Balans van de Leefomgeving

Wind op zee op koers, op land haalbaarheid onzeker, kosten wind op zee gedaald

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Wind op land

Het operationeel vermogen van wind op land is in 2016 met bijna 347 MW gestegen naar 3297 MW (CBS 2017), goed voor ongeveer 55% van de in het Energieakkoord afgesproken doelstelling van 6.000 MW in 2020. Vooral de oplevering van een groot deel van Windpark Noordoostpolder heeft, net zoals in 2015, aan deze recente stijging aan opgesteld vermogen bijgedragen.

Het vermogen wind op land is in 2016 gestegen naar ruim 3297 MW. Dit is goed voor ongeveer 55% van de doelstelling in 2020

Het vermogen wind op land is in 2016 gestegen naar ruim 3297 MW. Dit is goed voor ongeveer 55% van de doelstelling in 2020

Voor eind 2020 zal volgens de Monitor wind op land 2016 (RVO 2017) 4.576 MW productief opgesteld zijn. Voor nog eens ruim 331 MW is realisatie voor 2020 aannemelijk maar dit deel van de projecten is kwetsbaar voor vertraging door knelpunten en/of benodigde doorlooptijd van alle procedures. Voor de overige 1093 MW geldt dat de daarvoor benodigde projecten nog vele knelpunten en onzekerheden kennen. Deze resterende opgave is in 2016 van 758 (2015) naar 1093 MW toegenomen. Het is daarom volgens RVO (zeer) onzeker of dit deel van de projecten tijdig operationeel zal zijn. Soms kan door toepassing van de gemeentelijke of provinciale coördinatieregeling het tijdspad worden verkort.

Als de minimaal benodigde opgave voor Nederland (1093 MW) wordt doorvertaald naar de provinciale doelstellingen ontstaat een beeld van de noodzakelijke opgave. De Monitor Wind op land 2016 (RVO 2017) geeft aan dat in de provincies Flevoland (0.1%), Fryslân/Friesland (3%), Noord-Holland (5%) en Zeeland (8%) het (zeer) onzekere deel van de restopgave minder dan 10% is. Overijssel (19%), Gelderland (20%) en Groningen (24%) volgen. Bij de overige provincies loopt dit op van 38% in Drenthe, Zuid-Holland 39%, Noord-Brabant 46%, Utrecht met 52%, tot Limburg 87% van de minimaal benodigde opgave in de provincie. RVO beoordeelt deze percentages als (zeer) onzeker dan wel onduidelijk” wat betreft haalbaarheid in 2020.

Wind op zee

Het in 2007 geopende Offshore Windpark Egmond aan Zee (108 MW) was het eerste windpark voor Nederland kust. In 2008 volgde het Prinses Amalia Windpark (120 MW) op 18 kilometer uit de kust van IJmuiden. Na een stagnatie van enkele jaren is in 2015 het windpark Luchterduinen (23 kilometer uit de kust bij Noordwijk aan Zee) met in totaal 129 MW aan capaciteit op zee bijgeplaatst. In 2016 zijn Noordelijk van Schiermonnikoog en Ameland twee windparken (Gemini) met een gezamenlijk vermogen van 600 megawatt gerealiseerd (Noordzeeloket 2017). Hiermee is de totale capaciteit toegenomen tot 957 MW (CBS 2017). In 2016 is daarmee 21% van de in het Energieakkoord in 2023 voorziene 4.450MW aan windenergie op zee gerealiseerd.

In het Energieakkoord (SER 2013) is een tenderpad afgesproken met een taakstellend kostendalingspad van 40% kostenreductie voor windenergie op zee in de periode van 2013 tot 2023. Ontwikkelingen in de periode tussen 2014 en 2016 laten zien dat dit realistisch is. Zo is eind 2016 het kostendalingspad bij het aanbesteden van de eerste twee kavels van het windenergiegebied Borssele van 40% al gehaald inclusief netaansluiting (EZ 2016). Het winnend tenderbod voor een basisbedrag van 7,27 ct/kWh ligt beduidend lager dan het maximum tenderbod van 12,4 ct/kWh. Dit verschil kan grotendeels verklaard worden door de kostenverlagende ontwikkelingen die in de wind-op-zeesector zijn doorgevoerd.
Hierbij kan gedacht worden aan goedkoper risicobeheer, technische opschaling en efficiënter onderhoud (NEV 2016).

In 2016 is 21% van de in het Energieakkoord in 2023 voorziene 4450MW aan windenergie op zee gerealiseerd.

In 2016 is 21% van de in het Energieakkoord in 2023 voorziene 4450MW aan windenergie op zee gerealiseerd.

In 2017 is in Duitsland een tender uitschreven voor windenergieparken op zee die deels zonder subsidie zullen worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling is niet geheel te vergelijken met Nederlandse situatie maar illustreert wel een ontwikkeling dat de internationale kostendaling die de afgelopen jaren is gerealiseerd (tevens in Denemarken) zich voortzet. Deze ontwikkeling zou ook zijn weerslag kunnen vinden op actuele tenders in Nederland zoals de windparken voor de Hollandse Kust die in 2017-2019 plaatsvinden (EZ 2017).

Referenties

  • CBS (2017), Windenergie op land; productie en capaciteit per provincie, Statline 12 juli 2017. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
  • EZ (2016), Uitslag tender windenergie op zee voor eerste twee kavels van windenergiegebied Borssele. Den Haag: Ministerie van Economische zaken.
  • EZ (2017) Aanpak tenders windenergie op zee, Den Haag: Ministerie van Economische zaken.
  • Noordzeeloket.nl (2017), Bestaande windparken. geraadpleegd op 26 juli 2017.
  • Schoots K, Hekkenberg M en Hammingh P, Nationale Energieverkenning 2016, Petten/Den Haag: Energie Centrum Nederland/Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Bureau Statistiek/Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
  • RVO (2017), RVO Monitor Wind op Land 2016; Vierde editie, mei 2017. Den Haag: Rijksdienst voor ondernemend Nederland.
  • SER (2013), Energieakkoord voor duurzame groei. Den Haag: Sociaal-Economische Raad (SER).

Naam van het gegeven

Windenergie op zee en land

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving