Balans van de Leefomgeving

2020 doelstelling niet-emissiehandelssectoren ruim haalbaar

De uitstoot van broeikasgassen in Nederland lag in 2016 lag ruim 12 procent onder het niveau van het basisjaar van het Kyoto Protocol. T.o.v. 1990 is de emissie van kooldioxide (CO2) in 2016 licht gestegen (1.6 procent) en zijn de emissies van methaan (CH4) en distikstofoxide (N2O) met respectievelijk 42 en 54 procent gedaald.

Toelichting

Voor ‘Energie en klimaat’ zijn het doelbereik en de toelichting in deze balans afgeleid van het voorgenomen beleid in de Nationale Energieverkenning (NEV) 2017. De eerstvolgende Nationale Energieverkenning, met daarin naar verwachting het nieuwe klimaatakkoordbeleid voor 2030, zal pas in de loop van 2019 verschijnen.

Begin 2019 brengt het PBL naar verwachting een korte notitie uit over de voortgang onder het energieakkoord voor wat betreft de hoofddoelen energiebesparing (2020) en hernieuwbare energie (2020 en 2023). Ook wordt de broeikasgasraming voor 2020 opnieuw doorgerekend in verband met het doel voor 2020 uit de Urgenda-rechtszaak. Begin 2019 zal het PBL naar verwachting ook een doorrekening van het Klimaatakkoord voor 2030 publiceren.

2020 doelstelling niet-emissiehandelssectoren ruim haalbaar

Nederland heeft zich in internationaal kader gecommitteerd aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015. Middels dit verdrag proberen bijna alle landen van de wereld om de stijging van de mondiale temperatuur te beperken tot onder niveau onder de 2 graden Celsius t.o.v. het pre-industriële niveau en te streven naar een maximale stijging van 1.5 graden Celsius.

In het regeerakkoord is beschreven dat een emissiereductiedoel van 49% t.o.v. 1990 in 2030 uitgangspunt wordt van een nieuw klimaat- en energieakkoord, en dat maatregelen worden genomen die voorbereiden op het realiseren van dit doel (Rijksoverheid 2017).

Het 49% emissiereductiedoel voor broeikasgassen is in lijn met 95% emissiereductie in 2050 en is passend bij het realiseren van de doelstelling uit Parijsakkoord om de temperatuurstijging te beperken tot ruim onder de 2 graden. Het doel van 55% emissiereductie in 2030 is passend bij het realiseren van de doelstelling uit Parijsakkoord om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 graden (PBL 2016).

Het Energieakkoord heeft de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld in het Nederlandse energie- en klimaatbeleid. Het kabinet wil de uitstoot van broeikasgassen terugdringen door vermindering van de energievraag en verduurzaming van het energieaanbod. Daartoe wordt gewerkt aan een te sluiten Klimaatakkoord.

In 2016 zijn de broeikasgasemissies (kooldioxide, methaan, distikstofoxide en fluorhoudende gassen) met 12 procent afgenomen t.o.v. 1990.

In 2016 zijn de broeikasgasemissies (kooldioxide, methaan, distikstofoxide en fluorhoudende gassen) met 12 procent afgenomen t.o.v. 1990.
Ten opzichte van 1990 is de emissie van kooldioxide (CO2) in 2016 licht gestegen (1.6 procent).

Ten opzichte van 1990 is de emissie van kooldioxide (CO2) in 2016 licht gestegen (1.6 procent).
Met een totale uitstoot van 19 Mton CO2-eq in 2016 is de uitstoot van CH4 ten opzichte van 1990 met 42 procent gedaald. Het grootste deel van deze daling, 10,8 Mton CO2-eq, is het gevolg van de afname van emissies uit stortplaatsen (sector afvalverwijdering).

Met een totale uitstoot van 19 Mton CO2-eq in 2016 is de uitstoot van CH4 ten opzichte van 1990 met 42 procent gedaald. Het grootste deel van deze daling, 10,8 Mton CO2-eq, is het gevolg van de afname van emissies uit stortplaatsen (sector afvalverwijdering).
De uitstoot van N2O in 2016 is ten opzichte van 1990 met ongeveer 54 procent gedaald tot 8 Mton CO2-eq. Deze daling van de uitstoot van N2O is gerealiseerd in de chemische industrie en de landbouwsector.

De uitstoot van N2O in 2016 is ten opzichte van 1990 met ongeveer 54 procent gedaald tot 8 Mton CO2-eq. Deze daling van de uitstoot van N2O is gerealiseerd in de chemische industrie en de landbouwsector.
In 2016 is de totale uitstoot van F-gassen ten opzichte van 1990 met 68 procent gedaald tot 2,7 Mton CO2-eq.

In 2016 is de totale uitstoot van F-gassen ten opzichte van 1990 met 68 procent gedaald tot 2,7 Mton CO2-eq.

Trends per broeikasgas in Nederland

Ten opzichte van het basisjaar 1990 is de uitstoot van CO2 in 2016 met 1,6 procent toegenomen. De toename van de CO2-emissies in de Energiesector is na 2010 omgeslagen in een daling tot 2013 doordat er minder elektriciteit werd opgewekt en meer geïmporteerd dan in eerdere jaren. Elektriciteit uit het buitenland was regelmatig goedkoper dan in Nederlandse aardgascentrales opgewekte elektriciteit. Door een grotere inzet van kolencentrales zijn in 2014 en 2015 de CO2-emissies weer licht gestegen. Bij Verkeer en Vervoer is de stijging na 2011 omgeslagen in een daling door een schoner autopark, meer over de grens tanken en minder verkeer. In 2015 en 2016 is een lichte toename zichtbaar door de aantrekkende economie.
Met een totale uitstoot van 19 Mton CO2-eq in 2016 is de uitstoot van CH4 ten opzichte van 1990 met 42 procent (13 Mton CO2-eq) gedaald. Het grootste deel van deze daling, 10,8 Mton CO2-eq, is het gevolg van de afname van emissies uit stortplaatsen (sector afvalverwijdering). Daarnaast heeft er ook een daling van 1,1 Mton CO2-eq plaatsgevonden in de landbouwsector en 1,4 Mton CO2-eq in de energiesector. De daling in de landbouwsector wordt met name veroorzaakt door een afname van de dieraantallen en minder gebruik van dierlijke mest. Na 2012 is de daling in de landbouwsector omgeslagen in een lichte stijging door vooral een toename van de dieraantallen. In de energiesector zijn door het nemen van maatregelen de emissies als gevolg van het afblazen van ruw aardgas bij de olie- en gaswinning afgenomen.
De uitstoot van N2O in 2016 is ten opzichte van 1990 met ongeveer 54 procent gedaald tot 8 Mton CO2-eq. Deze daling van de uitstoot van N2O is gerealiseerd in de chemische industrie (5,8 Mton CO2-eq) en de landbouwsector (3,9 Mton CO2-eq). De afname van de uitstoot in de chemische industrie is het gevolg van N2O-reductiemaatregelen bij de productie van salpeterzuur. De daling in de landbouwsector kent verschillende oorzaken te weten: afname van dieraantallen, minder gebruik van zowel kunstmest als dierlijke mest en een lagere N-uitstoot per dier door een lager N-gehalte in het voer. Net zoals bij CH4 is de daling in de landbouwsector na 2012 omgeslagen in een lichte stijging door vooral een toename van de dieraantallen.
In 2016 is de totale uitstoot van F-gassen ten opzichte van 1990 met 68 procent gedaald tot 2,7 Mton CO2-eq. Hiervan is 2,4 Mton CO2-eq afkomstig van HFK’s, 0,15 Mton CO2-eq van PFK’s en 0,13 Mton CO2-eq van SF6. De afname van de uitstoot van F-gassen is vooral het gevolg van reductiemaatregelen die getroffen zijn in het kader van het Reductieplan Overige Broeikasgassen.

De emisses van broeikasgassen van de niet-ETS-sectoren Verkeer en vervoer, Landbouw, gebouwde omgeving, energiesector en industrie en bouw laten een dalende trend zien sinds 2005. Doel voor 2020 is bereikbaar, voor 2030 zijn nog extra inspanningen noodzakelijk.

De emissies van broeikasgassen van de niet-ETS-sectoren Verkeer en vervoer, Landbouw, gebouwde omgeving, energiesector en industrie en bouw laten een dalende trend zien sinds 2005. Doel voor 2020 is bereikbaar, voor 2030 zijn nog extra inspanningen noodzakelijk.

2020 doelstelling niet-emissiehandelssectoren ruim haalbaar

Grotere bedrijven vallen onder het Europees systeem voor emissiehandel (ETS). Dit betekent dat zij rechten moeten hebben om CO2 te mogen uitstoten. Deze rechten kunnen zij binnen de Europese Unie onderling kopen of verkopen. Kleinere bedrijven, gebouwde omgeving (vrijwel geheel), het grootste deel van de landbouw en verkeer vallen niet onder het ETS, evenals energiedistributeurs en afvalverwerkingsinstallaties. In Europa zijn nationale doelen afgesproken voor de broeikasgasemissies die niet onder het Europese emissiehandelssysteem vallen, de zogeheten Effort Sharing Decision (ESD).

De 3e fase van het EU-ETS loopt van 2013 tot 2020. De ongeveer 450 Nederlandse bedrijven die aan het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) deelnemen hebben in 2016 in totaal 93,9 Mton CO2-equivalenten uitgestoten. Broeikasgasemissies van niet-ETS-sectoren waren in 2016 in totaal 102,7 Mton CO2-equivalenten (CBS, PBL, RIVM, WUR 2017).

Het doel voor de reductie van broeikasgasemissies uit de niet-ETS-sectoren in EU-verband is een reductie van 16% in 2020 ten opzichte van 2005. Dit doel is vertaald in een maximale cumulatieve emissie van 920 megaton CO2-equivalenten over de periode 2013-2020. Op basis van de gerealiseerde emissies en de geraamde emissies met voorgenomen beleid wordt verwacht dat Nederland ruimschoots zal voldoen aan deze Europese verplichting. Uitgaande van het voorgenomen beleid verwachten we dat de cumulatieve emissies voor die periode uitkomen op 798 megaton CO2-equivalenten, ruim onder het doel (NEV 2017).

EU-doelstelling niet-ETS 2030 impliceert extra beleidsopgave

In Europa is afgesproken om de broeikasgasemissies in de niet-ETS sectoren in 2030 met 30% t.o.v. van 2005 reduceren (Effort Sharing Regulation, ESR). Voor Nederland betekent dat een reductiedoelstelling van 36% voor niet-ETS sectoren in 2030 ten opzichte van 2005 (Rijksoverheid 2018). Deze reductiedoelstelling is vertaald in een cumulatief doel van 882 megaton CO2-equivalenten voor de periode 2021 en 2030 (ECN en PBL 2016, NEV 2017).

Onder voorgenomen beleid komen de verwachte cumulatieve emissies voor 2021-2030 uit op 894 megaton CO2-equivalenten (NEV 2017). Er rest dan nog een aanvullende beleidsopgave van 12 megaton CO2-equivalenten over de periode 2021-2030. Het EU-doel voor Nederland ligt nog wel binnen de onzekerheidsbandbreedte (NEV 2017).

Bij het cumulatieve doel is impliciet al rekening gehouden met het kunnen compenseren van tekorten met overschotten tussen de jaren (banking and borrowing). Er is echter geen rekening gehouden met andere flexibiliteitsmechanismen die de landen onder de ESR kunnen inzetten (ECN & PBL 2016, NEV 2017).

Urgenda klimaatzaak

In de door Urgenda aangespannen klimaatzaak tegen de Staat heeft de rechtbank in Den Haag op 24 juni 2015 in zijn uitspraak bepaald dat Nederland de emissies van binnenlandse broeikasgassen in 2020 met 25% moet reduceren ten opzichte van 1990 (I en M 2015). De Staat heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis, maar de rechter had al bepaald dat er hangende dit beroep toch alvast maatregelen moeten worden genomen om de extra reductie te bewerkstelligen. Om aan die doelstelling te voldoen, richt het kabinet zich op korte termijn op de uitvoering van het Energieakkoord. In de Uitvoeringsagenda Energieakkoord 2018 zijn extra maatregelen aangekondigd om de doelen uit het Energieakkoord te behalen. Die maatregelen hebben betrekking op het aandeel hernieuwbare energie, extra energiebesparing en werkgelegenheid.

