Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2018

Broeikasgasemissies landbouw (excl. glastuinbouw) 2020

Tussen 1990 en 2012 daalden de emissies van methaan en lachgas uit de landbouw met meer dan 25%. Sindsdien zijn ze weer gestegen.

Tussen 1990 en 2012 daalden de emissies van methaan en lachgas uit de landbouw met meer dan 25%. Sindsdien zijn ze weer gestegen.

Tussen 1990 en 2012 daalden de emissies van methaan en lachgas uit de landbouw met meer dan 25%. Sindsdien zijn ze weer gestegen.

Doel broeikasgasemissies convenant net binnen bereik

De akkerbouw, de tuinbouw in de open grond en de veehouderij (zogenoemde ATV sectoren) hebben in 2008 afspraken gemaakt met de Rijksoverheid over de reductie van de zogenoemde ‘overige broeikasgassen’: methaan en lachgas. In 2020 zal de emissie verminderd moeten zijn met circa 25 tot 30%. Volgens de huidige afspraken over de berekening van emissies (IPCC 2006) zouden de convenantsafspraken neerkomen op een emissie van 17,6-18,8 Mton CO2-equivalenten in 2020. Ten tijde van de convenantsafspraken was dit doel al min of meer bereikt dankzij een flinke daling in de jaren negentig van de vorige eeuw. Naar verwachting zal de emissie van de overige broeikasgassen in 2020 uitkomen op 18,8 Mton (Schoots et al. 2017). Daarmee is het doel van 25 tot 30% net binnen bereik. In het convenant zijn ook afspraken vastgelegd over energiebesparing en inzet en levering van duurzame en hernieuwbare energie. Voor de CO2-emissies (van gebruik fossiele energie en door landgebruik) staan geen doelen in het convenant. Medio 2018 zijn de afspraken herbevestigd en aangevuld door minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de betrokken partijen (RVO 2018a).

Daling emissies vooral door mestbeleid

Sinds 1990 zijn de emissies van de broeikasgassen methaan en lachgas van de ATV sectoren met ongeveer 25% gedaald. Die daling is groter dan de daling van 12% voor Nederland gemiddeld (figuur 1). De daling heeft vooral plaatsgevonden aan het eind van de vorige eeuw en was een neveneffect van het mestbeleid en van het EU-beleid voor melkquota. De melkquota hebben tot 2007 geleid tot een daling van het aantal melkkoeien (als gevolg van productiviteitsstijging) en daarmee een daling van de CH4-emissies. Het mestbeleid heeft geleid tot het terugdringen van bemesting met stikstof en zo tot een daling van de lachgasemissies. De begrenzing van het aantal varkens en kippen binnen het mestbeleid (via dierrechten) heeft een stijging van de emissies binnen deze sectoren voorkomen.
Sinds de ondertekening van het convenant in 2008 is per saldo sprake van een stijging van de broeikasgasemissies: van 17,7 Mton CO2-equivalenten in 2012 tot 19,4 Mton n 2016. Oorzaak is de toename van de melkveestapel sinds 2007 door de verruiming en uiteindelijke afschaffing in 2015 van de melkquota. Vanaf 2017 is de stijging van de emissies weer tot staan gebracht door de invoering van een fosfaatreductiepakket voor de melkveehouderij per 1 maart 2017. De invoering van fosfaatrechten per 1 januari 2018 zal de uitstoot van methaan door de melkveehouderij verder beperken.

Doelstellingen lange termijn (2030-2050)

Het vraagstuk van klimaatverandering komt steeds hoger op de beleidsagenda te staan. Om de in Parijs afgesproken doelen (streven naar een temperatuurstijging van maximaal 1,5 graad en ruim onder de 2 graden in 2100) te halen zijn aanzienlijke reducties nodig van de uitstoot aan broeikasgassen. In het regeerakkoord 2017 is afgesproken om de in Nederland uitgestoten broeikasgasemissies met 49% in 2030 te reduceren ten opzichte van 1990. Dit percentage past bij de ambitie van het Parijs-akkoord (2016). Voor de ATV sectoren is hierin een ambitie van 1 Mton CO2-equivalenten genoteerd.
Landbouw hoort bij de niet-ETS sectoren. Voor deze sectoren is in Europees verband de afspraak gemaakt dat Nederland een reductie van 36% in 2030 realiseert ten opzichte van 2005 (EZK 2018). Deze afspraak is niet vertaald naar een percentage voor de landbouw.

CO2 emissies landbouwsectoren

De landbouwsectoren (ATV) stoten behalve methaan en lachgas ook CO2 uit. Hierbij zijn drie posten te onderscheiden.

  • Emissies afkomstig uit de verbranding van fossiele brandstoffen voor verwarming ed.
  • Emissies die ontstaan bij landgebruik en landgebruiksverandering (‘LULUCF’).
  • Emissies door mobiele werktuigen zoals tractoren

Voor de CO2-emissies uit verbranding in de ATV-sectoren zijn geen aparte cijfers beschikbaar omdat alleen een monitoring voor de totale land- en tuinbouw plaatsvindt (NIR 2018). De sectoren bloembollen en paddestoelen hebben over het gebruik van fossiele energie Meerjarenafspraken energieefficientie gemaakt (RVO 2018b).

De CO2 emissies bij landgebruik door de ATV sectoren bedragen in 2015 ruim 7 Mton CO2 en zijn daarmee gelijk aan die in 1990. Deze emissies tellen mee bij de LULUCF-sector. De LULUCF-sector is beleidsmatig relevanter geworden vanwege de nieuwe Europese regulering voor LULUCF en de relatie met het energie- en klimaatbeleid voor 2030 (EU, 2018). Zo mag een land extra emissiereducties door LULUCF-maatregelen tot een bepaald maximum en onder bepaalde voorwaarden inzetten om te voldoen aan het doel voor de niet-ETS-sectoren in 2030. Een eerste voorwaarde daarbij is de zogenaamde ‘no-debit rule’, die inhoudt dat de netto LULUCF-emissies niet mogen stijgen in de tijd ten opzichte van een referentieperiode. Als de netto LULUCF-emissies wel stijgen dan moet een land aanvullende maatregelen nemen in de LULUCF-sector zelf of in andere sectoren buiten het ETS.
De CO2 emissies van tractoren en andere landbouwmachines bedroegen 1,2 Mton in 2015 en worden toegerekend aan de sector verkeer (NIR 2018).

Referenties

Naam van het gegeven

Broeikasgasemissies landbouw (excl. glastuinbouw)

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving: auteur Martha van Eerdt

Berekeningswijze

Zie Vonk et al. 2018 en Schoots et al. 2017

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks