Europese Commissie 2009). In de Nederlandse wetgeving is vastgelegd dat leveranciers van benzine en diesel aan vervoer een gedeelte van de door hen geleverde energie uit hernieuwbare energie moeten laten bestaan. Sinds 2015 daalt het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik voor vervoer. In 2016 nam het aandeel, net als in 2015, met bijna één procentpunt af tot 4.6 procent. Palm- en sojaolie zijn in 2016 niet meer bijgemengd. Biodiesel bestond bijna geheel uit dubbel tellende geavanceerde biobrandstoffen zoals bijvoorbeeld gebruikt frituurvet (Rijksoverheid 3 juli 2017). Zie ook de indicator Verbruik van hernieuwbare energie voor vervoer in het Compendium van de Leefomgeving.

Op basis van het huidige beleid was de verwachting eind 2016 dat de 14% doelstelling in 2020 zoals afgesproken is in Europees verband, net niet wordt gehaald. Wel leek het doelbereik uit het Energieakkoord van 16% in 2023 in zicht. Ontwikkelingen bij wind op zee, kleinschalige hernieuwbare productie en totaal energiegebruik zijn bijvoorbeeld gunstig voor het aandeel hernieuwbaar, terwijl de iets minder stormachtige groei van zonnestroom, beperktere mogelijkheden voor industriële vergisting, en kleinere warmteproductie uit afvalverbrandingsinstallaties ongunstig uitpakken. (K. Schoots, M. Hekkenberg en P. Hammingh (2016). De Nationale Energieverkenning 2017 komt met een recenter beeld.

Beleidsinstrumenten

Om het aandeel hernieuwbare energie te laten toenemen nemen zet het Nederlandse beleid in op de volgende instrumenten:

  • Via de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE-plus) worden hernieuwbare energieprojecten financieel ondersteund, door de meerkosten te vergoeden ten opzichte van fossiele energie. Het gaat daarbij om hernieuwbare elektriciteit (zoals wind en zon-PV), hernieuwbare warmte (zoals bodemwarmte en buitenluchtwarmte) en hernieuwbaar gas (zoals gas uit vergisting van biomassa).
  • Via een bijmengverplichting voor biobrandstof in transportbrandstoffen. Op dit moment worden enkele procenten biobrandstoffen bijgemengd in benzine en diesel.
  • Via (gedeeltelijke) vrijstelling van de energiebelasting voor decentraal opgewekte zon-PV.
  • De Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) voorziet in een tegemoetkoming krijgen voor de aanschaf van zonneboilers, warmtepompen, biomassaketels en pelletkachels. De regeling is voor zowel particulieren als zakelijke gebruikers.

Eindverbruik hernieuwbare energie in Europa

Europa als geheel heeft een doelstelling voor het aandeel hernieuwbare energie van 20% in het finale energieverbruik. In 2015 is dit aandeel in Europa als geheel voor 16.7% gerealiseerd. Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn nog ver verwijderd van hun doelstelling van respectievelijk 23%, 14% en 15%. Het gerealiseerde aandeel blijft op dit moment beperkt tot 15,2% voor Frankrijk, 8,2% in het Verenigd Koninkrijk en 5,8% in Nederland in 2015 (Eurostat 2017).

2015 is in Europa als geheel 16.7% gerealiseerd. Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn nog ver verwijderd van hun doelstelling.

2015 is in Europa als geheel 16.7% gerealiseerd. Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn nog ver verwijderd van hun doelstelling.

Referenties