Balans van de Leefomgeving

De daling van de gemiddelde ecosysteemkwaliteit in natuurgebieden op het land is gestopt en gemiddeld lijkt er recent sprake van een kleine verbetering

U bekijkt momenteel een archief-versie van deze indicator. Deze indicator is inmiddels geactualiseerd. De actuele versie kunt u hier bekijken.

Behoud en ontwikkeling van (inter)nationale natuurwaarden vormen een belangrijke doelstelling van het natuurbeleid vanuit de Conventie voor Biologische Diversiteit, de EU-Vogel- en Habitatrichtlijn en de EU-biodiversiteitstrategie. Deze waarden bevinden zich met name in het Natuurnetwerk Nederland, vooral in Natura-2000 gebieden, maar ook erbuiten. Beleid richt zich enerzijds op het behoud en versterken van populatie van afzonderlijke soorten en daarnaast op het verhogen van de kwaliteit van ecosystemen. Die ecosysteemkwaliteit wordt veelal (deels) afgemeten aan voorkomen van een set van soorten.

Metingen laten zien dat vanaf 1994 de gemiddelde kwaliteit van landnatuur is afgenomen, maar de laatste jaren is de achteruitgang gestopt. Per ecosysteem is dit echter verschillend. De daling in kwaliteit van half-natuurlijk grasland en moeras gestopt, terwijl de trends van open duin, bos en heide nog steeds dalende zijn.

Metingen laten zien dat vanaf 1994 de gemiddelde kwaliteit van landnatuur is afgenomen, maar de laatste jaren is de achteruitgang gestopt. Per ecosysteem is dit echter verschillend. De daling in kwaliteit van half-natuurlijk grasland en moeras gestopt, terwijl de trends van open duin, bos en heide nog steeds dalende zijn.

Daling gemiddelde ecosysteemkwaliteit in natuurgebieden is gestopt

Uit de metingen van een set aan karakteristieke en doelsoorten blijkt dat vanaf 1994 de gemiddelde kwaliteit van landnatuur is afgenomen. De laatste jaren is deze afname gestagneerd en neemt de kwaliteit zelfs weer iets toe. Dit beeld is consistent met de trend van diersoorten van natuurgebieden op het land.

Voor individuele ecosystemen is het beeld wisselend. Zo is de laatste jaren de afname van de kwaliteit van half-natuurlijk grasland en moeras gestopt, terwijl de kwaliteit van de open duin, bos en heide nog steeds daalt. Trends van diersoorten van moeras en bos laten een wat positiever beeld zien.

De trendfiguur laat verder zien dat de ecosysteemkwaliteit van landnatuur lager is dan in een intact ecosysteem (index=100%) het geval zou zijn. Met een intact ecosysteem wordt gerefereerd aan een ecosysteem dat niet is aangetast door vermesting, verdroging, versnippering en dergelijke. Gemiddeld over de ecosysteemtypen ligt de huidige ecosysteemkwaliteit rond de 40%.

De ecosysteemkwaliteit van oppervlaktewater laat een beeld vergelijkbaar met landnatuur zien; de gemiddelde kwaliteit is niet optimaal, maar sinds 1990 soms wel licht stijgend (data 1990-2010). Dit geldt vooral voor beken en meren, in sloten is de kwaliteit over genoemde periode gelijk gebleven. Hierbij is gekeken naar het voorkomen van macrofauna en waterplanten soorten waarbij de kwaliteitsbeoordeling is gebaseerd op de KRW maatlatten. Zie ook het doelbereik KRW beoordeling van de biologische kwaliteit van oppervlaktewateren.

Hoge kwaliteit vooral in duingebieden, grootste verandering in heide

Naast inzicht in de boven beschreven gemiddelde landelijke ontwikkelingen in ecosysteemkwaliteit is inzicht in de kwaliteit per locatie of op gebiedsniveau relevant. Dit kan bijvoorbeeld met de gebiedsbeoordeling van de provincies. Deze kijkt naar het gezamenlijk voorkomen van zogenoemde kwalificerende soorten en beoordeelt onder andere op basis daarvan wat de lokale natuurkwaliteit is (Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurkwaliteit; WMBN). Er zijn echter nu nog onvoldoende gegevens verzameld om de natuurkwaliteit precies volgens de WMBN te bepalen. Daarom wordt hier een benadering van de WMBN-werkwijze gehanteerd. Daarbij wordt gekeken hoe de kwaliteit van ecosystemen zich over het huidige natuurareaal verdeeld. De kwaliteitsbeoordeling is daarbij gebaseerd op de mate waarin kwalificerende soorten van vlinders, planten en vogels gezamenlijk in een natuurgebied voorkomen, afgezet tegen het maximum aantal aangetroffen kwalificerende soorten.

In ongeveer dertig procent van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit bovengemiddeld hoog. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden

In ongeveer dertig procent van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit bovengemiddeld hoog. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden.
Het areaal met (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit is sinds 2000 afgenomen, vooral bij heide.

Het areaal met (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit is sinds 2000 afgenomen, vooral bij heide.

In ongeveer dertig procent van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit vrij hoog tot hoog. Dat wil zeggen, hier komen in alle beheertypen meer dan 50% van het maximum aantal aangetroffen kwalificerende soorten voor. Dit laat net als bij de eerdere indicator zien dat de natuurkwaliteit veelal niet optimaal is. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden. De ecosysteemtypen halfnatuurlijk grasland en moeras hebben veel areaal met weinig kwalificerende soorten en hebben daarom een relatief lage kwaliteit.

Wanneer de afgelopen periode (2006-2012) wordt vergeleken met de periode daarvoor (2000-2005), dan blijkt het areaal met een (vrij) hoog aantal kwalificerende soorten tot 2012 afgenomen. Vooral in de heide nam het areaal met een (vrij) hoog aantal kwalificerende soorten af, en het areaal met een (vrij) laag aantal toe. Ook dit is in lijn met de relatief grote afname van fauna in open natuurgebieden die is waargenomen vanaf 1990.

Wat betreft de kwaliteit van wateren verwijst de provinciale werkwijze (WMBN) naar de maatlatten van de KRW. Beoordeling van waterlichamen met de biologische maatlatten van de KRW laat zien dat de meeste waterlichamen niet voldoen aan de gewenste biologische kwaliteit. Dit geldt voor zowel algen, waterplanten, vissen als macrofauna. Ook is zichtbaar dat, afgemeten aan het voorkomen van doelsoorten, de kwaliteit van wateren laag is. In beken en kleine rivieren is het voorkomen van doelsoorten in de periode 1996-2006 licht gestegen is ten opzichte van de periode 1980-1995. In grotere rivieren is een verbetering zichtbaar geweest in die perioden.

Hoge ecosysteemkwaliteit te vinden in grotere gebieden met goede milieu- en ruimtelijke condities

Ontginningen, landbouwintensiveringen en verstedelijking hebben geleid tot een afname van het areaal van natuurlijke ecosystemen. De kwaliteit van overgebleven ecosystemen in Nederland is afgelopen decennia afgenomen door vermesting, verzuring, verdroging, slechte waterkwaliteit en het gebrek aan ruimtelijke samenhang. De precieze oorzaken en de mate waarin dit voorkomt verschilt per ecosysteemtype en per regio. Sinds 1990 is de milieudruk, zoals bemeten aan emissies en deposities, afgenomen en zijn ruimtelijke condities verbeterd met de inrichting van het Natuurnetwerk Nederland.

Plekken met een bovengemiddeld aantal kwalificerende soorten vinden we nu vooral in de grotere natuurgebieden, zoals de duingebieden, de Veluwe en enkele grotere moeras- en heidegebieden. De hoge ecosysteemkwaliteit in deze gebieden is vooral het gevolg van de hier aanwezige variatie in water, milieu- en ruimtelijke condities, bijvoorbeeld door het voorkomen van reliëf en dynamische landschapsvormende processen. Ook een grotere mate van ruimtelijke samenhang en betere milieucondities doordat verstorende invloeden zich op grotere afstand bevinden, dragen in grotere gebieden bij aan de ecosysteemkwaliteit.
Kwaliteitsverschillen hebben ook te maken met regionale verschillen in milieudruk en milieugevoeligheid; zo is de natuur op arme zandgronden veel gevoeliger voor bijvoorbeeld vermesting en verzuring dan de natuur op kleigrond. Al deze factoren bepalen samen het voorkomen van kwalificerende soorten en dus de verschillen in ecosysteemkwaliteit.
Met het verbeteren van de milieu- en ruimtelijke condities kan de kwaliteit (ook buiten de grotere natuurgebieden) toenemen. De verwachting is dat door beheermaatregelen zoals ingezet door beleid het areaal van hoge ecosysteemkwaliteit zal kunnen toenemen.

Beleid streeft naar verbeteren ecosysteemkwaliteit

In internationaal verband heeft Nederland zich gecommitteerd aan de doelen van de Conventie voor Biologische Diversiteit, de EU-Vogel- en Habitatrichtlijn ((Natura 2000) en de EU-biodiversiteitstrategie. Het Rijk en de provincies hebben in het Natuurpact de ambitie afgesproken de kwaliteit van de natuur te verhogen door realisatie van het Natuurnetwerk en door extra inspanningen te richten op (herstel)beheer en maatregelen ter verbetering van water- en milieucondities.

De Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) is bedoeld voor het behoud en de verbetering van de natuur- en landschapskwaliteit in Nederland. Als uitvoerenden van het natuurbeleid willen de provincies weten of via het SNL-instrumentarium de beoogde ecosysteemkwaliteit (beleidsdoelen) kunnen worden gerealiseerd. Verder heeft ook de Rijksoverheid behoefte aan informatie over ecosysteemkwaliteit. Momenteel wordt data verzameld volgens de WMBN-werkwijze.

Referenties

  • Reijnen, M.J.S.M. ,A. van Hinsberg, M.L.P. van Esbroek, B. de Knegt, R. Pouwels, S. van Tol & J. Wiertz (2010). Natuurwaarde 2.0 land. Graadmeter ecosysteemkwaliteit landecosystemen voor nationale beleidsdoelen. WOt-rapport 110.
  • Van Beek, J.G, R.F. van Rosmalen, B.F. van Tooren & P.C. van der Molen (2014), Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS. Utrecht: BIJ12
  • Sanders, M.E. , G.W.W. Wamelink, R.M.A. Wegman & J. Clement (2016). Voortgang realisatie nationaal natuurbeleid; Technische achtergronden van een aantal indicatoren uit de digitale Balans van de Leefomgeving 2016. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-technical report 79.

Naam van het gegeven

1.Trend in kwaliteit van natuur2.Areaal ecosysteemkwaliteit

Omschrijving

1.Trend in de mate van voorkomen van kenmerkende soorten als proxy voor de gemiddelde kwaliteit van bos, heide, moeras, open duin en halfnatuurlijke graslanden. 2. Areaal met een bepaalde ecosysteemkwaliteit op basis van aantallen kwalificerende soorten ingedeeld in 4 klassen ten opzichte van het maximaal aantal aangetroffen kwalificerende soorten.