In oktober 2018 volgt de uitspraak van het gerechtshof in de Urgenda klimaatzaak.

Emissies van broeikasgassen in de EU28 zijn in 2016 met 24% gedaald t.o.v. van 1990

Emissies van broeikasgassen in de EU28 zijn in 2016 met 24% gedaald t.o.v. van 1990

Europese uitstoot van broeikasgassen daalt

In 2016 is de emissie van broeikasgassen (exclusief landgebruik, wijzigingen in landgebruik en bosbouw) in de Europese Unie (EU28) met 24% afgenomen ten opzichte van 1990. Dit ondanks een gestage groei van het bruto binnenlands product van de EU28 van 53% sinds 1990. Zowel de CO2-emissie (81% van de alle broeikasgassen in 2016) als de niet-CO2-emissie is gedaald sinds 1990. Bijna alle landen van de EU28 hebben bijgedragen aan die reductie waarbij het Verenigd Koninkrijk en Duitsland gezamenlijk een bijdrage van 48% sinds 1990 in de reductie van broeikasgassen in Europa hebben geleverd.

Meerdere factoren liggen ten grondslag aan de afname van de emissie van broeikasgasemissies in de EU28. Het gaat dan om onder andere de groei van het aandeel hernieuwbare energie, een verschuiving in het gebruik van fossiele brandstoffen (minder kolen) en een toename van de energie-efficiëntie. Bij de niet-CO2-broeikasgassen zijn vooral CH4 en N2O afgenomen. Dit kwam met name door de afbouw van mijnbouwactiviteiten, een verkleining van de veestapel en beter management van stortplaatsen en landgebruik.

In het merendeel van de sectoren zijn de emissies afgenomen. De grootste afname van broeikasemissies in Europa heeft plaatsgevonden in de industrie en de elektriciteits- en warmteproductie. Daarnaast hebben ook de huishoudens minder broeikasgassen geëmitteerd.

Bij de opwekking van elektriciteit is sinds 1990 meer gebruik gemaakt van gas ten koste van kolen. De industriële emissies zijn mede gedaald door een verbetering van de energie-efficiency, maar structurele veranderingen in de economie hebben ook een rol gespeeld, bijvoorbeeld door de verschuiving van energie-intensieve activiteiten naar een groter aandeel van de dienstensector. Daarnaast is Europa de laatste jaren vaker geconfronteerd met warme herfst- en winterperioden maar dat verschilt regionaal binnen Europa. Ook een grotere inzet van biomassa heeft ook bijgedragen aan de afname van de broeikasgasemissies.

Bij mobiliteit zijn de emissies toegenomen. Deze toename is ook zichtbaar bij de koelsector door de toename van airconditioning.

In de meeste EU28-landen zijn de broeikasgasemissies gedaald, muv Oostenrijk, Ierland, Spanje, Portugal en Cyprus. In de tweede periode van het Kyto protocol heeft de EU een reductiedoelstelling van 20%. In 2016 is een reductie van 24 gerealiseerd

In de meeste EU28-landen zijn de broeikasgasemissies gedaald, muv Oostenrijk, Ierland, Spanje, Portugal en Cyprus. In de tweede periode van het Kyto protocol heeft de EU een reductiedoelstelling van 20%. In 2016 is een reductie van 24 gerealiseerd

Kyoto-doelstelling voor Europa

Eind 2012 zijn er afspraken gemaakt tussen landen over de verlenging van het Kyoto Protocol. De landen die aan die verlenging mee doen, hebben afgesproken om de broeikasgasemissies in de periode 2013 tot en met 2020 gezamenlijk met 20% te reduceren ten opzichte van het Kyoto-basisjaar. In de periode 1990-2016 zijn de emissies met 24% gereduceerd voor de EU-28 landen inclusief IJsland (EEA 2018).

Referenties