Balans van de Leefomgeving

Duurzame staat Europese natuur nog niet in zicht

In de EU27 heeft 16% van de habitattypen een gunstige staat van instandhouding. In Nederland is dat slechts 4%, het laagste percentage van alle lidstaten.

In de EU27 heeft 16% van de habitattypen een gunstige staat van instandhouding. In Nederland is dat slechts 4%, het laagste percentage van alle lidstaten.
Van de habitatrichtlijnsoorten heeft 23% in de EU27 een gunstige staat van instandhouding. Dit geldt ook voor Nederland.

Van de habitatrichtlijnsoorten heeft 23% in de EU27 een gunstige staat van instandhouding. Dit geldt ook voor Nederland.
In Nederland laat 10% van de habitattypen met een ongunstige staat van instandhouding verbetering zien, terwijl in bijna 27 % de status verslechterd is. Voor alle EU27-lidstaten tezamen is van 30% van de habitattypen de status verslechterd.

In Nederland laat 10% van de habitattypen met een ongunstige staat van instandhouding verbetering zien, terwijl in bijna 27 % de status verslechterd is. Voor alle EU27-lidstaten tezamen is van 30% van de habitattypen de status verslechterd.
 Voor habitatrichtlijnsoorten met een ongunstige staat laat Nederland de sterkste verbeterende trend in staat van instandhouding zien. De EU27 als geheel kent meer verslechtering dan verbetering.

Voor habitatrichtlijnsoorten met een ongunstige staat laat Nederland de sterkste verbeterende trend in staat van instandhouding zien. De EU27 als geheel kent meer verslechtering dan verbetering.

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) leggen de lidstaten verplichtingen op die gericht zijn op het behouden of herstellen van een gunstige/veilige staat van zowel habitattypen als (vogel)soorten. Aan het VHR einddoel is geen specifieke termijn verbonden. De Natura 2000-gebieden zijn voor het grootste deel onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) waarmee realisatie van het NNN een essentieel instrument is om de vereiste gunstige staat te bereiken voor de in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermde plantensoorten, diersoorten en habitats.

De Europese Biodiversiteitsstrategie formuleert als streefdoel de VHR volledig te implementeren om de achteruitgang van alle beschermde soorten en habitats te stoppen en hun staat significant te verbeteren. Daarbij is het operationele doel dat in 2020 twee keer zoveel beschermde habitattypen en de helft meer van de soorten uit de Habitatrichtlijn op zijn minst een goede of verbeterde staat van instandhouding (svi) laten zien ten opzichte van 2010. Daarnaast is het streven dat de helft meer vogelsoorten uit de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterende status hebben.

Einddoel voor duurzame staat Europese natuur nog niet in zicht

Lidstaten moeten op grond van artikel 17 van de Habitatrichtlijn (HR) en artikel 12 van de Vogelrichtlijn (VR) elke zes jaar aan de Europese Unie rapporteren over de staat van instandhoudingen en de trends (ETC-BDa,b 2016).

Het laatste State of Nature rapport (EEA 2015) vat resultaten van de Europese Habitatrichtlijn rapportages samen en laat zien dat van veel soorten en natuurlijke habitattypen, de staat van instandhouding in Europa ongunstig is. Over alle lidstaten (EU27) bezien heeft 16% van de habitattypen en 23% van de habitatrichtlijnsoorten een gunstige svi. In Nederland heeft slechts 4% van de habitattypen een gunstige svi, het laagste percentage van alle lidstaten. Van de habitatrichtlijnsoorten verkeert in Nederland 23 % in een gunstige staat. In Europa is de staat van iets meer dan de helft van alle beoordeelde in het wild levende vogelsoorten veilig, is ongeveer 15% gevoelig of afnemend. Nog eens 17 % van de Vogelrichtlijn soorten is bedreigd.

Ten aanzien van het doelbereik van de Biodiversiteitsstrategie concludeert het State of Nature rapport uit 2015 dat het aantal (vogel)soorten en habitattypen met een veilige/gunstige of verbeterende staat in Europa licht is gestegen ten opzichte van de referentiesituatie van 2010.

Net als voor de andere lidstaten is voor Nederland het VHR einddoel, namelijk alle soorten en habitattypen onder de richtlijnen in een gunstige/veilige staat te brengen en te houden, nog niet in zicht.

Trends van habitatrichtlijnsoorten en habitattypen

Over de twee HR-rapportageperioden (2001-2006 en 2007-2012) is in Nederland de landelijke staat van instandhouding over alle te beschermen habitattypen en habitatrichtlijnsoorten bezien, ongeveer gelijk gebleven. Dit komt overeen met het Europese beeld; de algehele svi van habitattypen en HR soorten in de EU is in de periode 2007-2012 ten opzichte van 2001-2006 niet substantieel gewijzigd.

Omdat vanuit de Europese beoordelingssystematiek de situatie van een HR soort of habitattype aanzienlijk moet veranderen wil de soort van de ene klasse van staat van instandhouding naar een volgende gaan, wordt binnen de systematiek ook gekeken naar de veranderingen: de trends in svi van soorten en habitattypen binnen de ongunstige svi-categorieën. Zo laat in Nederland 10% van de habitattypen met een ongunstige svi verbetering zien. Echter, net als in de andere Europese lidstaten, verslechteren er in Nederland meer habitattypen met een ongunstige svi dan dat er verbeteren. In Nederland is in bijna 27 % van de habitattypen de status verslechterd tegen 30% over alle lidstaten samen (EU-27).

Onder habitatrichtlijnsoorten met een ongunstige svi zijn in bijna alle lidstaten voor enkele soorten verbeteringen zichtbaar. Hierbij laat Nederland, vergeleken met de overige lidstaten, de sterkste verbeterende trend in staat van instandhouding zien (EEA 2015). Daarmee ligt Nederland op koers voor habitatrichtlijnsoorten het operationele streefdoel uit de Biodiversiteitsstrategie te halen om in 2020 de helft meer van de habitatrichtlijnsoorten in een gunstige of verbeterde svi te brengen ten opzichte van 2010. Over de EU als geheel (EU27) is er echter meer verslechtering dan verbetering te zien: ten opzichte van de eerste rapportage periode is voor 22% van de habitatrichtlijnsoorten de staat van instandhouding verslechterd (EEA 2015).
De staat van instandhouding van habitattypen en habitatrichtlijnsoorten in de Nederland omringende landen van de Atlantische regio is net als in Nederland voor meer dan de helft van de habitattypen en soorten matig ongunstig tot zeer ongunstig. Echter, als de staat van instandhouding van habitattypen en habitatrichtlijnsoorten die zowel in Nederland als in de omringende landen voorkomen, onderling wordt vergeleken dan is deze in Nederland relatief slechter voor soorten maar vrijwel gelijk of beter voor habitattypen (zie Digitale Balans 2014[0]).

Populatietrends over 2001-2012 laten voor 39% van de broedvogels in Nederland een verbetering zien. Voor 37% van de broedvogels zijn de trends afnemend. Iets meer dan de helft van de Europese vogels heeft een veilige status.

Populatietrends over 2001-2012 laten voor 39% van de broedvogels in Nederland een verbetering zien. Voor 37% van de broedvogels zijn de trends afnemend. Iets meer dan de helft van de Europese vogels heeft een veilige status.
Populatietrends over 2001-2012 laten voor 37% van de overwinterende vogels in Nederland een verbetering zien. Voor 21% van de overwinterende soorten zijn de trends afnemend. Iets meer dan de helft van de Europese vogels heeft een veilige status

Populatietrends over 2001-2012 laten voor 37% van de overwinterende vogels in Nederland een verbetering zien. Voor 21% van de overwinterende soorten zijn de trends afnemend. Iets meer dan de helft van de Europese vogels heeft een veilige status

Trend van vogels wisselend

Voor alle inheems voorkomende vogels onder de Vogelrichtlijn wordt de status Europees niveau bepaald en niet afzonderlijk voor de lidstaten. Populatietrends voor vogels zijn wel beschikbaar per lidstaat voor lange (1980-2012) en korte (2001-2012) trendperiodes. Uit de laatste rapportages blijkt dat iets meer dan de helft van de Europese vogels een veilige status heeft (EEA 2015). Voor Nederland laten populatietrends over 2001-2012 een wisselend beeld zien: 39% van de broedvogels en 37% van de overwinterende populaties laten een verbetering zien. Daar staat tegenover dat 37% van de broedvogels en 21% van de overwinterende populaties juist een afnemende trend vertonen.

Referenties

Naam van het gegeven

Staat van instandhouding soorten en habitattypen Nederland in Europees perspectief

Omschrijving

Overzicht van de staat van instandhouding en trends van de Nederlandse habitattypen en soorten van de Europese Habitatrichtlijn in 2007-2012 vergeleken met cijfers andere lidstaten EU27. Daarnaast worden korte termijn trends 2001-2012 van de Vogelrichtlijnsoorten gepresenteerd.

