Balans van de Leefomgeving

Het mestproductieplafond voor stikstof wordt niet overschreden, het fosfaatplafond lijkt in 2017 ook haalbaar

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Het mestproductieplafond is gekoppeld aan de derogatie van de Europese Commissie. In 2016 was de stikstofproductie gelijk aan het plafond, terwijl voor fosfaat sprake was van een overschrijding van het plafond met 2,3 miljoen kg. Intussen is een pakket aan maatregelen van kracht geworden, teneinde eind 2017 weer onder het mestproductieplafond te komen. Op basis van de ontwikkelingen in de eerste helft van 2017 zouden de afspraken over de fosfaatproductie voor 2017 haalbaar kunnen zijn

De stikstofproductie ligt onder het mestproductieplafond. In 2015 en 2016 werd het fosfaatplafond overschreden.

De stikstofproductie ligt onder het mestproductieplafond. In 2015 en 2016 werd het fosfaatplafond overschreden.

Stikstof- en fosfaatplafond gekoppeld aan derogatie

Nederland heeft met de Europese Commissie afgesproken om de uitscheiding van stikstof en fosfaat door de Nederlandse veestapel aan een plafond te binden. Dit houdt in dat de uitscheiding niet boven het niveau van 2002 mag uitkomen, te weten 504 miljoen kilogram stikstof en 173 miljoen kilogram fosfaat.

Deze afspraak is onderdeel van de zogeheten derogatie: waar op grond van de Nitraatrichtlijn maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest mag worden gebruikt per hectare, staat de Europese Commissie Nederland een verruiming van deze norm toe (derogatie) tot een bemestingsniveau van 250 kg stikstof per hectare. Deze hogere bemestingsnorm geldt alleen bij het gebruik van graasdiermest. Daarnaast moet het bedrijfsareaal vanaf 2014 voor minstens 80 procent bestaan uit grasland. De derogatie voor zand- en lösspercelen in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg is vanaf 2014 beperkt tot 230 kg stikstof per hectare. Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie inzetten de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren (Fraters et al. 2016; Lukacs et al. 2016)

Ontwikkeling stikstof- en fosfaatproductie in dierlijke mest

Na een aanzienlijke groei in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw bereikte de productie van stikstof en fosfaat in dierlijke mest een piek in 1986. Als gevolg van de Beschikking Superheffing (1984), de mestwetgeving (1987) en de verlaging van het fosfaatgehalte van krachtvoer is na 1986 de mest- en mineralenproductie gedaald. Na de invoering van het mineralenaangiftesysteem (MINAS) op 1 januari 1998 nam de stikstofproductie versneld af. Na de overschakeling in 2006 van MINAS op gebruiksnormen nam de fosfaatproductie aanvankelijk toe om in de periode 2010-2012 weer te dalen. Vanaf 2013 nam de fosfaatproductie weer toe door uitbreiding van de melkveestapel, vooruitlopend op het afschaffen van de Europese melkquotering op 1 april 2015. Weliswaar groeide de veestapel al sinds 2007, maar de fosfaatuitscheiding van de veestapel als geheel daalde tot 2013, vooral door voermaatregelen. Sinds 2013 is de fosfaatuitscheiding toegenomen tot 180 miljoen kilogram in 2015 en daarna gedaald tot 175 miljoen kilogram in 2016. Inmiddels heeft Staatssecretaris van Dam de introductie van fosfaatrechten voor de melkveesector aangekondigd per 1 januari 2018 (EZ 2017). Voordat dit stelsel van fosfaatrechten van kracht kan worden, dient de fosfaatproductie weer onder het afgesproken niveau van 173 miljoen kilogram te liggen. Om dit te bereiken is het maatregelenpakket fosfaatreductie 2017 vastgelegd, bestaande uit: regeling fosfaatreductieplan 2017, subsidieregeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderij en voerspoor melkveehouderij. Dit pakket aan maatregelen lijkt zijn vruchten af te werpen. Voornamelijk door de afname van het aantal melkkoeien in de eerste helft van 2017, zouden de afspraken over de fosfaatproductie voor 2017 haalbaar kunnen zijn. Echter, het fosfaatreductieplan is door de rechter voor een deel van de melkveehouders buiten werking gesteld. Hierdoor is nog onduidelijk wat het totale effect van het reductieplan zal zijn en of het geheel aan maatregelen voldoende is om blijvend aan de Europese afspraken voor de derogatie te voldoen.