Verantwoordelijk instituut

1.Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) & Wageningen Environmental Research; auteur: Arjen van Hinsberg & Janien van der Greft-van Rossum 2. Wageningen Environmental Research, auteurs: Marlies Sanders, Bart de Knegt

Berekeningswijze

AlgemeenDe indicator Trend in ecosysteemkwaliteit geeft de kwaliteit van Nederlandse terrestrische ecosystemen aan sinds 1994, ten opzichte van intacte ecosystemen. De kwaliteit van ecosystemen wordt, vergelijkbaar met CBD en SEBI 2010, weergegeven op basis van de mate van voorkomen van kenmerkende soorten in ecosystemen (Reijnen et.al., 2010). Ecosystemen en soortenDe indicator Trend in ecosyteemkwaliteit onderscheidt 5 terrestrische ecosysteemtypen: Bos, Heide, Moeras, Open Duin en Halfnatuurlijk grasland. Deze ecosystemen zijn met behulp van de Fysisch Geografische Regiokaart onderverdeeld in 18 enkelvoudige strata, de kleinste ruimtelijke eenheden voor de indicator Trend in ecosysteemkwaliteit. Voor alle strata is een selectie gemaakt van kenmerkende soorten, gebaseerd op de doelsoorten uit Bal et al (2001) en aangevuld met typische soorten waarvoor soortdata beschikbaar zijn. In totaal omvat de indicator 457 soorten uit 4 soortgroepen: broedvogels, dagvlinders, reptielen en vaatplanten. Deze soorten zijn opgenomen in het NEM-meetnet (Netwerk Ecologische Monitoring).ReferentieKarakteristiek voor de indicator Trend in ecosysteemkwaliteit is de weergave van de huidige kwaliteit gerelateerd aan een relatief intact ecosysteem, dat wil zeggen dat het ecosysteem niet is aangetast door vermesting, verdroging, versnippering en dergelijke. Voor de invulling van de referentiebeelden hebben SOVON, de Vlinderstichting, RAVON, FLORON en Alterra per stratum de mate van voorkomen van de kenmerkende soorten in de referentiesituatie bepaald.SoortdataJaarlijks komen nieuwe soortdata beschikbaar via de NEM-monitoring. Deze monitoring wordt verzorgd door SOVON (broedvogels), De Vlinderstichting (dagvlinders), RAVON (reptielen) en LMF (flora). Het CBS bewerkt de monitoringsdata voor fauna tot soortindexen per stratum. Wageningen Environmental Research bewerkt de monitoringsdata voor flora tot soortindexen. TrendberekeningBeschikbare populatietrends van soorten geven aan hoe de populatieomvang verandert ten opzichte van de start van de monitoring van die soort. Deze populatietrends kunnen we relateren aan het voorkomen van deze soort in een (nagenoeg) intact ecosysteem; de dichtheid van voorkomen van een soort in de intacte situatie krijgt de indexwaarde 100, en de indexwaarden tussen 1994 en heden geven aan in welke mate de soort in hogere (waarde > 100) of lagere (waarde 0-100) dichtheid voorkomt ten opzichte van deze intacte situatie. Als soorten in hogere dichtheid voorkomen dan in een intacte situatie wordt de indexwaarde op 100 gemaximaliseerd. Het aandeel boven 100 wordt gezien als gezonde ecologische bandbreedte, en telt zo ook niet mee om soorten met lagere dichtheid te compenseren. De ecosysteemkwaliteit wordt tenslotte bepaald door rekenkundig middelen van de soortindexen van de soorten binnen het ecosysteem. Hierbij tellen alle kenmerkende soorten even zwaar mee, immers al deze soorten zijn van belang voor het goed functioneren van dit ecosysteem. De kwaliteit voor de gezamenlijke Nederlandse terrestrische ecosystemen wordt bepaald door rekenkundig middelen van de ecosysteemkwaliteit van de 5 ecosystemen. Met Genstat Release 18.1 zijn de trends getoetst op significantie. Voor enkele ecosystemen (moeras en half-natuurlijk grasland) was de 2e graads polynoom significant, voor andere ecosystemen (heide, bos en open duin) niet en was een lineair dalende trend nog steeds significant.De resultaten van de indicator ‘Trend in kwaliteit van natuur’ worden in grafiekvorm weergegeven, naar keuze per ecosysteem of voor de gezamenlijke Nederlandse terrestrische natuur. De indicator geeft zo de trend in de recente ecosysteemkwaliteit weer en de veranderingen ten opzichte van een intacte situatie. De LPI, waaronder de uitsnede ‘Trend fauna in natuurgebieden‘, is eveneens een trendindicator gebaseerd op soorten en geeft de aantalsontwikkeling van faunasoorten weer. 2. Areaal ecosysteemkwaliteitMomenteel wordt data verzameld voor de nieuwe – door de TBO’s ontwikkelde – systematiek voor de beheertypen van Index NL volgens de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk (WMBN)”. Er zijn echter nog geen gegevens voorhanden om de ecosysteemkwaliteit volgens de werkwijze van WMBN te presenteren.Ecosysteemkwaliteit is een subjectief begrip. De aanname is dat een heideveld bijvoorbeeld een ‘betere’ kwaliteit heeft als er meer kwalificerende of doelsoorten aanwezig zijn. Hoeveel soorten dat er maximaal kunnen zijn, verschilt per natuurtype (doeltype, beheertype etc). Op basis van verspreidingsgegevens vogels, vlinders, planten zijn aantallen kwalificerende soorten berekend per 250×250 meter gridcellen voor 2 perioden: 2000-2005 en 2006-2012. De aanwezigheid van soorten in gridcellen zonder waarnemingen zijn geschat. De methoden zijn beschreven voor planten (Sierdsema et al 2014), vogels (Sierdsema & Kampichler 2014) en dagvlinders (Van Swaay 2013). Van elke gridcel wordt het kwaliteitsniveau bepaald door het aantal aanwezige soorten te delen door het maximum aantal aangetroffen soorten in dat beheertype. De gridcellen met de meeste kwalificerende soorten vallen in de hoogste kwaliteitsklasse (75%-100% percentiel). In totaal zijn er vier ecosysteemkwaliteitsklassen gedefinieerd (0-25%, 25-50%, 50-75%, 75-100%). Het areaal wordt per kwaliteitsklasse en per ecosysteemtype gesommeerd. De ecosysteemtypen zijn moeras (N05; N06.01; N06.02); heide (N06.03-06; N07) open duin (N08), halfnatuurlijk grasland (N09-N13) en bos (N14-N17).

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

1.Twee jaarlijks 2.Om de 5 jaar

Achtergrondliteratuur

1.Bal, D., Beije, H. M., Fellinger, M., Haveman, R., Van Opstal, A. J. F. M., & Van Zadelhoff, F. J. (2001). Handboek natuurdoeltypen; 2e geheel herziene druk. IKC Natuurbeheer.1.Reijnen, M.J.S.M. ,A. van Hinsberg, M.L.P. van Esbroek, B. de Knegt, R. Pouwels, S. van Tol & J. Wiertz (2010). Natuurwaarde 2.0 land. Graadmeter ecosysteemkwaliteit landecosystemen voor nationale beleidsdoelen. WOt-rapport 110. 2.Sierdsema H., C. Kampichler C. & L. Sparrius (2014). Verspreidingskaarten van hogere planten ten behoeve van de kwaliteitsbepaling SNL. Sovon-rapport 2014/20. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.2.Sierdsema H. & C. Kampichler (2014). Verspreidingskaarten van broedvogels ten behoeve van de kwaliteitsbepaling SNL. Sovon-rapport 2014/xx. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.2.Van Swaay, C.A.M. (2013). Ecosysteemkwaliteit voor dagvlinders van de SNL beheertypen. Rapport VS2013.014, De Vlinderstichting, Wageningen.

Opmerking

Betrouwbaarheidscodering

1. C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd. Met Genstat Release 18.1 zijn de trends getoetst op significantie.2. C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.