Verantwoordelijk instituut

PBL (Pim Vugteveen) en Wageningen UR (Irene Bouwma)

Berekeningswijze

De figuren presenteren de staat van instandhouding habitattypen en habitatrichtlijnsoorten, en de trends van de ongunstige staat van instandhouding tussen twee rapportage periodes (2001-2006)-(2007-2012). Daarnaast worden de korte termijn trends (2001-2012) voor Vogelrichtlijnsoorten gepresenteerd. De informatie is ontleend aan het EU State of Nature rapport Annexen (EEA, 2015) op basis van verzamelde data van het Europees Milieuagentschap uit de officiële beoordelingsrapportages van de lidstaten over de implementatie van de richtlijnen.

Basistabel

EEA (2015). State of nature in the EU. Annexes. Luxembourg: Publications Office of the European Union

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

6-jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Bijlsma, R.J., J.A.M. Janssen, E.J. Weeda & J.H.J. Schaminée (2014). Gunstige referentiewaarden voor oppervlakte en verspreidingsgebied van Natura 2000-habitattypen in Nederland. area en range. WOt-rapport 125. WOT Natuur & Milieu – Wageningen UR, Wageningen
EEA (2015). State of nature in the EU. Results from reporting under the nature directives 2007-2012. Luxembourg: Publications Office of the European Union.ETC-BDa (website accessed Aug 2016). Reference Portal for reporting under the Article 17 of the Habitats Directive. ETC-BDb (website accessed Aug 2016). Reference Portal for reporting under the Article 12 of the Birds Directive.Janssen, J.A.M., E.J. Weeda, P. Schippers, R.J. Bijlsma, J.H.J. Schaminée, G.H.P. Arts, C.M. Deerenberg, O.G. Bos & R.G. Jak (2014). Habitattypen in Natura 2000-gebieden. Beoordeling van oppervlakte, representativiteit en behoudsstatus in de Standard Data Forms (SDFs). WOt-technical report 8. WOT Natuur & Milieu – Wageningen UR, Wageningen.
Knegt, B. de, T. van der Meij, S. Hennekens, J.A.M. Janssen & G.W.W. Wamelink (2014). Status en trend van structuur- en functiekenmerken van Natura 2000-habitattypen op basis van het Landelijk Meetnet Flora (LMF) en de Landelijke Vegetatie Databank (LVD). Achtergrondrapport voor de Artikel 17-rapportage. WOt-technical report 7. WOT Natuur & Milieu – Wageningen UR, Wageningen.
Ottburg, F.G.W.A. & C.A.M. van Swaay (red)(2014). Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van Habitatrichtlijn. WOt-rapport 124. WOT Natuur & Milieu – Wageningen UR, Wageningen
Ottburg, F.G.W.A. & J.A.M. Janssen (2014). Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebieden. Beoordeling van populatie, leefgebied en isolatie in de Standard Data Forms (SDFs). WOt-technical report 9. WOT Natuur & Milieu – Wageningen UR, Wageningen.
Schmidt, A.M., A. van Kleunen, R. Bink & L. Soldaat (2014). Rapportages op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Evaluatie rapportageperiode 2007-2012 en aanbevelingen voor de periode 2013-2018. WOt-technical report 19. WOT Natuur & Milieu – Wageningen UR, Wageningen

Opmerking

Over verbetering en verslechtering van de staat van instandhouding is het van belang bewust te zijn van de wijze waarop deze cijfers tot stand komen en gerapporteerd worden. Zo wordt in de HR rapportages onderscheid gemaakt in daadwerkelijke veranderingen in de staat van instandhouding, en veranderingen die veroorzaakt zijn door een andere methodiek of verbeterde databeschikbaarheid. Daarnaast is het bij het vergelijken van lidstaten van belang te realiseren dat er grote onderlinge verschillen tussen lidstaten bestaan. Niet alleen in te beschermen aantal en type (gevoelige) habitattypen en soorten, maar ook in sociale, economische, politieke en natuurlijke omstandigheden. Deze bepalen het landgebruik in de lidstaten en de aanwezige bedreigingen. Nederland kan daarom het best worden vergeleken met landen met een vergelijkbare en relatief vergelijkbare ruimte- en milieudruk zoals België, Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.