Nitraatconcentratie in bovenste grondwater alleen in löss- en zuidelijk zandgebied boven de doelstelling

Nitraatconcentratie in bovenste grondwater ligt alleen in löss- en zandgebieden boven de doelstelling.

Nitraatconcentratie in bovenste grondwater ligt alleen in löss- en zandgebieden boven de doelstelling.

Verschillen in nitraatconcentratie per gebied

In het veengebied en het kleigebied is de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater en drainwater al vele jaren lager dan de doelstelling van 50 milligram per liter. In het zandgebied ligt de gemiddelde concentratie in 2015 dichtbij de doelstelling. In het lössgebied en in het zuidelijk zandgebied liggen de concentraties boven de doelstelling.

Gemiddeld genomen voldoet het grondwater onder landbouwgrond in 2015 in het klei, veen- en zandgebied aan de doelstelling van 50 mg per liter, maar niet in het lössgebied. In het klei- en veengebied ligt de gemiddelde nitraatconcentratie ruim onder de doelstelling. Binnen het zandgebied zijn er grote verschillen. In het zuidelijk zandgebied (Noord-Brabant en Limburg), ligt de gemiddelde nitraatconcentratie nog ruim boven het nitraatdoel, terwijl in het noordelijk en centraal zandgebied gemiddeld het doel wordt bereikt. Gemiddeld doelbereik in het zandgebied betekent overigens in de praktijk dat bijna de helft van de bedrijven niet aan de norm voldoet. Dat de gemiddelde nitraatconcentratie in het zuidelijk zandgebied hoger is dan in de andere zandgebieden, komt onder andere doordat er hier meer uitspoelingsgevoelige gewassen (gedefinieerd als een gewas waarbij bij bemesting volgens advies de nitraatconcentratie van 50 milligram per liter wordt overschreden) worden geteeld, meer bodems voorkomen die gevoelig zijn voor uitspoeling van stikstof en aanwezigheid van veel intensieve veehouderijbedrijven (hokdierbedrijven) met veel mest en weinig grond.

Gemiddeld daalde de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater in het zandgebied tussen 1992 en 2002 met meer dan 60 procent. Na 2003 vlakt de verbetering af. Deze afvlakking is er ook als de concentraties gecorrigeerd worden voor verschillen in neerslagoverschot en steekproefgrootte tussen de meetjaren. In het lössgebied worden de hoogste nitraatconcentraties gevonden. Tussen 2005 en 2015 dalen hier de concentraties gestaag maar het overall trendbeeld is vergelijkbaar met het beeld voor het zandgebied. Voor het kleigebied is er sinds 2004 een gestage daling.

Afname stikstofoverschotten zet door

Het stikstofoverschot (verschil tussen aanvoer en gewasafvoer) op landbouwgronden is de drijvende kracht voor de nitraatuitspoeling.
Het stikstofoverschot daalt sinds 1986 en deze trend zet nog steeds door. Sinds 2006, het jaar waarin het gebruiksnormenstelsel voor mest werd geïntroduceerd is het overschot van stikstof met een derde verder verminderd. De aanvoer van stikstof nam af door zowel minder gebruik van dierlijke mest als van kunstmest. Behalve het mestbeleid speelt hierbij ook het duurder worden van kunstmest een rol. De aangevoerde meststoffen op landbouwgrond worden steeds beter benut: tussen 2011 en 2014 werd 60 procent van de op landbouwgrond aangevoerde stikstof omgezet in plantaardige productie.

Doelstelling nitraatrichtlijn nader bekeken

De doelstelling van 50 milligram nitraat per liter vloeit voort uit het primaire doel van de Nitraatrichtlijn dat is geformuleerd als “de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen”. De Nitraatrichtlijn schrijft niet precies voor wanneer Nederland volledig voldoet aan de eisen van deze richtlijn. Hierdoor zijn verschillende visies mogelijk op wat volledig doelbereik is. De forse aanscherping van de stikstofnormen voor de zuidelijke zandregio in het 5e Nederlandse Actieprogramma suggereert dat bij de beoordeling ook doelbereik op regionaal niveau en verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater een rol spelen. In 2017 starten de onderhandelingen over het zesde Nederlandse Actieprogramma.

Referenties

Naam van het gegeven

Mest en nitraat

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving: Albert Bleeker en Sonja Kruitwagen (PBL/WLV)

Berekeningswijze

Cijfers over mestproductie zijn afkomstig van CBS en over nitraatconcentraties in het bovenste grondwater van het RIVM-LMM

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks